Karl Ove ­Knausgard, Liefde

Van zoon tot vader

De tv-thrillers The Bridge, over Saga Norén die moordpartijen aan beide zijden van de brug Kopenhagen-Malmö moet ­oplossen, en The Killing, over inspecteur Sarah Lund, hebben beide een vrouw als hoofdpersoon. Alletwee contactgestoorde workaholics die geen enkele boodschap hebben aan zorgtaken, die niet koken, amper eten, en geen familieleven hebben. Sarah Lund heeft weliswaar een zoon, maar kijkt nauwelijks naar hem om. Een monomane interesse in het kwaad drijft haar. Kort gezegd: ze lijkt wel een man.

Karl Ove Knausgård, Liefde, 25,- e-book, 19,99

Medium scale.rb

In zijn romancyclus worstelt de Noor Karl Ove Knausgard (1968) juist met zijn mannelijkheid. Min Kamp bestaat in Noorwegen inmiddels uit zes delen, 3622 bladzijden. Als die titel u aan een heel ander boek doet denken, moet u dat maar meteen weer vergeten. In Nederlandse vertaling verschenen tot nu toe twee delen: Vader, waarin de schrijver en hoofdpersoon van de cyclus strijd voert met zijn overleden vader, en Liefde, waarin Knausgard zelf vader wordt en strijd moet leveren met zijn vrouw en kinderen.

Mijn strijd is het nauwgezette, niet chronologische verslag van zijn eigen leven. Het boek is geboren uit pure frustratie, zijn gefnuikte ambities en zijn eigen geremdheid. Bij Knausgard komt die voort uit de zelfgekozen gevangenis die het gezin heet. Dat gezin bestaat uit Linda, een mooie maar psychisch niet al te stabiele jonge Zweedse dichteres, op wie Knausgard hopeloos verliefd wordt, en hun drie kleine kinderen Vanja, Heidi en John. Die kinderen worden in dit tweede deel geboren, zo snel achter elkaar dat ze alledrie in de luiers lopen en in buggy’s moeten worden rondgereden.

Knausgard beschrijft zichzelf in dit fascinerend impertinente boek als een intellectuele, kritische, wat verlegen, teruggetrokken levende Noor met literaire ambities, een hang naar het verleden en een neiging tot melancholie, vooral over het Noorse plattelandsleven. Een van zijn dierbaarste herinneringen is aan Kerstavond 1986, waar tussen de schapenribjes, raapstamp en het kerstbier zijn zonderlinge oom Kjartan losgaat over ‘het zijn van de mens en het zichtbaar worden van het bestaan’. ‘De pakjes lagen onder de boom, iedereen had zijn mooiste kleren aan en het enige waarover werd gepraat, was Heidegger. Oma beefde, opa zat aan een bot te kluiven, mama luisterde aandachtig.’

De strijd van Karl Ove Knausgard levert hij in Liefde vooral met zijn vrouw Linda. Hij wenste geen intimiteit in zijn leven, maar krijgt er bakken met liefde voor terug. Linda wil wél dat hij minstens zo veel zorgtaken op zich neemt als zij. En vanaf dan moet hij iedere schrijfminuut bevechten op zijn gezin. ‘Zo kwam het dat ik heel modern en vrouwelijk door de straten van Stockholm liep met een razende negentiende-eeuwse man in mijn binnenste.’ Hoewel Liefde niet de vrouw aanwijst als degene die de Kunstenaar van het Meesterwerk afhoudt – een cliché waar we overheen gegroeid lijken – is er van vrije wil geen sprake. Als hij het zelf mocht zeggen, dan verdween hij namelijk naar zijn werktafel en liet hij zich niet meer zien. Maar de kinderen moeten eten, en Knausgard moet het ze geven. Zijn vaderschap is niet politiek correct, zeker niet volgens de Scandinavische normen, die nog veel strenger zijn dan hier: hij haat de zwangerschapsyoga, hij verveelt zich kapot op de kinderfeestjes, hij kan zijn eigen kinderen, van wie hij heus veel houdt, af en toe niet uitstaan.

Om juist die bij tijd en wijle claustrofobische en vreugdeloze situatie het hoofd te bieden, besloot Knausgard de knop radicaal om te zetten. In plaats van de ‘gebruikelijke’ boeken te schrijven, waarvoor hij eerst veel moest lezen, onderzoek doen, verzinnen en uitproberen, ging hij een nauwgezette reproductie schrijven van zijn eigen leven. De remmen gingen los. Dat betekent niet dat Knausgard zijn literaire wortels verloren is; hij beschrijft net zo goed zijn lezing van de grote Noorse schrijvers als álle details van een bevalling. Alles is immers van belang in het universum, en Knausgard vindt de zorgende, familiaire taken net zo beschrijvenswaard als de literaire, voorheen ‘hogere’ zaken. Ironie en kritisch denken leiden tot niets, moet hij erkennen. ‘Het leven kent geen theorie, alleen praktijk.’ Dus loopt hij ‘als volleerd huismoeder’ achter de kinderwagen en voelt zich een lul, of beter gezegd, ontmand. Maar door het te beschrijven, maakt hij er toch weer literatuur van. Hij blijft nu eenmaal de ‘beperkte, zwakke man die zijn leven in de wereld van de woorden leidde’, een ‘boekhouder van het geluk’, zoals zijn vriend Geir hem spottend noemt.

De kloof tussen man en vrouw lijkt terug, na decennia emancipatie, waar de Scandinavische landen het voortouw in namen. Alleen staan de mannen en vrouwen nu aan de tegenovergestelde zijde van de kloof. Met uitzicht op die kloof, en zich verwonderend over de plek waar hij beland is, schreef Knausgard met Liefde een liefdesverklaring, niet aan Linda, maar aan de Alltäglichkeit, aan de fenomenale gewoonheid van het leven.


Liefde van Knausgard is een van de titels op de longlist van de Europese Literatuurprijs 2013.


Karl Ove ­Knausgard
Liefde
Vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar, De Geus, 602 blz., € 19,99