‘van zilt door brak naar zoet’

De oplosbare vis is in oktober in de Rotterdamse Schouwburg te zien.
De oplosbare vis - misschien verklaart de onweerstaanbare titel waarom deze muziektheatervoorstelling in Antwerpen binnen een mum van tijd was uitverkocht. Of was het de hoge verwachting die de stichting Walpurgis wekt door maar een keer in de twee jaar (in het Holland Festival 1992 was hier Saterzang Antigone te zien) een produktie uit te brengen? Of is het de samenwerking met het theatergezelschap De Vereniging van Enthousiasten voor het Reele en het Universele die het publiek in groten getale trok?

Belangstellenden kregen een herkansing in het Gentse theater Vooruit, waar de voorstelling - op muziek van Peter Vermeersch en in een regie van Ryszard Turbiasz - afgelopen weekend werd herhaald. Dat De oplosbare vis een hoog absurdistisch gehalte heeft, mag, gezien de titel en betrokkenen, duidelijk zijn en wie dit stuk volkomen onvoorbereid over zich heen liet komen, zal er waarschijnlijk geen touw aan vast hebben kunnen knopen. Toch heeft De oplosbare vis wel degelijk een thema: de drang aan de omstandigheden te willen ontsnappen. Dit gegeven wordt via twee verhaallijnen uitgewerkt: een scheepsbemanning die gedurende een lange zeereis tot elkaar is veroordeeld (naar Voorvallen op de schoener Banbury van Witold Gombrowicz) en een handjevol vissen voor wie het leven in het water de neus uit komt (op gedichten van Josse de Pauw).
In een eenvoudig decor - op de voorgrond een miniatuurschip, op de achtergrond een reling, een tafel en wat stoelen - ontvouwt zich zo een reeks bizarre scenes, waarbij de tegenstelling tussen de heetgebakerde scheepslui (de acteurs Dirk van Dyck en Turbiasz zelf) en de poetisch aangelegde vissen (bariton Charles van Tassel en sopraan Judith Vindevogel) als leidraad dient. Het relaas van Vindevogel over de oester die bang is voor citroen en over de zalm die drie- tot vijfduizend kilometer (‘van zilt door brak naar zoet de brok in de keel’) zwemt om op zijn geboorteplaats kuit te schieten en te sterven, wordt ruw verstoord door een 'bullshit’ van de kapitein die, haast stikkend in zijn eigen woorden, een betoog over varkens begint en eindigt met een tirade tegen de zes musici. Bij dit no-nonsense type schieten de poetische zinswendingen van Josse de Pauw ('het eiert’, 'meer vis dan ooit’ of 'in water vermomd’) al helemaal in het verkeerde keelgat: 'Ik heb in mijn hele leven nog no'o'it geeierd’ - daarmee ook het stuk zelf op de hak nemend.
Muziek en toneel wisselen elkaar af. En gezegd moet worden dat de geacteerde sce`nes het afleggen tegen de muzikale gedeelten - nog afgezien van het feit dat het jammer is dat beide zo weinig geintegreerd zijn. Misschien mede door het slecht verstaanbare Frans van een van de acteurs en door de grote afstand tot het toneel in deze zaal, waardoor de mimiek van de spelers vervaagt, verworden deze scenes tot melige bralpartijen. De muziek daarentegen is ronduit mooi. Eenvoudig van karakter, maar zonder simplistisch te worden, heeft Peter Vermeersch de teksten van De Pauw getoonzet in ontroerende liederen: een introverte melancholie die wordt versterkt door de sobere begeleiding en de meegecomponeerde stilten. Dat vindt een pendant in het toneelbeeld als de fors uitgevallen Charles van Tassel en de tengere Judith Vindevogel naast elkaar staan - een knullig duo dat elkaar vindt in een gedeelde kwetsbaarheid.
De oplosbare vis laat de toeschouwer met een ambivalent gevoel achter. Sommige scenes zijn zinderend spannend, andere tenenkrommend vervelend. En dan hebben we het nog niet eens over allerlei absurditeiten. Wat te denken van de mansgrote spek die als lokaas aan een haak wordt getakeld en daar wat doelloos bungelt, totdat de kapitein er een stoel onder plaatst, daar zijn schoenen op zet en door het geheel om te trappen een zelfmoord suggereert?
Of is dat de enige ontsnappingsroute die ons rest? Ook Josse de Pauw staat hier met een mond vol tanden. 'Aarghtedjumenlip’, luidt zijn slotwoord.