Colin Kaepernick ® en Eric Reid knielen tijdens het volkslied voorafgaand aan een wedstrijd in het Qualcomm Stadium. San Diego, september 2016 © Michael Zagaris / San Francisco 49ers / Getty Images

Zorgvuldig vulde hij zijn denkbeeldige mandje met wijsheden. John Carlos kwam ruimte te kort om alle kennis die een gehaaste Malcolm X onverstoorbaar zijn richting had toegekaatst op te bergen. Tussen twee spreekgelegenheden door vergezelde Carlos hem op zijn gang door 116th Street, New York. Het was 1961. De vijftienjarige adolescent uit Harlem wist zich geen raad met de leegtes in zijn hoofd. Hij miste iets. De rijzende vragen schreeuwden om antwoorden. Uit de krakende antenneradio hadden thuis de betoverende woorden en meeslepende retoriek van een jonge predikant geklonken. Over zwarte pijn, over achterstelling, over onderdrukking. Carlos werd meteen gegrepen: deze man kon die leegtes opvullen.

Of hij een stukje mocht meelopen naar zijn volgende lezing. Eerst had Malcolm X hem wat getroebleerd aangekeken. Maar vervolgens vertoonde Malcolm, een snelle loper, een monkellach: ‘Als je me kunt bijhouden. If you can keep up.’

John Carlos (76) krauwt door zijn sneeuwwitte cirkelbaard. Zijn ogen kijken over de rug van zijn zwarte brilmontuur heen, recht de Zoom-camera in. ‘Thuis onderwees mijn vader me al over de zwarte worsteling. Maar verdomd, deze man deed het op de nationale radio.’

Door regelmatig met hem mee te lopen ontwikkelde de jonge Carlos een relatie met de beeldbepalende burgerrechtenactivist. Carlos wijst op het grote portret achter hem waarop Malcolm X met een plechtige blik staat afgebeeld. ‘Van hem leerde ik hoe je anderen onderwijst. Hun ogen opent. Wát je mij nu hoort zeggen, hóe je mij nu hoort spreken, is een voortvloeisel van zijn inspirerende leer. Ik leerde goed van fout te onderscheiden. Maar ook wat het inhoudt om een leider te zijn.’

Dat leiderschap vloeide nog geen zeven jaar later samen in een gebalde vuist. Samen met een andere topsprinter, Tommie Smith, bracht hij de pijn van de zwarte gemeenschap naar de felle schijnwerpers van de Olympische Spelen. In de collectieve verbeelding dreunden hun zwart gehandschoende vuisten in de ijle lucht van Mexico-City tijdens de medailleceremonie van de 200 meter nog lang na.

Het protest definieerde een tijdperk. De symboliek bracht alle angst en frustraties van 1968 treffend in beeld. Het hoofd gebogen. De gebalde vuist, verzet en eenheid uitbeeldend. Het opengeritste trainingspak, verwijzend naar de noodlijdende arbeidersklasse. Op kousenvoeten, als aanklacht tegen de structurele armoede onder zwarte Amerikanen. En bungelend om Carlos’ nek de kralen, herinnerend aan de lynchpartijen. Het beeld werd bevroren in de tijd: iconisch.

Met weerzin keek ‘patriottisch’ Amerika toe hoe het schouwspel zich afspeelde op de tonen van het Amerikaanse volkslied. Vreedzaam of niet, het was breken met een heilig gewaand protocol. Ze daagden het machtigste symbool van de natie, de Amerikaanse vlag, uit.

Smith en Carlos werden uit het Olympische team gezet – en zouden bovendien nooit meer een atletiekbaan betreden – en in hun thuisland bedolven onder haat. Of zoals schrijver Howard Bryant in zijn boek The Heritage schreef: ‘Amerika hoefde het zwarte brein niet, het wilde enkel het zwarte lichaam.’ Met hun ‘schreeuw voor vrijheid’ slaagden de atleten wel in hun opzet: op het allerhoogste sportpodium blootleggen hoe de Verenigde Staten zichzelf en de wereld een keiharde leugen voorhielden. Een land dat in sport een handig middel zag om zichzelf schouderklopjes te geven als een lichtend voorbeeld van raciale gelijkheid. Het scorebord – goud voor Smith, brons voor Carlos – als metafoor voor de meritocratie waar Amerika zichzelf voor hield. Carlos benadrukt het schokschouderend: ‘We móesten wel gezien worden, want we werden niet gehoord.’

Er was minachting, hoon, afgrijzen en vooral woede. Carlos herinnert zich de enorme ontzetting in het stadion. ‘Het boegeroep, de razernij van het publiek verspreidde zich vervolgens razendsnel over de hele wereld. Het was een klassieke reactie van onderdrukkers die lijnrecht tegenover ons, de onderdrukten, stonden. We werden afgeschilderd als villains, als schurken.’

Maar zodra Carlos – gympen onder de arm – het erepodium af stapte daalde bij hem het krachtige besef neer: de spreekwoordelijke boeien waren afgeworpen. ‘In mijn hele leven kunnen ze me nooit meer vastketenen.’ >

H et was de eerste keer dat de grenzen tussen sport en politiek zó openlijk vervaagden. Ja, beroemde atleten als Muhammad Ali en Jackie Robinson gebruikten hun platform eerder om het bewustzijn rond de zwarte pijn in hun land te vergroten. Maar het duo Smith-Carlos gaf het tijdens de Olympische Spelen van 1968 – voor het eerst werden de Zomerspelen wereldwijd uitgezonden – een nieuwe dimensie.

Vandaag heeft de topsporter zijn stem gevonden. Als nooit tevoren claimt en herkent hij zijn maatschappelijke rol. En met een ongeziene bereidwilligheid wendt hij die status, invloed en macht aan voor verandering. Vaak complexloos en onbeschaamd.

Die sociale betrokkenheid gaat verder dan antiracisme. Serena Williams probeert al jaren de misogyne elementen – van dubieuze kledingvoorschriften tot venijnige berichtgeving – in de tennissport openlijk van zich af te schudden. En in dezelfde sport trad Naomi Osaka – ‘It’s OK to not be OK’ – op de voorgrond om het taboe rond het mentale welzijn van de sporter te doorbreken. Op het gigantische EK-platform spraken talloze voetballers zich uit tegen een Hongaarse anti-lhbti-wet. En Marcus Rashford gebruikt in Engeland zijn status en politieke invloed om kansarme gezinnen vooruit te helpen. De sportfiguur gaat vandaag niet alleen over zijn eigen ik, hij is zijn eigen boodschapper geworden.

Geïnspireerd door de zwarte strijd in de VS wordt racisme vandaag openlijk uitgedaagd. Krachtiger en collectiever dan ooit. De tragische moord op George Floyd vorige zomer veranderde de relatie tussen sport en activisme voorgoed. Door veranderende opvattingen, het bereik op sociale media en de zichtbaarheid van onrecht groeit de bijval bij het grote publiek. Toch kunnen sporters die zich maatschappelijk profileren nog steeds op giftige weerstand en onbegrip rekenen. Het idee van sport als plek voor louter vermaak zal niet snel verdwijnen. Als symbool van verzet zal de vuist van Carlos en Smith toch voor altijd verbonden zijn met de knie van Colin Kaepernick.

Militair veteraan Nate Boyer voelde zich zo gekrenkt toen hij American-football-speler Colin Kaepernick tijdens het volkslied in z’n eentje achter wat koelers op een bankje zag zitten dat hij hem een open brief schreef. Het bewoog Kaepernick om contact te leggen. Boyer legde hem uit dat een man knielt om zijn vrouw ten huwelijk te vragen. Om gesneuvelde soldaten te eren, geridderd te worden, om te bidden voor God. Knielen, zo zei Boyer, is een uiting van liefde, nederigheid of verdriet. Maar een gebrek aan respect? Die suggestie zou het nooit moeten wekken.

Kaepernick deed wat zo veel Amerikanen – zou later blijken – niet naar hem wilden doen: hij luisterde. En om in het geweer te komen tegen het politiegeweld dat zwarte Amerikanen treft, knielde hij voortaan in stilte tijdens het volkslied. Op de meest respectvolle manier, sober, haast nederig. De daad zou in 2016 grensverleggend blijken. Door het symbool van de Amerikaanse vlag uit te dagen, koppelde Kaepernick de frustraties van de zwarte gemeenschap aan een elementair ideaal waar Amerika beweert voor te staan: rechtvaardigheid.

Door de felle weerstand en de realiteit dat hij in de meest conservatieve sport – met een overwegend witte achterban – was terechtgekomen, is Kaepernick zijn baan als quarterback inmiddels kwijt. Net zoals de vuist Smith en Carlos definieerde, zou de knie dat voor Kaepernick doen. Maar zijn strijd als mensenrechtenactivist gaat gewoon door. Mét de zakelijke steun van Nike. De contouren van zijn karakteristieke afro sieren inmiddels een van Nike’s gympen. En zijn Know Your Rights Camp, een organisatie die achtergestelde jongeren leert over zelfbeschikking en strijdt tegen politiegeweld, toert met gratis seminars over burgerrechten door Amerika.

Het is die onbuigzaamheid waarvoor Carlos zijn bewondering moeilijk kan verhullen. Die uitte hij ook tijdens een ontmoeting enkele jaren geleden bij een lezing. ‘Mr Kaepernick, jij bent mijn held. Maar waarom toch absoluut willen terugkeren in football? Je bent je sport ontgroeid, ontstegen met je activisme. You are bigger than football. Wat je zeker niet mag doen, is het volume verlagen. Integendeel: de decibels moeten omhoog. Je hebt jezelf opgeworpen als stem van de zwarte gemeenschap en haar pijn. Je kunt die mensen niet ophijsen om vervolgens te gaan sluimeren.’ Figuren als Kaepernick zijn de fruit of our labour, zegt Carlos op de hoge tonen van zijn schorre stem. ‘Wat nieuwe generaties atleten zeggen: het gaat niet om mijn rijkdom, mijn status als atleet. Het gaat om mijn leven. Ze kennen als geen ander de betekenis van zwart zijn, de gevolgen ervan. Zodra een zwarte sporter de kleedkamer verlaat, is hij weer gewoon een zwarte man. Een witte sporter hoeft zijn leven niet te vrezen om wille van zijn huidskleur. Elke topsporter is bevoorrecht. Ze stellen zichzelf terecht voortdurend de vraag: wat kan ik doen met deze invloed om verandering te bewerkstelligen? En geweldloos protest, wie kan daar tegen zijn?’

Eigenlijk wilde Carlos als zwemmer excelleren op de Olympische Spelen. Maar de littekens die de Jim Crow-wetten nalieten waren nog lang niet geheeld. Al snel kwam hij erachter dat zwembaden met waardige faciliteiten slechts voor witte burgers toegankelijk waren.

De slepende strijd voor gelijkwaardigheid blijft ook vandaag voortduren. Waar voor gevochten wordt, blijft volgens hem immers onveranderd. ‘Onwetendheid houdt de wereld nog steeds draaiende. De ziekten van de samenleving: het onrecht, de onverdraagzaamheid, de vooroordelen, het racisme corrigeren zich niet vanzelf. Nog steeds nemen we het op tegen dezelfde demon, die we eigenlijk proberen te begraven. Kijk maar wat je tot voor kort in het Witte Huis had. In de VS is ons geleerd om onszelf te haten. Dat hebben witte Amerikanen ons geleerd.’

De scheiding van sport en politiek is lange tijd een van de zorgvuldigst beschermde waarden van de Olympische Spelen geweest. Het ioc blijft er dan ook onbeholpen aan vastklampen. Want protest op het erepodium betekent deze zomer in Tokio strafmaatregelen. Met richtlijnen voor het erepodium wil de sportkoepel elke vorm van ‘politieke, religieuze of raciale propaganda’ verbieden. Het ioc ziet met de zogeheten Rule 50 voor zichzelf een rol weggelegd om ‘de neutraliteit van de sport te beschermen’. Wat zoveel betekent als: we vieren de sport, maar niet de sporter. Of, ja we vieren de sporter, maar op ónze voorwaarden. De Spelen als baken van politieke zuiverheid en neutraliteit? In niets rijmt het met hun reputatie.

‘Elk protest komt ongelegen, want de status-quo komt de meerderheid heel goed uit. Verwacht niet dat je omarmd zult worden over de barricades heen’

Op zichzelf is het evenement met zijn vlaggenvertoon al doordrenkt van nationalisme. Bovendien dragen de Spelen een bedenkelijke politieke geschiedenis. In 1936 gaf de organisatie in Berlijn Adolf Hitler zijn felbegeerde podium – de tribunes bekleed met swastika’s, de protocollen gekleurd door de Hitlergroet. En zelfs na de oorlog bleef zelfverklaard nazi-sympathisant Avery Brundage twee decennia aan het hoofd van het ioc. Ook de deelname van een geheel wit Zuid-Afrikaans apartheidsteam werd lang niets in de weg gelegd. Waar het ioc met deze beslissing vooral toe uitnodigt, is wat het nooit heeft kunnen beteugelen: een onbedwingbare drang tot protest.

De regels beloven serieus getest te worden. Zullen atleten met een moslimachtergrond stil blijven over de genocide van de Oeigoeren in China? Blijft de Israëlische bezetting van Palestijnse gebieden na een woelig jaar uit beeld? En wat doen de Amerikaanse basketballers? Britse sporters beloofden al te gaan knielen. Om toestemming zullen de atleten alvast niet vragen.

Tijdens een huldigingsceremonie van de Olympische kwalificaties keerde hamerslingeraar Gwen Berry zich vorige maand nog nadrukkelijk van de Amerikaanse vlag af. Berry, die opgroeide op een steenworp van de plek waar Michael Brown in Ferguson werd doodgeschoten, wierp misnoegd een blik op de tribunes en trok uit protest een shirt met de tekst ‘athlete-activist’ over haar hoofd. Dat tegen elke conventie op het toernooi het volkslied tóch werd gespeeld, voelde voor haar aan als een provocatie.

ioc-voorzitter Thomas Bach gaf atleten als Berry deze maand al een preventief standje door te benadrukken dat podia gemaakt zijn ‘om atleten te eren, niet hun persoonlijke overtuigingen’ en ‘geen plek zijn voor demonstratie of protest’. Hij vreest voor ‘verdeeldheid’. Zelfs hier wordt het cliché dat sport ‘verbindt’ gretig aangewend.

De houding verbaast Carlos allerminst. Geen enkele keer in hun geschiedenis hebben ze racisme openlijk afgezworen, zegt hij. ‘De organisatie is achterhaald. Ze leeft nog in het stenen tijdperk. Wie zijn zij om te dicteren hoe jij je als atleet moet gedragen tijdens jouw kortstondige gloriemoment?’ Al jarenlang verdient de organisatie over de rug van mensen van kleur, zegt Carlos. ‘De atleten? Dat zijn de Spelen. Waar is de steun van een organisatie die ook de pijn en lijdensweg ziet die atleten doormaken? Het is tijd voor het ioc om die vraag te beantwoorden.’ Samen met 150 andere atleten en activisten riepen Carlos, Smith en Berry vorige week in een brief het ioc op zich te ontdoen van de Rule 50.

Gwen Berry (l) wendt zich af van de Amerikaanse vlag tijdens de U.S. Olympic Team Trials. Oregon, 26 juni © Patrick Smith / Getty Images

Toen de tengere, trillende verschijning van Muhammad Ali in 1996 de Olympische vlam in Atlanta aanstak, werd de hele wereld opnieuw gegrepen door het verhaal van ’s werelds beroemdste sporticoon. De broze figuur van een door parkinson aftakelende Ali was in niets de scherpe spreker en de overweldigende bokser die hij ooit was. Net als bij zijn dood twintig jaar later werd Ali universeel gevierd. Het beeld verhield zich niet tot de vileine behandeling van Ali gedurende zijn loopbaan. Openlijk en schaamteloos weigerde hij zich te schikken naar de eisen van wit Amerika. Ali werd destijds verafschuwd om zijn principiële dienstplichtweigering in de Vietnamoorlog – ‘I ain’t got no quarrel with them Vietcong’ – en zijn vurige pleidooien voor zwarte emancipatie. American-football-legende Jim Brown zei ooit dat het beeld van Ali als Amerika’s meest gehate atleet pas werd bijgesteld op het moment dat hij zijn spraakvermogen verloor.

De parallel met Colin Kaepernick is zo getrokken. Zijn roep om fatsoen, menselijkheid en respect voor zwarte mensen werd gezien als landverraad. Kaepernicks knie werd intens gepolitiseerd. Amerika oogstte daarmee wat 11 september – in een poging tot vereniging – met zijn sportwereld had gedaan: de evenementen worden nog meer in de Amerikaanse vlag gewikkeld. Kaepernicks oorspronkelijke boodschap raakte ondergesneeuwd en ontaardde in een vruchteloze discussie rond patriottisme en het volkslied.

Het was treffend dat Kaepernick in 2016 voor het eerst knielde, drie maanden na de dood van Ali, toen de inkt van de verheerlijkende necrologieën nog nauwelijks droog was. Schrijver Dave Zirin van het blad The Nation omschreef die hypocrisie als volgt: ‘De publieke opinie bracht hulde aan Ali met de ene hand, en sloeg Kaepernick met de andere.’

Muhammad Ali ® en Malcolm X, kort nadat Ali lid was geworden van de Nation of Islam, New York, 1964 © AP / ANP

Harry Edwards zou hun hoofd op hol brengen. Hij zou zwarte studenten wel eens aan het denken kunnen zetten, nieuwe denkpatronen ontketenen. Over hun maatschappelijke positie, de werkelijke achterstelling, het onrecht dat hen trof. Toen de piepjonge Amerikaanse socioloog en burgerrechtenactivist in de jaren zestig les gaf op University of California kregen studenten het advies van bovenaf, en van hun coaches, om zijn lessen over te slaan. Don’t take his class, ’cause he’ll mess with your head.

Achter de duisternis van zijn breed beglaasde zonnebril moeten Edwards’ ogen ongetwijfeld fonkelen in het Zoom-vakje. Een kamerbrede grijns verschijnt. De nervositeit die hij veroorzaakte was veelbetekenend. Als oprichter van het Olympic Project for Human Rights regisseerde Edwards mede het iconische protest in 1968. ‘Sportentiteiten hadden baat bij de status-quo, het dom houden van jonge zwarte atleten, hen doen denken hoe zij wílden dat ze dachten. Het onevenwicht in de machtsbalans was compleet. De wil van de coach was wet. Zei die: “Spring”, dan klonk het bij de speler: “Hoe hoog?” Zei hij: “Ren”, dan was de enige vraag die volgde: “Hoe ver?”’

Die dienstbaarheid – bijna onderdanigheid –, kenmerkend voor die periode, heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een ongezien zelfbewustzijn onder sporters. Vandaag zijn het weifelende coaches van profteams die bij Edwards aan de lijn hangen voor advies.

Doordat de zwarte sporter zijn eigen waarde herkent, reikt zijn invloed tot in de bestuurskamers. De eenzijdige dominantie van sportinstanties is geëvolueerd naar een partnerschap met de spelers. ‘Want hoe zet je als zwarte sporter druk om verandering te creëren, het establishment aan boord te krijgen? Wel, maak gewoon voor tachtig procent deel uit van de spelers in je competitie en er zal naar je geluisterd worden. Welke sportliefhebber komt immers naar het stadion voor een coach, manager, directeur of teameigenaar? Precies, niemand. Zonder atleten geen competitie. Dat besef is ook bij clubs en instanties ingedaald.’

Zelfbewuste kleedkamers maken dat maatschappelijke verzuchtingen voortaan niet meer kunnen worden weggewuifd. Negeren heeft geen zin meer, zegt Edwards. ‘Want uiteindelijk sluipen ze toch je kleedkamer binnen. Zonder begeleiding dreig je als coach, als bestuur van een witte organisatie, hulpeloos verloren te zijn. Het is in hun belang om te weten welke rol ze kunnen vervullen. Welke rol ze móeten vervullen.’

Het was bedoeld als een sussend gebaar na een turbulente zomer. Het collectief inhaken van de armen door de Kansas City Chiefs tijdens het openingsduel van het American-football-seizoen was een manier om de raciale spanningen in het land te ontzenuwen. Het moment van ‘eenheidsvorming’, zoals het van tevoren werd aangekondigd, werd met gejoel onthaald door het publiek. Dat een triviaal symbool van eenheid al weerstand opriep, was verwonderlijk. Ook het Engelse voetbalpubliek had een gelijkaardige reactie op het knielen van spelers en de eenvoudige en onschuldige boodschap dat zwarte levens ertoe doen.

Het chagrijn dat sporters met een mening opwekken blijft groot. Veel liefhebbers zien sport als een middel om de realiteit te ontvluchten, een plek voor louter vermaak. Sport en politiek? Dat hoort niet in hetzelfde rijk. Shut up and dribble, zoals een Fox News-presentatrice de uitgesproken basketballer LeBron James in 2018 beval.

Die doodzwijgende houding gaat voorbij aan de menselijke kant van sportfiguren. De schreeuw om begrip rond mentaal welzijn van tennisster Naomi Osaka in juni bracht pijnlijk in herinnering dat die ‘entertainers’ ook gewoon mensen zijn. ‘Before I am an athlete, I am a black woman’, zei Osaka na de protesten van vorige zomer. Die menselijkheid, dat aardse van onze sporthelden was voorheen – pre-sociale media – nooit echt zichtbaar.

Hoe verder van de basketballoopbaan van Michael Jordan verwijderd, hoe groter de mythologie rond zijn persoon. Bovenal tilde hij zijn eigen merk over de landsgrenzen heen: de mondiale atleet. Jordan introduceerde een nieuwe economische standaard in de sportwereld en effende het pad voor lucratieve sponsorcontracten en rijkdom die zwarte sporters voorheen nooit voor mogelijk hielden. En met die rijkdom kwam ook invloed.

Michael Jordan wilde niet zomaar een schoen naar hem vernoemd zien, zegt Edwards. ‘Hij wilde een schoenenimperium oprichten. Iemand als LeBron James vandaag wil niet zomaar in films spelen, zoals O.J. Simpson. Hij wil ze produceren, de bioscopen in handen hebben, en bepalen wie erin meespeelt. Die dynamiek waaide over naar andere sporten. Die zakelijke macht creëerde mogelijkheden waar ook zwarte sporters met minder gewicht van profiteerden.’

Volgens Edwards staan uitgesproken sporters als LeBron James, Serena Williams en Colin Kaepernick niet direct op de schouders van figuren als Ali, Carlos en Smith. ‘Maar op de schouders van Michael Jordan en zijn tijdgenoten. Gasten die bedrijfsmatig denken en commercie rond hun sport creëerden. En de daarbij horende status en invloed – én macht.’

‘Een chauvinistische patriot zegt: jij hebt een hekel aan dit land? Integendeel: zwarte mensen blijven van dit land houden, maar die liefde is niet wederzijds’

In dat verlangen om een aanspreekbaar, toegankelijk merk te worden, zat Jordan ongemakkelijke gesprekken uit. Nee, Jordan rende niet opzichtig weg van zijn zwartheid zoals American-football-ster O.J. Simpson – I’m not black, I’m O.J. –, die in zijn hoogtijdagen in de jaren zeventig de zwarte vriend van wit Amerika was. Maar zijn terughoudendheid om zich aan maatschappelijke en politieke vraagstukken te wagen, past in het beeld dat hij van zichzelf creëerde, dat van een apolitieke, ‘onomstreden’ sportster. Want ‘ook Republikeinen kopen sneakers’. Dat zorgvuldig geboetseerde beeld maakte van hem een veilig merk voor wit en conservatief Amerika.

Jordan gaf geen gehoor aan de verpletterende druk om zijn gewichtige stem als zwart icoon te gebruiken. Zelfs na het verschijnen van camerabeelden waarop motorrijder Rodney King in 1991 brutaal in elkaar werd geslagen door een Los Angeles-politieteam, bleven de lippen stijf op mekaar. ‘Hij koos commercie boven geweten’, zou basketballegende Kareem Abdul-Jabbar, zelf een uitgesproken antiracistische stem, zeggen. Golficoon Tiger Woods kreeg dezelfde kritiek.

Edwards is milder in zijn oordeel. Verschillende tijdperken vergen verschillende vormen van activisme. De struggle, zegt hij, is al complex genoeg. ‘En nee, niet alle sporters doen mee aan de recente golf van activisme, scharen zich met evenveel vuur en bezieling achter Black Lives Matter. Ieder kent zijn pad in het leveren van een bijdrage. En dat is oké. Nu plukken de atleten de vruchten van wat Jordan aan corporate power heeft neergezet. En dát is zijn bijdrage.’

B roze verhoudingen tussen zwarte atleten onderling over hoe de vrijheidsstrijd binnen de sport vorm moest krijgen zaten een ‘houdbare ideologie’ onder zwarte sporters, die Edwards in 1968 zo nastreefde, in de weg. De zwarte politieke beweging lag nadien zowat stil. Een klimaat dat zijn weerslag kende op de maatschappelijke aspiraties van sporters. Natuurlijk zagen zwarte sporters het onrecht en de achterstelling die de zwarte gemeenschap troffen. Maar de tijdgeest dicteerde dat sporters als Jordan, Simpson en Woods over elkaar heen vielen om het witte en kapitaalkrachtige doelpubliek zich comfortabel te laten voelen. Pas in 2014, na de Ferguson-protesten waar Michael Brown door de politie werd neergeschoten, kondigde zich een nieuw tijdperk aan: de sporter en zijn hervonden sociaal bewustzijn. Dé basketballer van zijn generatie, LeBron James, nam het voortouw. En de rest van de sportwereld volgde.

Het was hoog tijd om de rollen om te draaien. Basketballer D’Angelo Russell riep in januari bewust ongemak op tijdens een routineuze Zoom-sessie na een nba-wedstrijd. Een vraag over de dubbele standaard van het politieoptreden die de bestorming van het Capitool door Trump-aanhangers blootlegde, wierp hij koeltjes terug naar het overwegend witte journaille. Hún mening kreeg hij immers nóóit te horen. ‘Dit is de perfecte tijd om dit te doen. Ik zou graag júllie mening horen over de bestorming, en daar kunnen we vervolgens mee pingpongen.’

Ook een vraaggesprek enkele maanden eerder kreeg een wel heel onconventioneel karakter toen basketballer Marcus Smart een banale vraag over de teamdefensie beantwoordde met: ‘Justice for Breonna Taylor’. De naam van de jonge zwarte vrouw uit Louisville die in haar eigen huis gedood werd door zes politiekogels bleef hij – ongeacht de vraag die op hem werd afgevuurd – tot in het oneindige herhalen.

De voorbeelden duiden op het comfort waarmee sporters – nba-spelers geruggesteund door een progressieve bond in het bijzonder – hun platform aanwenden om onrecht aan te kaarten. Toen Jacob Blake vorig jaar door de politie werd neergeschoten brachten de spelers – met de moord op George Floyd vers in het geheugen – collectief de eindfase van hun seizoen abrupt tot stilstand. Andere sporten volgden hun voorbeeld. Ook honkbal, voetbal en het vrouwenbasketbal stelden duels uit. Zelfs het ijshockey, Amerika’s witste professionele sport, besloot wedstrijden uit te stellen. Over de grenzen heen werd geknield. En basketbalshirts kregen de voor sommigen ó zo beladen woorden ‘Black Lives Matter’ opgenaaid. Zelfs de National Football League ging schoorvoetend acties opzetten.

Achter de emancipatie van de zwarte sporter schuilt een fundamentelere dimensie. Voor veel Amerikanen is de zwarte atleet de belangrijkste, invloedrijkste en vooral meest zichtbare zwarte werknemer. De eerste om zich te wagen aan de American Dream. Sport als de deur die sneller opent dan andere. Het maakt zijn culturele en sociale impact groter dan ooit. De personificatie van dat overwicht is LeBron James.

Zijn gevoel voor geschiedenis en zijn eigen zwartheid omarmend, drukt James zijn stempel op het publieke gesprek rond sociale rechtvaardigheid. Als geen ander realiseert James zich dat sportfiguren een voorname positie hebben ingenomen in de populaire cultuur en de sociale en culturele leefomgeving van fans. Niet alleen omringt hij zich met een voornamelijk zwart management, ook de zwarte gemeenschap deelt in zijn succes. Van het mobiliseren van zwarte kiezers, het bestrijden van kiezersonderdrukking tot het openen van scholen om kansarme kinderen een uitweg te bieden. Zijn economische status en macht wendt hij aan voor zelfbeschikking, het gewicht van zijn woorden voor verandering. Zoals zijn tot slogan verzilverde motto klinkt, is hij: ‘More than an Athlete’. Op de basketbalvloer Jordans gelijke, ernaast zijn tegenpool.

Zulk zwart leiderschap is essentieel in deze strijd, zegt Edwards. ‘Zonder je eigen mensen om de tafel te brengen, blijft het bij roepen outside of the gate, tieren buiten aan de poort. Economische onafhankelijkheid vormt de basis voor verandering. Dat heet empowerment. Dat strategisch denken onderscheidt een meute van een beweging. Het is precies wat ik zwarte atleten wil zien doen met hun macht. Andere zwarte mensen in staat stellen, empoweren en eindeloze mogelijkheden bieden.’

Vandaag puilt de garage van John Carlos uit van de eretekens, awards, eredoctoraten, bustes en trofeeën. Maar de gewraakte vuist bracht ook onvoorstelbare schade. De sprinter Carlos werd gedurende decennia genegeerd, het gezin-Carlos jarenlang bedreigd. Carlos tuimelde van de ene gure baan in de andere, balancerend op de rand van armoede. Zijn vrouw pleegde uiteindelijk zelfmoord. Maar een andere prijs die atleet-activisten betalen is minder tastbaar, zegt Carlos. ‘Als atleten treden we op de voorgrond om aandacht te vragen voor het leed van álle mensen van kleur. In onze eigen kleine ruimte, onze eigen tijd, onze eigen beperkte emotionele draagwijdte, onze small space of time. In plaats van zélf als individu vooruit te komen, ons te ontwikkelen. Die verantwoordelijkheid némen, de uitputting waarmee het gepaard gaat, is óók een opoffering.’

Destijds was de nationalistische ondertoon in gezaghebbende berichtgeving richtinggevend voor de stemming in het publieke debat rond hun protest. De invloedrijke verslaggever Brent Musburger schilderde het ‘onedele’ duo Carlos-Smith af als een ‘paar zwarte stormtroopers’, verwijzend naar nazi-Duitsland. Ook voor The Los Angeles Times waren de geheven vuisten niets minder dan een ‘nazi-achtige groet’. En Time Magazine klaagde dat Smith en Carlos het Olympische motto van ‘Faster, Higher, Stronger’ hadden omgezet in ‘Angrier, Nastier, Uglier’.

Het vergde een ijzeren geduld, maar Carlos kreeg net als Smith eerherstel van het Olympisch Comité en tijdens de regering-Obama werd hij zelfs in het Witte Huis gehuldigd: het summum van het establishment.

Tja, zegt Carlos nu. ‘Een halve eeuw later. De weg naar rechtvaardigheid gaat nu eenmaal langzamer dan een slakkentempo.’

Een onderdeel van de strijd volgens Edwards, is inzien dat de oppositie waartegen je vecht grotendeels een oppositie zal blijven. ‘Of het nu de strijd voor arbeiders, vrouwen, homo’s of een groene wereld is. Nooit werd een protestbeweging die het establishment als doelwit nam prompt omarmd door de gevestigde orde. Dat is Hollywood stuff. Elk protest komt ongelegen, want de status-quo komt de meerderheid heel goed uit. Verwacht niet dat je omarmd zult worden over de barricades heen. Want niet voor niets staan ze aan de andere kant van de barricades.’

Decennia na Carlos staan uitgesproken zwarte sporters voor precies dezelfde hindernissen. Uit Republikeinse hoek buitelde men over elkaar heen om Kaepernicks protest te verfoeien. Van een gebrek aan dankbaarheid (zowat de hele partij) tot ‘sympathetic to ISIS’ (Steve King) tot ‘arrogante dwaas’ (Mike Huckabee). En mocht een speler het in zijn hoofd halen om nog te knielen, beval toenmalig president Trump in zijn kenmerkende Twitter-stijl de nfl ‘to get that son of a bitch off the field’.

Eigenlijk zijn diegenen die openlijk strijden voor gelijkwaardigheid de echte patriotten, vindt Edwards. ‘Wat zo’n protestactie in de eerste plaats vertoont, is pure vaderlandsliefde. Het volkslied is eigenlijk een logisch moment voor een protest. Dat luidt immers: the land of the free. Maar sommigen in dit land zijn vrijer dan anderen. Racisme is zo Amerikaans dat wanneer je het aanklaagt mensen denken dat je Amerika aanklaagt. Ons wordt geweld aangedaan, we zijn niet veilig in onze eigen lichamen. En het antwoord van een chauvinistische patriot is: jij hebt een hekel aan dit land? Wel integendeel: zwarte mensen blijven maar van dit land houden, maar die liefde is niet wederzijds.’

Op alle niveaus blijven sporters rolmodellen. Neutraliteit vervaagt steeds meer. Wie afstand doet van zijn macht om de maatschappij op een positieve manier te beïnvloeden, is al snel een negatief rolmodel. We willen immers van onze sporters horen. Wat als Wijnaldum zich niet had uitgesproken over het racisme bij FC Den Bosch eind 2019? Hoe ga je als voetballer om met de mensenrechtenkwesties volgend jaar in Qatar? En zo onverschrokken als de nba-spelers waren op Amerikaanse bodem in het opstaan voor zwarte levens, zo behoedzaam gaat het – om economische redenen – met kritiek op China’s bedenkelijke parcours rond mensenrechten.

Het moment in Mexico-City in 1968 was het orgelpunt van maandenlange politieke discussies onder zwarte leiders in Amerika. Het podiumprotest werd uiteindelijk een compromis voor een zo gehoopte Spelen-boycot die nooit doorgang vond. Een van die discussies vond begin 1968 plaats in een hotel in New York. Ook de gezaghebbende figuur Martin Luther King steunde het Olympic Project for Human Rights.

Toen Carlos – in zijn netste pak – voor het eerst Kings blik ving, werd hij met stomheid geslagen. ‘Johnnie Carlos in dezelfde ruimte als Martin Luther King?! Hier zat ik dan samen met al die verlichte, inspirerende denkers uit de burgerrechtenbeweging die mijn ouders en ik van televisie kenden.’

Martin Luther King was verwikkeld in een strijd voor betere arbeidsomstandigheden voor zwarte vuilnismannen in Memphis. Na een roerige protestmars door de stad, die uitliep op rellen en geweld door de politie, leek de staking – geïnitieerd vanuit de burgerrechtenbeweging – uitgewerkt. Maar King beloofde ondanks massale doodsverwensingen vanuit racistische hoek terug te komen. Waarom in godsnaam, wilde Carlos van hem weten. ‘En ik herinner me dat ik mijn dik beglaasde bril lichtjes van mijn neus duwde’, zegt Carlos. ‘Ik wilde hem direct in de ogen kijken. Want waar ik eigenlijk naar op zoek was, was enige vorm van angst. Zulke doodsbedreigingen, die horen je wankel te maken. Maar hij was rotsvast in zijn overtuiging. En al wat ik zag was bescheidenheid. En empathie en mededogen voor de mensheid.’

Kings nalatenschap zal blijven groeien met de tijd, zegt Carlos. ‘En zo zal het zijn voor Ali, voor Kaepernick en ja, ook voor mij. Want wat ik vijf decennia geleden deed was niet voor John Carlos in het bijzonder. Maar voor Malik en Kimmi Carlos en de diepe wens van een gelijk speelveld onder hun tijdgenoten. Dat is immers meer waard dan een banale medaille die met de tijd vervaagt.’