Van vorm naar vorm

Avercamp was een geduldige observator. Zijn voorstellingen zijn roerloos, windstil, en wie goed kijkt gaat ook andere kleinigheden opmerken.

Deze getekende aquarel is zo mooi omdat de voorstelling ontroerend roerloos is. Het is er vrijwel windstil. Op het gladde, glanzende water is geen rimpel van wind te bekennen. Wel zien we er dunne, grijze spiegelingen van de man en het meisje die daar op de oever aan de overkant staan te kijken naar twee hengelaars staande in een wankel bootje – ook daarvan zijn er stille reflecties. Ook het zeilscheepje, met in de flauwte slaphangende zeilen, is zacht weerspiegeld.

Als je zo naar zulke atmosferische wisselingen gaat kijken, vallen ook andere grote kleinigheden op. Bijvoorbeeld: het roeibootje met de twee staande mannen is aan twee staken vastgemaakt maar het wiebelt nog wel. Zo lijkt het tenminste want het ligt wat scheef in het water zodat wij er ook van boven wat kunnen inkijken. In het vlakke perspectief in dit lage waterlandschap zou het iets rechter moeten liggen. De kunstenaar heeft dit aangepast zodat we beter kunnen zien hoe de hengelaars in het bootje staan. Het een leidt dan verder naar het ander, vooral in een stil werk als dit waarin de blik niet door een dominant motief gestuurd wordt. In het oog lopend zijn natuurlijk de drie jongens op de voorgrond en het stuk oever met die schrale boom die van opzij te voorschijn komt.

Daar op en rond het water is visserij gaande – dat is de bedrijvigheid. Links van het zeilbootje zien we hoe een visser staande in zijn roeiboot een net binnenhaalt. Verder links op het land staat een man visnetten te repareren. In deze vertellende context zijn de drie jongetjes enigszins emblematisch voor het hele gebeuren. Het staande kereltje met hengel en mand over zijn schouder komt net aan. Die indruk wordt gewekt omdat hij van links komt. Ik weet het niet zeker maar ik word door de fijne detaillering in de tekening verleid de voorstelling als vertelling te zien, bijna als een idylle. Dat komt ook door de rustige, vreedzame weersgesteldheid. Niet alleen is het vrijwel windstil, er is ook geen zon. Het licht is nevelachtig. We zien over de hele breedte een warm roze waas oplichten. Misschien is achter het dunne wolkendek de zon aan het ondergaan. De catalogus van de tentoonstelling wijst erop dat, helemaal rechts, een wagen hoog met hooi beladen kennelijk huiswaarts gaat – na het maaien, dus begin van een zomeravond. Maar als het late zomer is, waarom is de boom links dan zo kaal? Is hij dan bijna dood, is het landschap toch ook een vanitas?

Het doet er ook niet toe of de staande jongen nu komt of vertrekt. Hij staat daar gewoon. De hengel over zijn schouder vormt een frêle, diagonale lijn. De hengel van de zittende jongen voor hem is een opwaartse lijn, licht naar voren geleund. Hij heeft hem net opgehaald om nieuw aas aan de haak te bevestigen. De derde hengel, ten slotte, steekt licht gebogen uit boven het wateroppervlak. Rechts van die jongen is, om de oever te completeren, nog een klein stilleven gearrangeerd: mand, hoed, en tevreden hond. Je ziet hoe een precieze waarnemer en tekenaar Avercamp was. Iedereen in de tekening heeft een hoofddeksel op, alleen de jonge hengelaar is blootshoofds. Natuurlijk ligt zijn hoed naast hem. Overigens: aan de bewegingen van de drie hengels kunnen we ook zien hoe ruimtelijk de blik van de kunstenaar was toen hij in zijn atelier deze tekening in elkaar zette. Behalve die hengels zien we, door heel het vlakke landschap zulke geplaatste verticale markeringen als een subtiel ruimtelijk stramien. Staken, palen, mast, stille staande figuren – tot aan de overkant van de rivier, voorbij de dijk, het bleke, gekartelde silhouet van Kampen. We zitten aan een zijarm van de IJssel. Zo kijken kunstenaars, van vorm naar vorm, toen en nu.

Staande aan de oever van de baai, eind jaren zestig, zag Jeroen Henneman hoe een stuk van de Golden Gate Bridge in zonlicht onthuld werd – in een plotselinge opening in verder dichte nevels, alsof een gordijn werd opengetrokken. Dat onvergetelijke beeld bleef hem zo bij omdat het in zijn kijken past waar kantige vormen en contouren een grote rol spelen. Die licht kromme lijn van de brug in een mistige omgeving werd een motief dat vaak opduikt: een zwevende streep. In het voorbeeld hier is de smalle lijn van de brug uitgesneden uit een landkaart en opgeplakt: de grijze nevel eromheen, en de doffe, strakke baan van schaduw op het water, zijn gemaakt met potlood.

Zo aandachtig heeft ook Avercamp zitten kijken en werken. Dat zien we aan de behoedzame verdeling van de figuren en de dingen, met verfijnd afgemeten tussenruimtes. De stille ruimte komt daardoor tot leven terwijl ze tegelijkertijd ook overal open blijft. De schilder was zeker stom en sprakeloos en misschien ook doofstom. Of de wonderlijk geluidloze atmosfeer in de tekening daarmee te maken heeft, weet ik niet. Opmerkelijk is in al zijn werk wel het langzame geduld waarmee de dingen zijn geobserveerd.

PS Het blad van Avercamp is tot 6 mei in Teylers Museum in Haarlem te zien, tentoonstelling: Hollandse meesters uit New York: De collectie Clement Moore. Jeroen Henneman exposeert tot 27 april in Galerie Clement in Amsterdam