Van zeevaarder tot bestsellerauteur

Historicus Maya Jasanoff maakt de Pools-Britse schrijver Joseph Conrad, van onder meer Heart of Darkness (de basis voor Apocalypse Now), relevant voor een nieuwe generatie lezers.

Tegen het einde van Apocalypse Now houdt Marlon Brando in de jungle van Cambodja een speech tegen Martin Sheen – Sheen speelt de Amerikaanse kapitein Willard die erop uit is gestuurd om de gedeserteerde kolonel Kurtz, Brando, uit te schakelen nu hij als lokale krijgsheer met zijn privé-leger dood en verderf zaait. ‘Horror and moral terror are your friends’, zegt Kurtz, ‘if they are not, they are truly to be feared’.

Small joseph conrad
Joseph Conrad, 1922 – over de moorddadigheid van het koloniale proces

Kurtz spreekt niet alleen van de Vietnamoorlog, of van zijn eigen gedrag als local, lethal godhead, hij spreekt van het imperialisme van de Verenigde Staten van Amerika.

Francis Ford Coppola’s beroemde film, een bewerking van Joseph Conrads roman Heart of Darkness (1899, in 1994 in het Nederlands vertaald door Bas Heijne als Hart der duisternis), verplaatste de plaats van handeling van Kongo in 1890 naar Vietnam in 1970, van de ene imperialistische hel naar de andere. Maar er vond nog een andere vertaalslag plaats. Waar het boek van Conrad nog ambivalent was over de aard van de gruwel die hij beschreef – was de gruwel het Afrikaanse land, de inheemse bevolking, of de gewelddadige ontmoeting tussen twee vreemde culturen? – is de verschrikking bij Coppola heel duidelijk: wat het Westen met de rest van de wereld doet, is onverdedigbaar.

Ik vond dit ook, toen ik de film voor het eerst zag. Maar Coppola’s interpretatie van Conrads boek is ergens nog steeds imperialistisch, als je er langer over nadenkt. Het is immers het Westen zelf dat Kurtz’s terreur in de jungle stopt: Willard vermoordt hem, en het goede overwint het kwade. Volgens Sheens voice-over ‘zat hij hier zelfs op te wachten’.

De Pools-Britse schrijver Joseph Conrad, in 1857 in Polen geboren als Józef Teodor Konrad Korzeniowski, is het onderwerp van een nieuw boek, The Dawn Watch van Maya Jasanoff, hoogleraar van de geschiedenis van het Britse Rijk aan Harvard. Jasanoffs interpretatie van Kurtz, Heart of Darkness en andere boeken van Conrad geeft een genuanceerder, gelaagder en dus geslaagder beeld van Conrads werk en zijn karakters, en zo van de schrijver zelf. Jasanoff maakt de schrijver zo, net als Coppola, weer relevant voor een nieuwe generatie lezers, burgers van een geglobaliseerde wereld. Ze beschouwt Conrad in dit boek, dat geen traditionele biografie is maar een historische bestudering van een schrijverschap, als een schrijver op het grensgebied tussen een gefragmenteerde en een geglobaliseerde wereld. Aan het begin van Conrads leven is de kaart van Afrika nog grotendeels leeg, tegen de tijd dat hij een volwassen man is en kapitein van een stoomboot die namens koning Leopold de Tweede de Kongorivier op vaart, is het Suezkanaal gegraven en het continent opgedeeld in Europese koloniën, waar voortdurend oorlogen woeden tegen de inheemse bevolking: horror and moral terror.

Voor Jasanoff is Conrad de eerste hoogliteraire verslaggever van de geboorte van de globalisering: de schrijver was van zijn zeventiende tot zijn 37ste zeeman op de Engelse koopvaardijvloot, publiceerde in 1895 zijn debuutroman en schreef daarna nog een reeks bijzonder autobiografisch getinte romans waarvan de bekendste Heart of Darkness, Lord Jim (1900) en Nostromo (1904) zijn, boeken die zich respectievelijk afspelen in Midden-Afrika, Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika. Jasanoff gebruikt Conrads verhalen als focal points om naar de beginnende globalisering te kijken, en terug te voeren naar de gevolgen van zo’n geglobaliseerde wereld, van vreemdelingenhaat (The Children of the Sea, 1897), terrorisme (The Secret Agent, 1907) en koloniale uitbuiting (Heart of Darkness), tot de overwinning van de ‘vrije handel’ (Lord Jim). Conrad aanschouwde deze ontwikkelingen als wereldreiziger van dichtbij.

Jasanoff put uit Conrads boeken als een historicus; ze beziet ze als contemporaine bronnen voor beschrijvingen van de opkomende kleine wereld. Ze beschouwt de boeken niet als een literatuurcriticus, dus inzoomend op stijl en verteltechniek, al doet ze dat soms wel, en met interessant gevolg, bijvoorbeeld over de relatie tussen tijd in Conrads ‘meanderende’ boeken en de tijd zoals die door zeemannen aan het eind van vorige eeuwwisseling werd beleefd. Maar het werkelijk belangwekkende van dit boek is dat ze Conrads primaire bronnen afzet tegen andere historische bronnen. Conrads bemanningen zijn bijna altijd volledig Brits, the real deal uit Liverpool, met die karakteristieke ‘Britse’ verhevenheid, maar van de bemanning van Engelse koopvaardijschepen was een derde tot de helft van buitenlandse komaf, toont Jasanoff aan.

Ook buiten de boeken versplintert ze de mythes: Conrad hield tijdens zijn leven altijd vol dat hij naar Afrika ging vanwege zijn kinderlijke fascinatie voor het onbekende continent. Jasanoff laat overtuigend zien dat het een mix van economische en romantische en praktische motieven was. De landloze Pool die Franstalig werd opgevoed, die via een andere Poolse emigré in Antwerpen voor de Belgische koning kon gaan varen, zijn kwaliteiten gewaarborgd door een Engels zeemansbrevet. Veel van Conrads werk is autobiografisch, namen van havenmeesters en schepen worden vaak letterlijk overgenomen, het is dus interessant om te zien wat hij wél fictionaliseert, en waarom. Om een moreel coherent zelfbeeld te behouden.

Een nationale identiteit is een constructie, een ritueel om het morele zwarte gat van het menselijk gedrag te bezweren

De historicus hanteert in haar boek grofweg een chronologische aanpak. Ze begint bij de jeugd van Conrad in het Russische Rijk, de schrijver erfde de sentimentaliteit van zijn patriottistische vader en de nuchterheid van zijn pragmatische moeder, en die twee krachten bleven in zijn leven verder om voorrang vechten. Conrad groeide op in Warschau, Noord-Rusland en Oekraïne (zijn familie werd door patriottische activiteiten van zijn vader verbannen), Lwów en Krakau, en werd op zijn zestiende zeeman in de haven van Marseille.

Na wat romantische tienerstrapatsen, een mislukte zelfmoordpoging als hoogtepunt, verhuist Conrad in 1878 naar Londen en verandert daar in een koele, haast stuurse zeeman die gewoon zijn geld wil verdienen. Als Conrad in 1890 vlak voor zijn reis naar Kongo-Vrijstaat (het decor van zijn Heart of Darkness) zijn oom in Polen bezoekt, beschrijft Jasanoff dat er niets is veranderd in de twintig jaar dat Conrad weg was: de szlachta-adel droomt nog steeds van een vrij Polen, maar doet niets. Zij vinden hem op zijn beurt een Engelse snob geworden.

Voor de Engelsen was Conrad natuurlijk geen Engelsman, hij sprak tot zijn 21ste geen woord Engels, en daarna met een sterk accent, en de bemanningen en scheepvaartbazen zagen hem in alle jaren dat hij zich omhoog werkte nooit voor vol aan. Maar net zoals de historische omstandigheden in Polen en Frankrijk Conrads leven beïnvloedden, deden ze dat ook in Engeland: de zeilvaart zakte in, werd vervangen door stoomvaart, en Conrad werd als arbeidsmigrant eerst naar Azië gedreven, waar tweederangs Europeanen het nog altijd beter deden dan eersterangs inheemsen, daarna naar Afrika.

Conrads reis in Afrika wordt voorafgegaan door een beschrijving van Leopolds onderneming in Kongo en net op het moment dat je denkt: wat heeft dit met Conrad te maken, blijkt de moord op een Europese kapitein door opstandige dorpelingen langs de Kongo de reden te zijn dat Conrad zijn baan kreeg; er was een plekje vrij gekomen. En dit, de moorddadigheid van het koloniale proces, wordt tot een slagader van Conrads werk.

Conrad bezocht Kongo in 1890, toen het land nog voornamelijk ivoor exporteerde en geen rubber: er bestond ten tijde van Conrads bezoek nog geen overheidsmonopolie op de rubberproductie, nog geen gedwongen arbeid voor de inheemse bevolking, die gruwelen kwamen een paar jaar later pas. Binnen een half jaar zou Conrad weer vertrekken en hij zou daarna nog tweemaal naar Australië varen. Het zouden zijn laatste professionele zeereizen worden. Conrad zou zich hierna fulltime wijden aan zijn fictie.

Los van de spanning tussen ‘fictie’ en ‘werkelijkheid’ is voor de Nederlandse lezer de spanning tussen Engeland en Nederland hier ook interessant. Waar Max Havelaar duidelijk de kant van de inheemse bevolking kiest, is Conrad moreel ambivalenter: veel van zijn vertellers zijn de zeemannen die met schepen met slaven aan boord en geweren in het ruim hun rondes maken, om ‘beschaving’ van het christendom en kapitalisme te bespoedigen. Maar Conrad beschrijft dit aan het begin van zijn carrière bijna altijd vanuit een Brits, imperialistisch perspectief, dus ook: wit is goed, donker en zwart zijn slecht. Dit geldt dan ook voor de Europeanen. De schurk in Lord Jim, merkt Jasanoff op, heet heel dickensiaans Brown. Zelfs de conclusie van Heart of Darkness‘The horror! The horror!’ – is zoals gezegd multi-interpretabel: de horror van de inheemse bevolking of van het Europese ‘beschavingsproces’? Dat maakt het proza van Conrad minder een pamflet dan dat van Multatuli en soms zelfs een affront: Chinua Achebe betoogde vrij overtuigend dat Conrads werk racistische tendensen en karikaturen bevat. Het toont ook aan dat Conrads werk dus net zo min verschoond was van politieke motieven als dat van Douwes Dekker: het ging om de verheerlijking van Britsheid. Zo komen we te weten wat we altijd al wisten: een nationale identiteit is voornamelijk een constructie, een illusie van vooruitgang en beschaving, een ritueel om het morele zwarte gat van het menselijk gedrag te bezweren.

In Nostromo, het verhaal van hebzucht in een denkbeeldige Zuid-Amerikaanse republiek, ging Conrad een stap verder: hij maakte de stap die Coppola ook maakte, de stap naar zelfreflectie, maar dan beter. Conrad veroordeelde de cultuur die hij had omarmd en hem ‘groot’ had gemaakt: de schijnheiligheid van de westerling die niet uit principes maar uit winstbejag de aarde over joeg en uitholde. Sleutelverhaal hiervoor was volgens Jasanoff An Outpost Of Progress, dat Conrad op zijn huwelijksreis (!) met de achttienjarige Jessie George schreef. Conrad beschrijft gevoed door zijn terugkerende depressies de ‘masquerading philantropy of empiricism’ als geen ander: het ‘legale’ plunderen van het continent Afrika, of, zoals in Nostromo, van een zilvermijn in het denkbeeldige Costaguana, een zilvermijn die symbool staat voor het Panamakanaal. Buitenlandse mogendheden, in dit geval de Verenigde Staten, doen zich voor als ‘emissaries of light’, maar zijn er vooral op uit om winst te maken en daartoe tot alles bereid. Wie zijn de wilden nu, vraagt Conrad zich af. Bij Coppola overwint het goede het kwade, al kun je je afvragen ten koste van wat. Bij de late Conrad wordt de vraag: hoe ziet dat ‘goede’ eruit?

Nostromo onderzoekt en veroordeelt de opkomst van het Amerikaanse imperialisme, een cultuur die in de loop van de vorige eeuw een groot deel van de wereld blijvend heeft beïnvloed. Een wereld waar de ‘geitenpaden’ van Conrads geglobaliseerde wereld in snelwegen zijn veranderd en veranderingen dus veel sneller gingen dan ooit tevoren – en dat gebeurde al tijdens Conrads leven: Ho Chi Minh werkte in de kombuis van een intercontinentaal Frans stoomschip, Mahatma Gandhi reisde van India naar Londen naar Zuid-Afrika en weer terug naar India, en Sun Yat-sen, de eerste president van China, groeide op in Guandong, Hawaï en Hongkong. Toen moest de Eerste Wereldoorlog nog beginnen.

Conrad was die noodlottige zomer van 1914 toevallig met zijn familie op vakantie in Polen en moest al zijn contacten en geld aanwenden om veilig weg te kunnen komen met zijn vrouw en twee jonge zoons. Dat ging, want Conrad was inmiddels een wereldberoemde auteur van bestsellers geworden: in de VS alleen al driehonderdduizend exemplaren in enkele jaren. Maar al die goed verkopende boeken konden niet in de schaduw van zijn eerdere meesterwerken staan. Dat wist hij zelf ook: Conrad schreef dat hij zou hebben genoten van het succes als hij ‘nog een Lord Jim of Nostromo in de bureaulade had liggen, of zelfs maar in mijn hoofd’.

Conrad noemde zichzelf ooit ‘maar een armzalig auteur’, niet geschikt voor een werkelijke worsteling met de wereld, maar The Dawn Watch maakt duidelijk dat schrijvers sleutelromans en sleutellevens kunnen schrijven en leiden, die kunnen helpen bij het ontsluiten van de vele lagen van geschiedenis waarop wij leven. Jasanoffs fantastische boek geeft een multidimensionale kaart daarvan, in het heden én verleden, met, Conrad indachtig, een sterke nadruk op de ontwikkeling van een individuele moraliteit.