Geen haat zo verscheurend als die van vrouw tot vrouw. Wie de stukken van Emma Brunt (Het Parool), Elsbeth Etty (NRC), Annemiek Neefjes (Vrij Nederland) en Ingrid Hoogervorst (De Telegraaf) achter elkaar leest, krijgt visioenen van vrouwen met vertrokken gezichten en wegdraaiende ogen die als dolgedraaide zeloten spelden zitten te prikken in een Chinees poppetje met lang zwart haar en een rood jasje. Wat heeft de tedere schrijfster Lulu Wang deze vrouwen aangedaan dat ze veranderen in vervaarlijke heksen?
De haat jegens Wang is zo groot dat er geen greintje ruimte overblijft voor enige compassie met de door haar succes verward geraakte schrijfster. Integendeel, Wang wordt afgeschilderd als het doortrapte genius achter een diabolisch complot om argeloze lezeressen te doen geloven dat ze a. een literair talent is dat de Nobelprijs niet meer kan ontgaan, b. haar schrijverschap met ware heldenmoed heeft veroverd op een door Mao vertrapte jeugd, en c. over een bijzondere gave beschikt om zich in te leven in het lot van zwaar gepenetreerde baby’s. Allemaal boerenbedrog, roepen de dames in koor, Elsbeth Etty voorop. In een even memorabele als overspannen column noemt de NRC-recensente Wangs taalgebruik ‘belabberd’, haar eersteling ‘concentratiekampkitsch’, en haar slachtofferisme ‘misbruik van kindermisbruik’.
Waarom zo heftig? Machteloosheid, moet het antwoord luiden. De scheldende dames, Willem Kuipers incluis, laten zich kennen als machteloze recensenten die niet in staat zijn om als het erop aankomt overtuigend aan te geven waarom een boek als dat van Wang slecht is. M. Februari, een columniste die tenminste niet meteen een waas voor ogen krijgt bij de naam van de successchrijfster, wijst daar fijntjes op in haar bespreking van de besprekingen (de Volkskrant van 2 december). ‘Het tedere kind is geen gemakkelijk boek’, stelt ze nuchter vast. Ze heeft gelijk. De ‘argeloze lezeressen’ die het bloemrijke proza van Wang vierhonderd pagina’s lang weten uit te houden, draaien in het vervolg hun hand niet meer om voor Ulysses van James Joyce. En dat, zullen de dames toch moeten beamen, is pure winst.