Paramaribo op de dag van de staatsgreep. Omstanders kijken toe hoe het politiebureau uitbrandt, 25 februari 1980 © ANP

Vreugde over de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 sloeg al snel om in ongenoegen over de wanorde in het land en het leger. De republiek was nog niet eens toe aan het houten jubileum, toen sergeanten onder leiding van sergeant Desi Bouterse in de vroege ochtend van 25 februari 1980 de macht grepen. De marinebasis, het munitiedepot en de Memre Buku-kazerne werden overvallen; met een kanon schoten de coupplegers het monumentale politiebureau aan puin. De staatsgreep werd omgedoopt tot ‘ingreep’; voor sommigen was dat synoniem aan revolutie.

Aanvankelijk overheerste opgetogenheid. Veel burgers vertrouwden erop dat de nieuwbakken machthebbers orde op zaken zouden stellen. Want erger dan het was kon het nauwelijks worden en nieuwe bezems vegen schoon. Die euforie werd al snel verdrongen door scepsis en angst. De militaire machthebbers maakten eenmaal neergeploft op het pluche geen aanstalten om terug te keren naar de kazerne. Met de mensenrechten namen ze het niet zo nauw. Op 8 december 1982 werden in het Fort Zeelandia vijftien criticasters van het regime doodgeschoten. Die bloedige daad leidde tot een schisma tussen Surinamers onderling (aan beide zijden van de oceaan) en troebleerde de verhouding tussen Nederland en Suriname.

De Decembermoorden waren voor de Nederlandse journalisten Gerard van Westerloo en Elma Verhey destijds aanleiding om uit eerbetoon aan hun Surinaamse vriend en collega Jozef Slagveer voor Vrij Nederland te onderzoeken hoe ‘het’ zo ver had kunnen komen. Slagveer was een van de vijftien slachtoffers. Zij onthulden in december 1982 dat de Nederlandse kolonel Hans Valk de opstandige militairen in 1980 had aangemoedigd tot de machtsovername.

Kolonel Hans Valk was hoofd van de Nederlandse Militaire Missie Suriname die gedurende vijf jaar in het land gestationeerd was om te helpen bij de opbouw van de zo vurig gewenste Surinaamse krijgsmacht. Op een van de spaarzame foto’s die er van hem in omloop zijn, kijkt Valk de toeschouwer recht aan, pijp in de hand geklemd. Het is verleidelijk om hem na alle verhalen die de ronde doen een ironische blik toe te dichten. Uit de verhalen rijst een man op die een krachtterm of borrel niet schuwde en een kwajongensachtig gevoel voor humor paarde aan een volkomen gebrek aan diplomatie. Die eigenschappen maakten Valk – zonder twijfel een militair van statuur – zowel geliefd als omstreden.

Toen opstandige Surinaamse militairen bij hun eigen kolonel, Yngwe Elstak, geen gehoor vonden voor hun klachten over de chaos binnen de Surinaamse krijgsmacht klaagden ze hun nood bij Valk. Het was alom bekend dat Valk en Elstak, die in exuberantie nauwelijks onderdeed voor Valk, niet door één deur konden. Elstak sloeg Valks adviezen luchthartig in de wind. De rapportages van Valk over de hoog oplopende spanningen binnen het Surinaamse leger die Den Haag bereikten, leidden niet tot alertheid. Datzelfde gold voor Suriname.

Verhalen over een ophanden zijnde coup waren er evenwel in overvloed. Bouterse grossierde erin. In 2015 vertelde hij in een marathoninterview aan de publicist Sandew Hira dat de militairen met plannen voor een coup de policy hadden om in de kazerne rond te bazuinen: we gaan het land overnemen. Bouterse: ‘Het werd een soort kiek [grap]: ja, jullie gaan overnemen, zal wel, hoor.’ Hira: ‘O, dus zodanig dat niemand het geloofde.’ Bouterse: ‘Juist.’ Zeker kwamen dergelijke verhalen de Surinaamse premier Henck Arron ter ore, maar die meende dat het zo’n vaart niet zou lopen. Daarin was hij niet uniek. Ook Den Haag schrok pas wakker ná de coup.

Verstrekte kolonel Valk, zoals VrijNederland opperde, Bouterse het oude nood- en evacuatieplan ter beteugeling van oproer rond de onafhankelijkheidsviering van 1975? Er waren rellen en brandstichtingen aan de soevereiniteitsoverdracht vooraf gegaan; veel Surinamers zagen geen heil in een onafhankelijk Suriname. Vandaar het plan, dat later vooral bekend werd onder de mysterieuze naam Zwarte Tulp. Voorzien van enkele kleine wijzigingen diende het als ‘blauwdruk’ voor een staatsgreep, aldus Vrij Nederland. Valk ontkende ooit van dit plan te hebben gehoord, laat staan dat hij het ter hand had gesteld.

Explosiever was het – gelekte – geheime rapport van 7 september 1981 dat majoor Koen Koenders opstelde in opdracht van de Nederlandse Landmacht Inlichtingendienst (lamid), waaruit Van Westerloo en Verhey citeerden. Hun artikel van 30 juli 1983 met de alarmerende kop ‘Geheim rapport bevestigt: Nederlandse militairen brachten Bouterse aan de macht. De Defensietop verleende rugdekking aan de “strafrechtelijke vergrijpen” van een kolonel’, luidde min of meer de ‘affaire-Valk’ in. Valk was niet alleen de geestelijke vader van de ‘coup-Bouterse’, maar trachtte eerder al jonge officieren ertoe aan te zetten zich van legerleiding en regering te ontdoen. Toen die niet ingingen op zijn voorstel benaderde hij onderofficieren, onder wie Bouterse. Met succes! Aldus het artikel.

Dat klonk dermate ernstig dat de Nederlandse regering – die geen weet had gehad van dit rapport en de Kamer er niet over had ingelicht – onder druk van de Kamer een onderzoekscommissie instelde. De commissie onder leiding van rechter Bart Pronk pleitte kolonel Valk en andere missieleden in 1984 vrij van hulp bij de voorbereiding en uitvoering van de staatsgreep. Maar zij vond wel dat Valk door zijn uitlatingen al dan niet bedoeld de rebellerende militairen had gestijfd in hun opstandige optreden. (Zo sprak Valk in ferme taal over ‘SS-toestanden’ in het leger.) Dat de kolonel de militaire machthebbers na de coup adviseerde een formateur aan te wijzen, werd beschouwd als ongeoorloofde politieke inmenging en kwam hem op een ernstige schrobbering te staan.

Was kolonel Valk nu wel of niet geestelijk vader van de ‘coup-Bouterse’?

De Tweede Kamer vond de uitkomst van het onderzoek mager, stuurde aan op een vervolgonderzoek. ‘Nieuwe’ maar ook ‘oude’ getuigen werden gehoord, onder wie oud-skm-officier Michel van Rey, die door zijn contacten met de coupplegers als een waardevolle bron werd beschouwd.

Het onderzoek vond plaats in de periode na de Decembermoorden van 1982. Nederland had de banden met de machthebbers doorgesneden. Een van de belangrijkste pijlers van Suriname’s economie – de ontwikkelingshulp – was neergehaald. Het is niet onvoorstelbaar dat de coupplegers destijds geen gehoor gaven aan de oproep van de commissie om uitleg te verschaffen, wat uiteraard afbreuk deed aan de uitkomsten. De commissie-Pronk kwam in haar tweede onderzoek echter tot eenzelfde slotsom: Valk was niet betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de coup. Deze keer merkte de commissie op dat er aanwijzingen waren dat het coupplan afkomstig was van Surinaamse, op Zanderij gestationeerde officieren (onder wie de op 8 december vermoorde Surendre Rambocus). Volgens leden van de zogenaamde Zanderijgroep zouden Bouterse cum suis – Bouterse was commandant vaste kampstaf te Zanderij – er met hún plan vandoor zijn gegaan.

Desi Bouterse wees later in zijn functie van president bemoeienis van Valk met de staatsgreep van de hand. Bij ‘belangrijke gebeurtenissen’ dicht Nederland zichzelf graag een rol toe, klaagde de president in 2015 tegenover Hira, met een verwijzing naar zijn favoriete stokpaardje: de superioriteitswaan van de voormalige kolonisator. Hijzelf had het plan geschreven.

De Valk-these en de these van de coup van Surinaamse makelij hebben de beeldvorming rondom de coup van 1980 in belangrijke mate bepaald. Aanhangers van de Valk-these, die in de meerderheid zijn, stellen wel dat Bouterse van zijn levensdagen niet zou willen toegeven ‘hulp’ te hebben gehad van het koloniale Nederland. Zij volharden in de mening dat Valk medeverantwoordelijk was voor de omwenteling in Suriname. Die suggestie werd op19 maart 2009 nog eens geopperd in het tv-programma Andere tijden door niemand minder dan de vroegere ambassadeur in Suriname Max Vegelin van Claerbergen en majoor Koen Koenders van de Landmacht Inlichtingendienst: de opsteller van het geheime rapport van 7 september 1981, dat in de uitzending opnieuw ter sprake kwam.

In mei 2009 gunde de toenmalige minister van Defensie, Eimert van Middelkoop, Tweede-Kamerleden een confidentieel kijkje in dit rapport, dat in 1984 een van de bijlagen vormde bij het onderzoeksrapport van de commissie-Pronk. Kamerleden hadden het toen ook al ‘vertrouwelijk’ kunnen inzien. Delen eruit waren in het Kamerdebat van 21 maart 1984 besproken. Uit Van Middelkoops brief aan de Kamervoorzitter bleek dat dit document vanaf 20 maart 1984 ruim twintig jaar in de leeszaal had liggen verstoffen, vóórdat het volgens de normale procedure – documenten worden doorgaans na twintig jaar ‘afgevoerd’ naar een bewaarplaats – in het Nationaal Archief in Den Haag werd opgeborgen.

Toen via een publicatie in de Staatscourant in 2011 duidelijk werd dat staatsgeheime informatie uit het Tweede-Kamer-archief tot 2060 achter slot en grendel werd gesteld, voedde dat evenwel de veronderstelling dat Den Haag iets te verbergen had. Protest alom. De – vergeefse – roep om openbaarheid van de geheim verklaarde bijlagen bij het rapport van de commissie-Pronk klonk tot zeer recent. Begin februari stemde een Tweede-Kamermeerderheid vóór openbaarmaking van de documenten uit 1984 die mogelijk antwoord kunnen geven op de whodunit-vraag. Op dit moment is niet precies bekend wat dit betekent. Is een document uit het Tweede-Kamer-archief door de griffie eenmaal tot nadere datum staatsgeheim verklaard, dan is de Archiefwet onverbiddelijk.

Kolonel Hans Valk, maart 1980 © Cary Markerink

Toen ik in 2019 om inzage verzocht, ving ik bot. Zelfs kreeg ik geen antwoord op de vraag om welke (geheime) bijlagen van het rapport-Pronk het nu eigenlijk ging. Maar het liet zich gemakkelijk raden dat een van die documenten het rapport van 7 september 1981 betrof. Wachten tot de archieven in 2060 open zouden gaan was geen optie. Ik ging op onderzoek uit.

Ik trok naar de plaats waar het zich allemaal afgespeelde: Paramaribo. Ik bezocht de Memre Buku-kazerne, wandelde langs het kapotgeschoten politiebureau, aanschouwde in het Legermuseum het kanon dat de schoten erop afvuurde, liep langs de verwelkte bloemenkransen bij het Monument van de Revolutie, toog naar het inmiddels verlaten Fort Bomika, waarin de opstandige militairen met plannen voor een staatsgreep zich destijds verschanst hadden. Ik sprak in Suriname en weer terug in Nederland met ambtenaren van defensie, politici, Surinaamse militairen, ook uit de kringen van de coupplegers, Nederlandse militairen en andere direct betrokkenen.

Ook Bouterse hintte naar de Haagse kluis met geheime documenten

Als ik het plan Zwarte Tulp – dat ik in 2019 aantrof in zowel het Nationaal Archief als het Nederlands Instituut voor Militaire Historie in Den Haag – voorleg aan de militairen die Paramaribo destijds op hun duimpje kenden en andere deskundigen, groeit de twijfel of dit dienst had kunnen doen als blauwdruk. Het ging om een joint command waarbij militaire eenheden uit zowel Nederland als Curaçao betrokken waren. Bovendien voorzag het plan in samenwerking met de Surinaamse politie; de beschieting van het monumentale politiebureau stond daar haaks op. Zoals oud-skm-officier Jeff Wirht (lid van de Zanderijgroep) het samenvat: ‘Dit is een evacuatieplan in geval van calamiteiten.’

Iedere onderzoeker weet dat het een moeizame exercitie is: het jaren nadien bevragen van nog levende ooggetuigen. Het menselijk geheugen is nu eenmaal feilbaar. Hun herinneringen toetste ik aan de literatuur over dit onderwerp, aan inmiddels verbleekte krantenknipsels en soms vervaagde teksten in talloze archieven. Ook bestudeerde ik de lijvige rapporten van de commissie-Pronk. Ik kende de kritiek erop: ‘kabbelend’, ‘zwak en voor de hand liggend’ en ‘misplaatste duiding’. Ze zijn wat ze zijn: uiterst gedetailleerde, onopgesmukte samenvattingen van ruim 140 verklaringen van betrokkenen in zowel Suriname als Nederland, debriefings, nota’s, memo’s en geheime rapporten, waaronder (de) geheime die tot het oordeel ‘onschuldig’ leidden.

Betekende het feit dat de commissie destijds de betrokkenheid van kolonel Valk niet kon vaststellen dat zij haar werk niet goed had gedaan? Werden de uitkomsten daarom vaak genegeerd door media? En hoe zat het met die geheime documenten? Menige archiefvorser weet dat documenten vaak op verschillende plaatsen bewaard worden; mijn spitwerk in diverse Nederlandse bewaarplaatsen werd beloond. Middels de wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kreeg ik via het ministerie van Defensie inzage in het rapport van 7 september 1981, zij het dat namen en hele alinea’s waren weggelakt. Met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gunde het ministerie van Buitenlandse Zaken mij inzage in het rapport dat nu, na de overdracht aan het Nationaal Archief, ook een openbaarheidsbeperking kent. Ook vond ik het document terug in het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam in het ongeordende archief van Gerard van Westerloo.

Zo geheim was dit ‘geheime’ document dus eigenlijk niet. Vrij Nederland had immers inzage gehad, het rapport van de commissie-Pronk uit 1984 bevatte een uitgebreide samenvatting en in het Kamerdebat erover was het onderzoeksrapport uiteraard ook ter sprake gekomen. Bovendien hadden Tweede-Kamerleden het rapport jarenlang vertrouwelijk kunnen inzien.

Verschaften dit én ook andere geheim verklaarde rapporten die ik inzag klip-en-klare antwoorden? Helaas moet ik constateren dat zoveel jaar na dato een precieze reconstructie onhaalbaar is. Wat wél duidelijk wordt, is dat een aantal pijlers onder de Valk-these aan vervanging toe is. Dat Valk de Zwarte Tulp kende en zou hebben voorzien van annotaties zodat het dienst kon doen als ‘omgekeerd coupplan’ is twijfelachtig. Ook het rapport van 7 september 1981, een sleuteldocument in deze kwestie, dat vooral inzicht moest verschaffen in het voortijdig vertrek van de militaire missie uit Suriname in mei 1981 – toen Valk niet meer in Suriname vertoefde – biedt geen sluitend antwoord.

De alarmerende zin in Vrij Nederland, dat de plegers een uur na de geslaagde staatsgreep bij missielid Clements thuis hun ‘triomf’ vierden, was gebaseerd op dit geheime rapport. Het signaleerde dat kapitein Clements desgevraagd verteld had dat de ‘mensen’ een uur na de coup bij hem thuis kwamen en dat hij hen natuurlijk geadviseerd had, als vriend. Clements weersprak dit destijds met klem tegenover de onderzoekscommissie. Uit mijn reconstructie blijkt het een waarneming uit de tweede dan wel derde hand te zijn. Bouterse komt in het rapport van Koenders slechts één keer voor, maar niet in relatie tot de coup. Officieren die volgens het rapport door Valk benaderd zouden zijn om in opstand te komen, bevestigden (onder wie ex-officier Bottse) dan wel ontkenden dat. Oud-skm-officier Michel van Rey schreef destijds in zijn brief aan de commissie-Pronk ‘nimmer’ door Valk hiervoor benaderd te zijn.

Pikant is dat Valk in een eveneens geheim verklaard document in 1980 aan de toenmalige minister van Defensie berichtte dat hij de coup technisch een hoogstandje vond en gezien de omstandigheden de beste oplossing: hij vreesde voor anarchie. Die ontboezeming was even eerlijk als naïef. In zijn gesprek met de minister vroeg Valk zich hardop af wie de staatsgreep – militair – had begeleid. De kolonel vertelde bij terugkeer naar Suriname Michel van Rey, de nieuwe minister van Defensie, onder vier ogen te willen spreken: ‘Van Reij [Rey] kom eens hier.’

De suggestie was duidelijk. Een wilde gok? Van Rey vertelde mij dat hij kort voor de staatsgreep bezocht werd door een tweetal militairen, onder wie Bouterse, die hem hun plannen voorlegden. Van Rey: ‘Ik stel gewoon een paar vragen. Hoe zit dat? Wie doet dat? Wie is verantwoordelijk daarvoor, wie vaart die boot? Wie doet dat? Wie heeft er dan dienst?’ Van Rey wist dus tevoren dat ze iets van plan waren, hij wist ook de volgorde van de ingrepen? ‘Ja.’ Dus Van Rey was het brein achter de coup? ‘Nee, ik ben maar een simpele vragensteller.’ Hij vat het nog eens compact samen: ‘Ik ben niet betrokken geweest bij een staatsgreep, ik ben maar een simpele vragensteller. Valk heeft het plan aangereikt? Nee, daarvan is geen sprake.’ Meerdere Surinaamse militairen noemen zich overigens de eigenaar van het coupplan. Dat maakt een coup van Surinaamse makelij – de Suriname-these – minder onvoorstelbaar dan misschien gedacht. In feite moet het onderzoek in Suriname nog beginnen.

Een ander geheim dat op ontsluiering wacht, is de Haagse angstvalligheid om openheid van zaken te geven over documenten die grotendeels al aan de openbaarheid zijn prijsgegeven. In hoeverre was het predicaat ‘staatsgeheim’ eigenlijk van toepassing op de stukken uit het Tweede-Kamer-archief? Tijdens mijn archiefonderzoek stuitte ik op wat je welhaast een cirkelredenering zou kunnen noemen: de documenten zijn geheim, omdat ze geheim zijn.

Bij navraag blijkt dat Tweede-Kamerleden na de onlangs aangenomen motie de tot 2060 geheim verklaarde documenten wel vertrouwelijk kunnen inzien, maar er niet uit mogen citeren. Laat staan dat derden inzage kunnen krijgen. Vandaar dat de vraag nu voorligt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Maar dit ministerie gaat niet over de documenten uit het Tweede-Kamer-archief en kan alleen openheid verschaffen over de documenten uit het eigen archief, waaronder het sleuteldocument in deze kwestie, het rapport van Koenders. Na de overdracht aan het Nationaal Archief kent dat ook een openbaarheidsbeperking. Maar, anders dan bij het Tweede-Kamer-archief is het nog steeds mogelijk een beroep te doen op de Wob en in het uiterste geval staat een gang naar de rechter open.

Het mag duidelijk zijn dat de archiefwet op het punt van het Tweede-Kamer-archief wellicht om herziening vraagt. De dringende vraag die voorligt is: waarom kan de openbaarheidsbeperking veertig jaar (!) na dato niet worden opgeheven? Recent hintte ook Bouterse naar de Haagse kluis waarin zich geheime documenten zouden bevinden over de onverkwikkelijke rol die Nederland in Suriname speelde in de jaren tachtig. Openbaarmaking bevordert de waarheidsvinding én voorkomt voortwoekerende mythevorming.


Dit is een bewerkte voorpublicatie uit het boek Hans Valk: Over een Nederlandse kolonel en een coup in Suriname (1980), Walburgpers. Ellen de Vries is zelfstandig onderzoeker