Poolse oorlogsheld is inzet van politieke strijd

Van wie is Witold Pilecki?

De Poolse geschiedenis kent een onbetwiste held, Witold Pilecki, de enige verzetsstrijder die zich vrijwillig in Auschwitz liet opsluiten. In een snel polariserend Polen wil iedereen hem de zijne noemen.

Medium 6c0f1947 c16d 448d ada0 068581c140ac jcr

Meer dan veertig jaar lang is hij officieel een imperialistische spion. In het onderwijs bestaat hij niet, tot de val van het communisme. Zijn nagedachtenis blijft alleen in leven in de zogenoemde ‘keukentafelgeschiedenis’: in de beslotenheid van het eigen huis vertellen anticommunistische ouders hun eigen verhalen over het vaderland.

De taboeïsering van de naam Witold Pilecki tijdens het communisme is geslaagd. Zo geslaagd dat het na de afschaffing van de censuur even duurt voor het spectaculaire verhaal van deze verzetsstrijder brede verspreiding vindt. Maar dan is er geen houden meer aan. Er komen documentaires, speelfilms, straten, monumenten, een door de huidige regering opgericht Pilecki Centrum voor Onderzoek naar Totalitarisme en, sinds kort: ruzie. Kaalgeschoren mannen van het Pools Radicaal Kamp, een extreem-rechtse organisatie, dragen tijdens hun marsen portretten van Pilecki met zich mee. De kleindochter van Pilecki is daar niet van gediend. ‘Grootvader verdeelde mensen niet op basis van hun wereldbeeld of religie. Hij sloot juist niemand uit.’

De ruzie gaat over de vraag wie haar grootvader op zijn schild mag voeren, niet over Pilecki’s heldendaden. Die zijn onbetwist en beginnen al in de oorlog van 1920 tegen de Sovjet-Unie. Pilecki is dan negentien jaar oud. De Polen hebben na 140 jaar weer een eigen land gekregen, op de tekentafel van Versailles, maar het Rode Leger dreigt ze op te slokken. Leon Trotski ziet een mogelijkheid de wereldrevolutie naar Duitsland te brengen, waar socialisten onrust stoken. Hij moet daarvoor alleen nog door katholiek en nationalistisch Polen, waar het internationalistische communisme op weinig enthousiasme kan rekenen. Als hij Warschau op twintig kilometer is genaderd, volgt de veldslag die de geschiedenis in gaat als ‘het wonder van de Vistula’. Pilecki onderscheidt zich in de buitenwijken van Warschau.

Na deze onverwachte overwinning strekt Polen zich uit tot ver in wat nu Oekraïne, Wit-Rusland en Litouwen is. Pilecki keert terug naar Wilno, het huidige Vilnius, tegenwoordig hoofdstad van Litouwen, toen een Poolse stad. Hij gaat in een typisch Pools landhuis wonen. Daar leeft de reservist als een landheer-boer, een populair bestaan onder Poolse patriotten van die dagen.

Tot augustus 1939. Na de inval van de Duitsers meldt Pilecki zich als cavalerist bij zijn eenheid. De gevechten zijn hevig, de blitzkrieg is vernietigend. Zestien dagen na de Duitse inval beslecht de Sovjet-Unie het Poolse lot door het land in de rug aan te vallen. Een deel van het Poolse leger ontkomt via Roemenië naar Frankrijk om tot het einde van de oorlog met de geallieerden mee te vechten (en onder meer Breda te bevrijden). Pilecki gaat naar Warschau, om daar een van de eerste verzetsgroepen op te richten die later opgaat in de Armia Krajowa, oftewel het ‘Thuisleger’, een groot verzetsleger dat loyaal is aan de Poolse regering in ballingschap.

Het gaat niet makkelijk. In de eerste maanden van de bezetting arresteren de Duitsers duizenden mannen die Pilecki bruikbaar acht voor de strijd. Hij wil weten wat er met hen gebeurt en ontdekt dat ze naar het zuidelijk gelegen plaatsje Oswiecim worden gebracht. Duitsers noemen het Auschwitz. Pilecki vraagt zich af of de geïnterneerden niet zijn te mobiliseren voor de strijd tegen de bezetter. Kan hij daar, in het kamp Auschwitz, een opstand organiseren? Of ten minste een verzetsorganisatie oprichten van gevangenen die van binnenuit kunnen helpen als het Thuisleger Auschwitz aanvalt?

Als drie van zijn commandanten kort achter elkaar zijn opgepakt, besluit hij dat het tijd is. Hij verkast naar een appartement in Zoliborz, ‘het vrolijke bosje’, een buurt van Warschau vol intellectuelen. Het Poolse verzet denkt dat de Duitse bezetter daar de volgende razzia’s houdt. Dat klopt. Op 19 september 1940 komt de conciërge hijgend het appartement binnenstormen: ‘Je kunt nog vluchten via de kelder!’ Maar Pilecki wacht rustig af: hij laat zich vrijwillig afvoeren naar Auschwitz om daar het verzet tegen de Duitsers te organiseren.

Eenmaal daar begrijpt hij direct dat zijn plannen voor het organiseren van een opstand voorlopig de prullenbak in kunnen. Auschwitz is in die eerste oorlogsmaanden bedoeld ter vernietiging van de Poolse intelligentsia en veelbelovende jonge Polen. Ondertussen moeten zij voor de uitbreiding van het kamp zorgen: ze bouwen nieuwe barakken, crematoria, fabrieksgebouwen, en uiteindelijk ook gaskamers. Hun rantsoen bestaat uit maximaal dertienhonderd calorieën. De nazitop schat dat ze het daarmee hoogstens zes weken uithouden. Sterfte op de werkvloer is ingecalculeerd, of beter: mooi meegenomen. Wie een kruiwagen laat omvallen krijgt direct de kogel. Sadistische SS’ers als Herbert Schultz gebruiken gevangenen als kleiduiven voor hun schietoefeningen.

Sadistische SS’ers als Herbert Schultz gebruiken gevangenen als klei­duiven voor hun schietoefeningen

Gevangene nummer 4859 moet vooreerst zien te overleven. In de 947 dagen dat hij in Auschwitz verblijft, ontsnapt hij tientallen keren op het nippertje aan de dood. Twee keer vrij miraculeus: hij doorstaat tyfus en een longontsteking. En hoe ongelooflijk ook, na enkele maanden lukt het om een verzetsorganisatie op te zetten. In het begin klein, met slechts één ‘cel’ van vijf gevangenen. Later komen er meer cellen. Alle leden kennen maar één lid uit een andere cel, om de gevolgen te minimaliseren van verraad of doorslaan bij martelingen. Hun eerste daden lijken bescheiden, maar hebben grote gevolgen. Om er eentje te noemen: de kampleiding heeft een aantal gevangenen meegenomen, meestal Duitse criminelen, die als zogenoemde kapo’s de gewone gevangenen in het gareel houden. Pilecki’s mannen weten de gewelddadigste onder hen kampovertredingen aan te smeren, zoals diefstal. Als straf verdwijnen ze in ‘de bunker’, worden overgeplaatst naar een ander kamp, of krijgen de strop. Onder deze machtige gevangenen, met nummers onder de honderd, zitten ook Polen met een knagend geweten. Met hen sluiten Pilecki’s mannen een verbond, waardoor ze baantjes kunnen bemachtigen waarin overleven mogelijk is. Pilecki belandt in de timmerwerkplaats.

Medium 573ee418c74a4 o

Nog spectaculairder is de wijze waarop de organisatie enkele SS’ers uitschakelt. Pilecki bedenkt het als hij geneest van tyfus. In de ziekenbarak verzamelt hij luizen die zich hebben volgezogen met het bloed van tyfuslijders. Hij stopt ze in een trommeltje. Met een strootje, uit een matras, blaast hij ze naar de meest sadistische SS’ers. De ziekte werkt razendsnel en is vaak meedogenloos. Een paar SS’ers overlijden. Andere SS’ers schrikken. Ze spreken over een ‘kampvloek’ en vermoeden kennelijk dat hun sadisme iets met de dodelijke ziekte te maken heeft, want de meesten gaan zich minder slecht gedragen. Het valt Pilecki sowieso op dat hoe meer mensen in Auschwitz op ‘industriële wijze’ aan hun einde komen, vaak duizenden op een dag, hoe minder bruut het kampregime wordt. De opdracht van boven is helder: Auschwitz moet worden gerund als een efficiënt, zo normaal mogelijk ogend kamp.

De observatie is te lezen in het honderd pagina’s tellende verslag dat Pilecki in de zomer van 1945 tikt op verzoek van de Poolse generaal Wladyslaw Anders. Die vraagt Pilecki ‘zich te beperken tot de feiten’. Hij heeft eerder kortere versies geschreven. Pas in 2012 verschijnt de langere Anders-versie in het Engels. Het is een fascinerende aanvulling op al bekende getuigenissen. Zo leest het als een fotonegatief van het beroemde verslag van Auschwitz-overlever Primo Levi, Is dit een mens. Terwijl de Italiaanse chemicus daarin beschrijft hoe snel het kamp iedere menselijke waardigheid verdrijft, bij gevangenen en bewakers, leest het verslag van Pilecki als dat van een militair: hij telt het aantal wachttorens, de hectares van het kampterrein, het aantal ideologische versus halfhartige SS’ers, hij ontdekt wapendepots, onderzoekt hoe Duitse uniformen zijn te bemachtigen, enzovoort. Veelzeggend detail: als Pilecki bij binnenkomst wordt gefotografeerd, bolt hij zijn wangen om dikker te lijken. De gedachte: dat bemoeilijkt herkenning na een eventuele ontsnapping.

Waar Levi schrijft dat overleven alleen mogelijk is als je rücksichtslos voor jezelf kiest, beweert Pilecki: ‘De enige manier om hier te overleven was door samen te werken. In vriendschap en werk.’

Slechts een paar keer in zijn verslag toont Pilecki wanhopige woede. Zo vraagt hij zich plotseling af hoe de mensheid zo diep heeft kunnen dalen. ‘Ik zou willen zeggen dat we als dieren zijn geworden, maar nee, we zitten in een diepere ring van de hel, we zijn veel erger dan dieren!’ Zelfmedelijden acht hij het begin van het einde. Het kamp heeft één voordeel: ‘Een mens werd er gezien en getaxeerd voor wat hij werkelijk was…’ Pretenties hebben geen zin.

Hoe Levi overleeft is een raadsel waar hij zelf de rest van zijn leven mee blijft worstelen. Pilecki schrijft tussen de regels door dat het gevaarlijke ‘spel’ dat hij en zijn ‘organisatie’ spelen met de vijand hem op de been houdt. Zo moet hij voortdurend de intenties en vermogens van medegevangenen inschatten; hij zoekt bruikbare bondgenoten en ontmaskert gevangenen die de Duitsers als mol hebben gestuurd.

Want dat doen ze. De kampleiding, die het bestaan van geheim georganiseerd verzet in het werkkamp vermoedt, haalt zelfs een Gestapo-officier uit Berlijn om er een einde aan te maken. De beulen van blok 11 martelen dat het aard heeft, maar Pilecki’s organisatie leeft voort, zij het met noodgedwongen personeelswisselingen. Het lukt zelfs kameraden ‘uit te schakelen’ die daar vanuit het gevangenisblok om vragen, bang als ze zijn om door te slaan tijdens martelingen.

‘De enige manier om hier te overleven was door samen te werken. In vriendschap en werk’

een belangrijke daad van Pilecki is dat hij al vanaf oktober 1940 notities uit het kamp laat smokkelen. Ze bereiken het Poolse verzet en, via hen, de geallieerden. Als hem in het voorjaar van 1942 duidelijk wordt dat het kamp is omgebouwd tot een ‘gigantische molen die mensen omzet in as’, bedoeld voor honderdduizenden joden uit heel Europa, schrijft hij dat op, goed onderbouwd, en geeft het mee aan enkele kameraden die ontsnappen. Met zijn bevindingen gaat de Poolse verzetsstrijder Jan Karski naar Engeland, om Churchill te spreken te krijgen, en daarna naar Washington, waar hij Roosevelt op 28 juli 1943 daadwerkelijk te spreken krijgt. In de Oval Office vertelt hij over de holocaust. De president toont zich weinig geïnteresseerd: hij vraagt Karski niet naar de joden. Wel naar de conditie van Poolse paarden.

Medium 852c644c edb6 46d3 bfd0 3678401b9ce0 jcr

Al geeft Pilecki notities mee aan gevangenen die proberen te ontsnappen, zelf is hij tegen vluchtpogingen. Voor iedere weggelopen Poolse politieke gevangene executeren de bewakers een veelvoud van gevangenen, en brengen ze de ouders naar Auschwitz. Pilecki vindt die prijs te hoog. Gek genoeg dragen zijn notities ertoe bij dat de Duitsers hiermee ophouden. Zijn beschrijvingen van het kamp mogen de geallieerde leiders er dan niet toe aanzetten de treinverbindingen naar Auschwitz te vernietigen, of op een andere manier de industriële massamoord op de joden te dwarsbomen, ze zorgen er wel voor dat de Duitsers stoppen met collectieve straf. De nazitop wil de schijn ophouden dat Auschwitz een gewoon interneringskamp is en wil voorkomen dat de geallieerden in reactie zelf represailles invoeren in hun krijgsgevangenkampen.

De beleidswijziging maakt voor Pilecki de weg vrij. En hij moet snel zijn, beseft hij ook, want aanwijzingen stapelen zich op dat de kampleiding op het punt staat hem te ontmaskeren. Bovendien lukt het hem waarschijnlijk niet nóg een keer aan deportatie naar een ander kamp te ontkomen. Dat doen de Duitsers met ‘ervaren’ Poolse politieke gevangenen, omdat ze geleerd hebben dat die beter functioneren als kapo’s dan Duitse criminelen.

In zijn verslag geeft Pilecki een bloedstollende beschrijving van zijn ontsnapping. Hier kort en droog: met hulp van verschillende kanten lukt het om een nacht in te vallen bij een bakkersploeg, zes gevangenen die zich onder bewaking van twee SS’ers ’s nachts naar een grote bakkerij buiten het kamp begeven. Daar moeten ze een grote brede deur open krijgen om de vrijheid in te rennen. Een handlanger heeft de benodigde sleutel laten namaken in de gieterij, op basis van een exemplaar gemaakt van brooddeeg. Eén SS’er doet een tukje, de andere staat op negen meter afstand met zijn rug naar de deur als Pilecki het er met twee handlangers op waagt. Maanden later hoort Pilecki dat er geen gevangene voor de ontsnapping is gestraft. Alleen de twee SS’er brengen tijd door in de strafbunker.

Pilecki wil nog niet naar Warschau, of naar zijn vrouw en kinderen, hij blijft in de buurt van Auschwitz in de hoop dat het Thuisleger eindelijk een aanval op het kamp lanceert, waartoe hij zijn superieuren blijft aansporen. Tevergeefs. Ze durven het niet aan: het verzet is met te weinig, de SS met te veel: Himmler zal tot in de zomer van 1944 een SS-garnizoen van 3250 man in Auschwitz houden. Pilecki meldt zich pas in Warschau als het opperbevel dat van hem eist. Hij gaat werken voor het opperbevel van het Thuisleger, dat inmiddels meer dan 250.000 leden telt. In de Poolse hoofdstad ontketent het op 1 augustus 1944 een grootschalige opstand tegen de Duitse bezetter. Het anticommunistische Thuisleger hoopt sterker te staan tegenover Stalin als niet het Rode Leger, maar zijzelf de stad hebben bevrijd. De sovjets staan al in de oostelijke buitenwijken van de stad, maar houden halt. Ook verbiedt Stalin het Westen om het Thuisleger te hulp te schieten. Hij wacht tot de opstand is neergeslagen.

‘Dus Polen hadden dagelijks een berg Poolse lijken moeten zien om zich met elkaar te verzoenen...’

Hitler op zijn beurt wil een voorbeeld stellen aan alle andere steden in bezet gebied: dit gebeurt er als je in opstand komt. Hij stuurt SS-brigades vol vrijgelaten Duitse criminelen op de stad af. Een bloedbad volgt. Ruim tweehonderdduizend burgers sterven. Ze worden geëxecuteerd, verbranden in hun woning, of granaten worden hun schuilkelders in gegooid. Nadat de opstandelingen zich begin oktober hebben overgegeven, gaan twee SS-divisies met dynamiet en vlammenwerpers de stad door, om die systematisch, blok voor blok, te vernietigen. Heinrich Himmler tegen zijn SS: ‘Geen steen mag rechtop blijven staan.’ Als de Russen in januari 1945 Warschau innemen, is de stad verlaten.

Pilecki onderscheidt zich door zijn moed en tact als commandant van een brigade die het tot de laatste dag uithoudt. Hij belandt deze keer in een Duits krijgsgevangenkamp in Beieren. De Amerikanen bevrijden het kamp op 25 april 1945. Een paar maanden later vraagt hij al aan generaal Anders of hij, nu in Italië, terug mag naar Polen. Hij wil zijn bijdrage leveren aan de strijd tegen de nieuwe bezetters, de sovjets, die anders dan de Duitsers handig en intelligent omgaan met Polen die bereid zijn zich in te zetten voor een nieuw communistisch Polen. Als landgenoten weten ze vrij eenvoudig te infiltreren in de groepen van het verzetsleger die Londen trouw blijven. Duizenden worden gevangen genomen, velen geëxecuteerd, altijd na gruwelijke martelingen. Stalin beschouwt alle officieren van het Thuisleger als potentiële dwarsliggers en opstandelingen, en dus wordt hun – hoe wrang ook – collaboratie met de Duitsers ten laste gelegd. Zelfs zij die zich vrijwillig melden, na de belofte van amnestie, gaan de gevangenis in of krijgen de doodstraf.

Medium 0004cd7o8aprn17v c122 f4

Pilecki wordt een jaar na terugkomst in Polen opgepakt. Hij is bekend genoeg voor een showproces. Zijn familie op de tribune ziet dat zijn vingers geen nagels meer hebben. Op 15 mei 1948 wordt hij veroordeeld voor spionage namens ‘buitenlandse imperialisten’, plus een trits andere vergrijpen. In de kelder van de Mokotow-gevangenis aan de Rakowiecka-straat krijgt hij tien dagen later een kogel door zijn hoofd geschoten, van achteren. Zijn directe familie is gebrandmerkt: hoe goed ze het ook doen op school, ze mogen de komende decennia geen posities van betekenis bekleden in de Volksrepubliek Polen.

Hoe kan het nu dat een man met zo’n spectaculair verleden geen grote internationale bekendheid geniet en zelfs in Polen bijna uit de herinnering van de natie verdween? Dat is deels aan de Duitsers te danken. Polen ligt een groot deel van de Tweede Wereldoorlog midden in het front. Hitler wil het hele concept van Polen vernietigen. Het offer dat het land brengt, is enorm: bijna twintig procent van de bevolking komt om het leven, op het slagveld, in het ziekbed, in een kamp, de gaskamer, gevangenis of voor een vuurpeloton. Onder de slachtoffers is de elite oververtegenwoordigd: intelligentsia, zakenmensen, legerofficieren; dezelfde sociale klasse waar de sovjets het na hun inval in 1939 op hebben gemunt. Sterker, in de eerste maanden van de oorlog hanteren de sovjets in het door hen bezette oostelijke deel van Polen eenvoudige criteria: iedereen met een bril of met verfijnde handen (geen arbeider) gaat op de trein naar het oosten, soms tot ver in Siberië. Dit overkomt zo’n 150.000 Polen. Dit zijn tegelijk de mensen die zorgen voor historische overlevering, via onderwijs, boeken, films, enzovoort.

Van de intellectuelen die overleven belandt bovendien een belangrijk deel in het communistische kamp. Mensen als Leszek Kolakowski, de filosoof, Czeslaw Milosz, dichter en Nobelprijswinnaar voor de literatuur, en een jonge Ryszard Kapuscinski, die later wereldroem vergaart met zijn literair-journalistieke reportages. Ze krijgen allemaal spijt, de een eerder dan de ander, maar in die eerste jaren na de oorlog verwachten ze van het communisme meer dan van het katholieke, marginaal democratische conservatisme uit het Polen van het interbellum.

Tel daarbij de Polen die niet teruggaan naar Polen. Zij blijven elkaar wel vertellen over verzetsstrijder Jan Karski, ook omdat Karski als hoogleraar in Washington DC over zichzelf kan blijven vertellen, maar het gesprek over Pilecki verstomt. Lange tijd veronderstellen de Poolse émigrés dat zijn uitgebreide Auschwitz-verslag verloren is gegaan, of door de communisten vernietigd na Pilecki’s executie. Pas ver na de val van het communisme wordt het teruggevonden in een archief in Londen, waar generaal Anders tot zijn dood heeft geleefd, zijn laatste jaren als conciërge, omdat de Britse regering Poolse veteranen geen pensioen uitkeert.

Nog iemand speelt een rol. De eerste naoorlogse, communistische premier van Polen, Jozef Cyrankiewicz, was zelf een Auschwitz-overlever (nummer 62993) en was lid geweest van Pilecki’s verzetsgroep in het kamp. Zijn ontsnappingspoging mislukte, toch overleefde hij, in Mauthausen. Pilecki vond het verdacht: hij vermoedde dat de socialist de Duitsers had geïnformeerd. In het showproces in 1947 getuigde Cyrankiewicz tegen Pilecki. Die was een ‘vijand van het volk’, de rechter moest zich verder ‘niet laten afleiden’ door wat de verdachte in Auschwitz had gedaan. Na de dood van Pilecki was Cyrankiewicz in de communistische propaganda het brein achter de Poolse verzetsgroep in Auschwitz.

Cyrankiewicz’ getuigenis is wrang, helemaal in het licht van Pilecki’s geslaagde pogingen om in het verzet uiteenlopende politieke gezindten op één lijn te krijgen. Zo rekruteert hij in Auschwitz nationalisten en socialisten voor zijn organisatie, iets wat in de semi-democratie Polen van voor de oorlog onmogelijk was. Zelf schrijft hij: ‘Dus Polen hadden dagelijks een berg Poolse lijken moeten zien om zich met elkaar te verzoenen…’ Desondanks is hij tevreden dat het in Auschwitz tenminste lukt: in dat opzicht heeft zijn kleindochter gelijk. Tegelijk biedt die verzoenende houding de neofascisten van het Pools Radicaal Kamp de gelegenheid om te wijzen op samenwerking van Pilecki met enkele van hun leden tijdens de oorlog. Die samenwerking was er; Pilecki sloot niemand uit in de strijd tegen de Duitsers, ook antisemitische nationalisten niet, al keurde hij antisemitisme zelf af.

De nationaal-katholieken van regeringspartij PiS begonnen tien jaar geleden al serieus werk te maken van de Pilecki-verering, met als merkwaardigste uitwas de re-enactment, twee maanden geleden, van Pilecki’s bruiloft in Ostrowia Mazowiecka, het geboortestadje van Pilecki’s vrouw Maria. Natuurlijk is een huwelijksvoltrekking eenvoudiger na te spelen dan heldendaden in een concentratiekamp, maar dat is niet de belangrijkste reden om deze gebeurtenis te kiezen. In aanwezigheid van de minister van Cultuur en enkele reactionaire kerkkopstukken onderstreept het spektakel het katholicisme van Pilecki. PiS heeft de kerk al aan haar zijde. Nu moet de wereld weten: Pilecki is hun soort mens. De door Pis ‘hervormde’ publieke omroep doet er helemaal aan mee. Alleen Pis-sympathisanten mogen vol bewondering over Pilecki-spreken.

En toch zijn zij het niet die Pilecki de Poolse voetbalstadions binnen brengen, met liederen, spandoeken, slogans en vuurwerk. Dat zijn de neofascisten van het Pools Radicaal Kamp, dezelfde jongeren die vorig jaar een als orthodoxe jood verklede pop verbrandden en die demonstreren tegen Syrische vluchtelingen. De kleindochter, Beata Pilecka-Rózycka, zit er maar mee. Het moet gezegd: zij zelf strijdt ook namens een kamp, dat van kod, het comité dat grootschalige demonstraties tegen de huidige regering organiseert. De kleindochter: ‘Ik vraag alle Poolse patriotten: maak kennis met het leven en de geschriften van Witold. Patriottisme en nationalisme zijn elkaars tegenpolen. Een patriot wil het goede voor zijn land. Een nationalist wil het land voor zichzelf.’

En iedereen wil Pilecki voor zichzelf. Terwijl die van niemand was. Hij was een held. Oftewel: een zeldzaamheid. Een eenling. De enige vrijwilliger in Auschwitz.


Beeld: (1) Witold Pilecki rond 1920 (Collectie Zofia and Andrzej Pilecki); (2) inwoners van het stadje Piotrków Trybunalski lopen met jongeren van het Pools Radicaal Kamp in een optocht ter ere van Witold Pilecki, oktober 2015; (3) de foto van Pilecki die bij aankomst in Auschwitz, september 1940, van hem werd gemaakt (Collectie Staatsmuseum Auschwitz-Birkenau); (4) Witold Pilecki en Maria Ostrowska trouwen, april 1931 (Collectie Zofia and Andrzej Pilecki)