Van wie is je jeugd?

De gekte ligt altijd op de loer in het werk van Esther Gerritsen, zowel in haar romans als in haar columns. Het is het soort dagelijkse gekte waar iedereen wel aan lijdt: net even te lang doordenken over waarom je de dingen doet, en waarom je ook zoveel níet doet, en dan moet je niet denken aan het niet afreizen naar Thailand, maar eerder aan niet uit bed willen komen.

Het is het talent van de schrijfster dat zij hier een stem aan geeft, en er een gezicht bij bedenkt. En het is een mooie geste van de cpnb dat deze uitgesproken literaire schrijfster van tamelijk introvert werk zo’n groot podium wordt geboden. Met het verhaal dat ze nu schreef, Broer, doet ze geen knieval voor ‘het grote publiek’, maar maakt ze het de mensen wel iets makkelijker dan met haar romans waarin het groteske nooit ver weg is. Niet dat er iets mis is met grotesk, sterker nog, haar meest groteske roman, Superduif, uit 2010, waarin een meisje elke dag wakker wordt met een diepe weerzin tegen het leven en zich op zeker moment inbeeldt dat ze de mensheid kan redden, is haar beste roman tot nog toe.

Small esther gerritsen hh karoly effenberger

Het haperende levensgevoel dat in al het werk van Gerritsen zit, is ook kenmerkend voor Broer. In minder dan honderd bladzijden wordt het drama op poten gezet van de vrouw die dénkt dat ze een normaal, geslaagd leven leidt, met een goeie baan, een succesvolle man en twee redelijk functionerende zonen – voorzover ze niet functioneren heeft dat met hun leeftijd te maken en niet met hun moeder – maar van wie je je allengs kunt afvragen of zij niet degene is die mataglap is. Er zit ook een duidelijk keerpunt in de novelle – het moment dat je je als lezer begint af te vragen of het perspectief van waaruit je de dingen hebt beleefd wel helemaal klopt – maar dat dit keerpunt niet te herleiden is tot een bepaalde bladzijde, of een specifieke gebeurtenis, pleit voor de subtiliteit van het verhaal.

Wie koopt er nog een 24-delig servies – als het niet meer is – dat je niet in de afwasmachine kunt zetten?

Het verhaal is dat van Olivia, die een belangrijke positie inneemt in een familiebedrijf in serviezen. ‘Belangrijk’ en ‘serviezen’ botst al enigszins, want, zoals een personage op zeker moment in dit verhaal opmerkt: wie koopt er nog een 24-delig servies – als het niet meer is – dat je niet in de afwasmachine kunt zetten? Maar vooralsnog is het dus belangrijk werk dat Olivia verzet, met aandeelhouders incluis, en ze wordt uit die routine van belangrijkheid opgeschrikt door een telefoontje van haar oudere broer. Zijn been moet worden afgezet, als gevolg van een verwaarloosde suikerziekte. Olivia kan het zelf op geen enkele manier verklaren, zo close is ze niet met haar broer, maar het feit dat zijn been moet worden afgezet voelt van meet af aan alsof het haar eigen been is. De aanzegging zet haar leven op z’n kop, en een reeks van gebeurtenissen wordt in gang gezet, met als belangrijkste dat ze haar broer – die zelf nooit goed voor zichzelf lijkt te hebben kunnen zorgen, en in een caravan woont – in huis opneemt. Medelijden en ergernis strijden om voorrang. Wat aanvankelijk op grote weerstand stuit bij haar gezinsleden keert zich tegen haar. Niet alleen man en kinderen, maar ook haar werkgever raakt in de ban van de eenbenige broer. Wat dat nu precies is… Heeft Olivia haar broer nooit op waarde weten te schatten, of is zijzelf eigenlijk de probleemfiguur?

Broer is denk ik een oefening in beheersing, en dat ik dat denk pleit wel en niet voor deze laatste Gerritsen. In volkomen klare taal en huisbakken dialogen – ‘Jij doet altijd moeilijk.’ ‘Pardon?’ – ontspint zich een drama dat bijna te groot is voor woorden. Uiteindelijk gaat het erom wie zich aan de kant van de normaliteit bevindt. De scènes waarin het een en ander culmineert – Olivia zoekt een vluchtplek, en vindt die alleen in de kliniek die ze voor haar broer had gereserveerd – zijn mooi en slim, maar blijven ook een beetje theoretisch. Waar dat aan ligt weet ik eerlijk gezegd niet zo goed. Voor het eerst dacht ik bij het lezen van Esther Gerritsen aan Arnon Grunberg. De gewone taal, het burgerlijke leven, de maatschappelijk geslaagde protagonist die zich gek laat maken… Hoe ze haar Olivia weer richting kliniek drijft: ‘Nog een keer al haar kleren uit en onder die kraakheldere lakens kruipen, in dat overzichtelijke eenpersoonsbed stappen waar niemand iets van haar verwachtte.’ Ik weet niet meer precies welke Grunberg het is, maar misschien is het gewoon wel elke Grunberg, waarin de gezonde uiteindelijk de patiënt blijkt, en vice versa.

Wat deze Gerritsen echter boven Grunbergs werk doet uitstijgen, is haar oog voor familiebetrekkingen, wat iets oprecht intiems oplevert. De scènes waarin de broer anekdotes uit het familieleven gaat opdissen, en Olivia meer hoort dan voor haar oren bestemd is, zijn in hun pijnlijkheid buitengemeen goed getroffen. Kan iemand anders zomaar je jeugd herscheppen met zijn verhalen? Wie heeft het eigendomsrecht op je jeugd? Wezenlijke vragen, die Gerritsen op luttele bladzijden leven inblaast.


Beeld: Broer is een oefening in beheersing (Karoly Effenberger)