De economie van het leren

Van wie is de universiteit?

De regering wil dat universiteiten aankloppen bij het bedrijfsleven voor onderzoeksfinanciering. Maar de corporate university gaat ten koste van wetenschappelijke onafhankelijkheid en is slecht voor de economie.

Medium universiteit

‘Stakeholders’, ‘valorisatie-infrastructuur’, ‘de benutting van intellectueel eigendom verder professionaliseren’ – je verwacht dit soort termen bij een aandeelhoudersvergadering. Toch komen ze uit de Wetenschapsvisie 2025, een blauwdruk van het kabinet voor de toekomst van de wetenschap in Nederland. Deze beleidsplannen zijn een voorbeeld van een juiste diagnose, verkeerde behandeling, met risico van het overlijden van de patiënt.

In de Wetenschapsvisie wordt vastgesteld dat de internationale concurrentie in het wetenschappelijk onderzoek steeds steviger wordt, vooral vanuit landen in Azië, en dat de Nederlandse investeringen in wetenschap dreigen achter te blijven, ook ten opzichte van de ons omringende landen. Het antwoord hierop wordt samengevat in een enkel zinnetje, op pagina 10: ‘Het Rathenau Instituut stelt dat op termijn directe overheidsuitgaven voor research and development naar verwachting zullen afnemen.’

De voorspelling van denktank Rathenau is zo goed als zeker correct. Publieke uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling lopen al jaren terug. Sinds de kabinetten-Balkenende is wetenschap vooral een vervelende kostenpost. Rutte II zet deze trend door. Maar het rapport waarin de vooruitblik van het Rathenau Instituut is opgenomen, komt uit de koker van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, oftewel: de politicus die mag beslissen hoeveel er in wetenschap geïnvesteerd wordt.

Het is de werkelijkheid op z’n kop. Het Rathenau Instituut baseert zich op signalen van het huidige kabinet, dat besloot het streefcijfer van drie procent van het bruto binnenlands product voor onderzoek (een Europese afspraak) terug te schroeven naar 2,5 procent. Het is actief beleid om de totale overheidsinvesteringen in onderzoek verder te laten dalen van 0,78 procent van het bbp in 2012 tot 0,65 procent in 2018. In de Wetenschapsvisie 2025 had moeten staan: ‘Ik, Jet Bussemaker, minister van Onderwijs, zal de komende jaren flink bezuinigen op de wetenschap.’ Maar liever verschuilt de bewindsvrouw zich achter een adviesraad die een voorspelling doet over haar eigen beleid.

Deze gepretendeerde machteloosheid wordt gecombineerd met een flinke dosis maakbaarheidsdenken. Het kabinet wil regie voeren over waar een onderzoeker zich mee bezighoudt. Er moet een ‘nationale wetenschapsagenda’ komen met daarop grand challenges die als leidraad gelden voor de verdeling van de onderzoeksbudgetten. Die agenda wordt opgesteld door onder meer de Verenging van Universiteiten (vsnu) en de Koninklijke Academie van Wetenschappen (knaw), maar ook door belangengroepen als MKB Nederland en vno-ncw. Deze ‘kenniscoalitie’ wordt aangevuld met niet nader gedefinieerde ‘betrokken burgers’ die mogen meebeslissen over wat de universiteiten gaan doen.

Op het digitale forum van de knaw maken wetenschappers zich er flink boos over. ‘Wat kan, wat kansrijk is, en hoe dat moet worden aangepakt zijn zaken die alleen vakmensen kunnen beoordelen’, schrijft vooraanstaand kankeronderzoeker Piet Borst. Psycholinguïst Willem Levelt noemt het een ‘hardnekkige misvatting’ dat wetenschap van bovenaf gestuurd kan worden. Wetenschappelijk talent wordt vooral aangetrokken door vrije ruimte, meent hij en dus zal ‘behoud van Nederlands beste talent en het aantrekken van buitenlandse expertise hieronder lijden’.

Toch is niet iedereen zo somber. ‘In ieder geval gaat het weer over wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke vragen die ruimer zijn dan economisch belang’, zegt Huub Dijstelbloem, hoogleraar filosofie van wetenschap en politiek aan de UvA. ‘Hiervoor, met het topsectorenbeleid, draaide alles om nut en de hoeveelheid werk die onderzoekers afleverden.’

Dijstelbloem is initiatiefnemer van Science in Transition, een club kritische onderzoekers die het debat over haperende wetenschap op de kaart heeft gezet. En wat hem betreft moeten doorsnee burgers juist aan dit debat meedoen. ‘Het is opvallend hoe spastisch wetenschappers reageren als het woord “publiek” valt. Publiekswetenschap kan juist tegenwicht vormen voor al te grote private inmenging in de wetenschapsagenda.’

Ook Willem Schinkel, hoogleraar sociale theorie aan de Erasmus Universiteit en lid van de Jonge Akademie van de knaw, juicht het toe dat er publiekelijk over de koers van de wetenschap wordt gediscussieerd, maar hij vreest dat de uitkomst van dat debat al bij voorbaat vast staat. ‘Werkgevers worden gevraagd als onderdeel van die kenniscoalitie, maar waar zijn werknemersverenigingen of voor mijn part de consumentenorganisaties?’ zegt hij. ‘Over hoe het publiek bij de wetenschapsagenda wordt betrokken bestaat nog geen enkel concreet idee. Nog steeds wordt wetenschap vooral gezien als iets dat economisch rendement moet opleveren.’

‘Ik zie het somber in voor de kennis en het intellect die niet bijdragen aan kapitaalaccumulatie’

Er is, kortom, een strijd losgebarsten over de vraag: van wie is de universiteit? Die vraag is relevant omdat de universiteit als vrijplaats voor onafhankelijk en belangeloos onderzoek zwaar onder druk staat. Een onderzoek van De Onderzoeksredactie, gepubliceerd in De Groene Amsterdammer van 25 november, liet zien dat universiteiten in grote mate uitvoerder van andermans agenda zijn geworden. Eén op de vijf hoogleraren in Nederland bekleedt een leerstoel die betaald wordt door een partij buiten de universiteit, vaak een bedrijf. Via die gekochte hoogleraren drukken die hun stempel op de onderzoeksagenda. Daarbij onderhouden hoogleraren een netwerk van duizenden nevenfuncties waardoor hun positie als onafhankelijk onderzoeker diep verknoopt raakt met de (commerciële) belangen van hun andere opdrachtgevers.

Hiermee heeft Nederland een type universiteit zoals de Amerikaanse journalist Jennifer Washburn beschrijft in haar boek University Inc.: The Corporate Corruption of Higher Education: een Universiteit BV, gerund volgens het credo dat wie betaalt, mag bepalen wat er onderzocht wordt. Washburn schetst een ontwikkeling aan de Amerikaanse universiteiten die zich ook in Nederland heeft voorgedaan: het binnendringen van het bedrijfsleven in academia, vaak letterlijk in de vorm van onderzoekscentra die van het bedrijventerrein naar de universiteitscampus verhuizen.

Ook laat Washburn zien hoe bedrijven meebeslissen over de verdeling van onderzoeksbudgetten waardoor universiteiten zich nog meer voegen naar de commerciële prioriteiten van hun geldschieters. In Nederland is die verkleving zichtbaar bij nwo, het orgaan dat onderzoekssubsidies verdeelt. Daar zitten vertegenwoordigers van het bedrijfsleven in de commissies die onderzoeksvoorstellen op hun wetenschappelijke merites moeten beoordelen.

Wordt de corporate university nu een halt toegeroepen? De nieuwe kabinetsplannen suggereren het omgekeerde. Financiering voor onderzoek wordt in de toekomst sterker afhankelijk van samenwerking met het bedrijfsleven. Wetenschappelijke kennis heeft volgens Bussemaker pas zin als ze wordt ‘toegepast in concrete oplossingen of producten’. ‘Impliciet is dit een boodschap dat de geesteswetenschappen en veel sociale wetenschappen er niet toe doen’, vindt Schinkel. ‘Die passen niet zo makkelijk in de mal van toepasbaarheid. In de Wetenschapsvisie staat letterlijk dat onderzoek moet gaan over onderwerpen waarin Nederland zowel wetenschappelijk als economisch uitblinkt. Dan zie ik het somber in voor de kennis en het intellect die niet bijdragen aan kapitaalaccumulatie.’

Op dit punt gaapt er een diepe kloof tussen de behoeften van wetenschappers zelf en de eisen die de politiek aan ze stelt. In een onderzoek van het Rathenau Instituut naar de drijfveren van onderzoekers zegt slechts vijf procent van hen belang te hechten aan kennisbenutting en valorisatie. Een schamele twee procent wordt gedreven door de wens de concurrentiekracht van het bedrijfsleven te verbeteren. Nu zou je kunnen zeggen dat hier simpelweg een botsing plaatsvindt tussen twee culturen. Het ene kamp (het overgrote deel van de onderzoekers) wil brede universiteiten overeind houden die soeverein zijn wat betreft hun eigen onderzoek. Het andere kamp wil vooral een toegepaste academie die de oren laat hangen naar het bedrijfsleven. Onder het vvd-pvda-kabinet trekt dat kamp aan het langste eind. Je zou je daarbij neer kunnen leggen, ware het niet dat universiteiten die overgeleverd zijn aan de private sector tekortschieten als academische vrijplaats én als aanjager van innovatie.

De Wetenschapsvisie 2025 opent met de lof die Nederland krijgt toegezwaaid van de oeso, de denktank voor rijke landen, over succesvolle samenwerking tussen bedrijven en universiteiten en de sterke positie van de Nederlandse wetenschap wereldwijd. Maar wie de volledige OECD Review of Innovation Policy 2014 leest, komt vooral waarschuwingen tegen. Ja, Nederland staat er goed voor maar dat blijft alleen zo als er niet te veel wordt gesneden in de publieke uitgaven aan onderzoek. De topsectoren werken goed als het erom gaat de universitaire agenda af te stemmen op die van het bedrijfsleven, maar wanneer wordt geprobeerd fundamenteel onderzoek in dit keurslijf te proppen, kan het gauw gedaan zijn met Nederlands toppositie, aldus de oeso. Het kabinet is hier doof voor.

Ook de onderzoeken die aantonen dat innovatie en economische groei vooral dankzij publieke investeringen in onderzoek op gang komen, vallen buiten het smalle blikveld van de Wetenschapsvisie. In The Entrepeneurial State: Debunking Public vs. Private Sector Myths laat de econoom Marianna Mazzucato zien dat de meest innovatieve bedrijven ontstonden dankzij overheidsgeld. Apple leende zijn startkapitaal bij de Amerikaanse staat. Google’s algoritmen werden ontwikkeld met een beurs van de National Science Foundation. De reden waarom de VS zoveel beter scoren op innovatie-ranglijstjes is dat publieke investeringen in onderzoek in de pas lopen met private. De Nederlandse regering denkt voor een dubbeltje op de eerste rang te kunnen zitten: wel de universiteiten vragen bij bedrijven aan te kloppen, maar zelf vrekkig zijn. Het resultaat is dat Nederland een van de laagste niveaus van private investeringen in onderzoek heeft van Europa.

Het kan anders. In hun baanbrekende rapport over het verdienvermogen van Nederland Naar een lerende economie somt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het op: Duitsland trok in 2012 negentien miljard uit om onderwijs en onderzoek te versterken. Ierland verhoogde de onderzoeksbudgetten met dertien procent toen het in 2011 aan de rand van de economische afgrond stond. De Nederlandse regering schrijft liever beleidsrapporten en vormt praatclubs zoals de ‘kenniscoalitie’.

Het recente verleden stemt weinig hoopvol voor dit soort plannen. Het Innovatieplatform waarmee Balkenende II onderzoek probeerde te dirigeren met hulp van het bedrijfsleven ligt op het kerkhof voor mislukt beleid. De topsectoren, product van Rutte I, zijn hard op weg diezelfde kant op te gaan. Er wordt vooral veel gepraat over innovatie, maar bedrijven blijken slechts mondjesmaat bereid te zijn om daadwerkelijk de portemonnee te trekken. De nieuwe wetenschapsplannen gaan daar geen verandering in brengen. Je kunt de lijst met grand challenges nog zo lang maken, met universiteiten die overgeleverd zijn aan de grillen van private financiers heeft dat allemaal weinig zin.

In The Entrepeneurial State laat Mazzucato het zien: bedrijven willen vooral investeren in onderzoek dat winst oplevert op de korte termijn. Voor de lange adem is publiek geld nodig. Wie nog meer hard bewijs wil dat Nederland zichzelf in de voet schiet: Mazzucato’s onderzoek toont aan dat de landen die het hardst geraakt worden door de economische crisis de landen zijn die het minst uitgeven aan onderzoek en onderwijs.

Tot Den Haag is deze economische realiteit niet doorgedrongen. De Wetenschapsvisie jubelt over samenwerking tussen bedrijven en universiteiten en bezuinigt vrolijk door op de wetenschap. ‘Het zijn fraaie woorden’, zegt Huub Dijstelbloem, ‘maar er moet boter bij de vis. Het is onbegrijpelijk dat een land dat het van nieuwe inzichten en leervermogen moet hebben niet méér investeert in onderzoek.’