essay: euthanasie en geweten

Vanavond heb ik een leven gered

Sabine Netters heeft als arts voldaan aan het verzoek van een patiënt om een definitief einde te maken aan zijn ondraaglijk lijden. Haar verhaal is het derde in een reeks over dilemma’s rond euthanasie.

Het is maandagavond zes uur en over een paar uur ga ik iemand doodmaken. Anderhalve week geleden hebben we dat zo afgesproken, meneer en ik.
Ik ben even naar huis geweest om wat te eten. De specialist staat al klaar, hij heeft zijn witte jas niet aan. We gaan nog één keer naar meneer en zijn familie, we praten wat. Bizar, over een uur is hij er niet meer. Ik spuit het infuus nog een keer door, het loopt goed. Godzijdank, want hij is moeilijk te prikken na alle chemokuren.

We lopen de kamer weer uit, de specialist doet zijn witte jas aan en maakt de medicatie klaar. Als in een film houdt hij de spuiten tegen het licht, kijkt mij aan en ik knik.

We zeggen niks. We praten sowieso zelden. Het contact tussen hem en mij, de meester en zijn gezel, blijft beperkt tot een overdracht van feiten: geslacht, leeftijd, hartslag, de bloedwaarden, de diagnose en het beleid. Het maakt hem niet anders dan de meeste mensen in het wit. Er wordt gesproken over grote onderzoeken, zij kennen alle conclusies. Ik leer ontzettend veel feiten van hen, maar wat ik echt weten wil, houden ze voor zich en ik durf er niet naar te vragen.

Het hoofd van de afdeling komt eraan, net als de verpleegkundige. Zij heeft zich vrijwillig gemeld. Geen verpleegkundige is verplicht om aanwezig te zijn bij een euthanasie. Er wordt overlegd wie dat wil. Geen enkele vorm van druk. Uiteraard is het iemand die veel bij meneer betrokken is geweest.

Ook mijn supervisor heeft mij niet onder druk gezet, integendeel. Hij heeft gevraagd of ik er bij wilde zijn, maar hij was niet de eerste die dat vroeg.

Vrijdagavond, ruim een week eerder, ik wil naar huis, maar ik loop nog even bij hem langs. Hij intrigeert me. Het is niet omdat hij jonger is dan de andere patiënten. Ook niet omdat hij ‘de gevreesde ziekte’ heeft. Iedereen op deze afdeling heeft kanker. Allemaal zijn ze zielig.

Maar hij is dat niet, wil ook niet zielig gevonden worden. En dat raakt me, hij heeft alles geaccepteerd. De kanker, de chemotherapie, de bijwerkingen en de uitzaaiingen. Hij is veel verder dan ik. Ik kan het niet hebben dat therapieën falen. Ik wil met mijn vuist op tafel slaan. Ben kwaad op het feit dat ik vaak gedwongen word om patiënten mijn lege handen te tonen: geen opties meer.

Ik ga op de rand van het bed zitten, boven op zijn been. Ik verontschuldig me, maar hij heeft geen idee waarom. Hij voelt het niet. Ik vraag hem zijn been te bewegen, lukt niet. Het andere been lukt ook niet. Ik vraag of hij voelt dat ik hem aanraak, begin bij de tenen, maar pas rondom de navel voelt hij iets.

Dan gaat alles in een sneltreinvaart, de neuroloog, de radiotherapeut, en de bestraling, maar niets helpt. Een dwarslaesie veroorzaakt door een uitzaaiing in een ruggenwervel. En daar ligt hij: verlamd vanaf de navel, niet in staat zijn ontlasting te reguleren, het hele skelet vol met kanker en voor de volle honderd procent helder van geest. Geen spoor van kwaadheid.

Maandagochtend loop ik visite, ik weet wat er komen gaat. Ik heb regelmatig met meneer gepraat en heb de indruk dat ik weet hoe hij in het leven staat. Een krachtige persoon, net als zijn vrouw en kinderen. Een gezin waarin veel gepraat wordt, over hem en zijn ziekte, over de kleinkinderen, maar ook over het weer en de nieuwe gordijnen van de buren.

Er is geen angst voor de dood, heeft hij me ooit eens verteld, wel is er de zorg om zijn vrouw die hij achter zal laten. Zijn kleinkinderen die hij niet zal zien opgroeien.

Hij is bang voor pijn, bang om zijn waardigheid te verliezen en bang om niet meer te kunnen communiceren. Hij heeft een euthanasieverklaring, jaren geleden al eens opgesteld, ik weet er van en ik weet dat vandaag de dag is dat hij hierover zal gaan beginnen.

Hij kijkt me aan en meldt dat hij even met me wil praten. Ik pak een stoel. Zijn vrouw pakt een briefje uit zijn kastje en geeft dat aan mij. Het is een euthanasieverklaring, in een mooi en sierlijk handschrift, van haar voor hem. Daarna komt de oude verklaring die getypt is, met zijn handtekening eronder. Of ik er alstublieft bij wil zijn. En of ik ook alstublieft met hem wil blijven praten, omdat hij het gevoel heeft dat ik hem zo goed begrijp. Zijn vrouw huilt, hij niet. Ik ben nog niet eens dertig en pas drie jaar arts.

De rest van de week wordt er veel gepraat, met hem, zijn vrouw, de kinderen. De casus wordt op het wekelijks afdelingsoverleg besproken, niemand twijfelt. De apotheek wordt ingelicht en de datum wordt vastgelegd: maandagavond, acht uur.

Mijn supervisor doet het officiële gedeelte, legt de procedure uit aan hem en zijn familie. Soms zit ik daar bij. Maar meestal praat ik met meneer alleen, vraag of hij niet al te veel pijn heeft, of hij wel goed kan slapen. Ik krijg die vraag terug, weet niet wat ik daarmee moet, zeg dat zijn brillenglazen een beetje smerig zijn en vraag of ik ze zal schoonmaken. Hij kijkt me aan en knikt. Ik neem de bril van zijn hoofd, pak een doekje en wrijf de glazen helder. Ik zet de bril weer terug en zeg dat hij de mooiste kamer van de afdeling heeft met uitzicht op de nieuwbouw. Nu zijn bril weer schoon is kan hij dat goed zien, glimlacht hij. Ik vraag of ik de deur achter me dicht zal doen. Laat maar open. Zijn vrouw komt zo.

Hij laat mij zien dat met het falen van de therapie de rol van de dokter niet ophoudt. Alleen de rol verandert, omdat het doel anders is geworden: langer leven wordt eerder dood.

Maar hoe doe je dat? Het antwoord staat niet in de leerboeken. De vraag is ook nooit ter sprake gekomen in al die uren van onderwijs. Ik ben hier niet op voorbereid.

Er lopen zoveel specialisten rond die veel meer weten dan ik. Soms slaan ze door in het etaleren van hun kennis, raken geïrriteerd als ik mijn aandacht verlies en het antwoord op hun vragen niet weet.

Dan denk ik aan vroeger toen ik nog een kind was. Tijdens de catechisatie dreun ik de geloofsbelijdenis foutloos op. De man in het zwart is tevreden. Vervolgens vraag ik: waarom gelooft u? Er volgt een ijzige stilte. Iedereen kijkt mij aan, maar ik krijg geen antwoord.

De zondag erop zit ik in de kerk en luister naar dezelfde man. Ellenlange bijbelpassages worden uit het hoofd voorgedragen, uitgespuwd over een gemeente die zwijgt. Ik verbeeld me dat zijn priemende vinger naar mij wijst als hij preekt over het rotsvaste vertrouwen dat wij dienen te hebben in de Heere en het geloof. Hij die wankelt zal vallen en voor eeuwig branden in de hel. Ik zal het nooit meer vragen.

De man in het wit lijkt op de man in het zwart. Dominees en dokters weten zoveel, geven altijd antwoord op een concrete vraag: welk euthanaticum wordt er gebruikt en wat staat er in Exodus 20:13? Maar de vraag waar ik het meest van kan leren, durf ik niet nog eens te stellen. Want ik zie nu dat ook op het voorhoofd van de man in het wit staat geschreven: beperk je vragen tot concrete dingen, vraag niet verder, vraag niet naar datgene waarop ik je geen antwoord kan geven: wat voelt u?

Ik loop vaak de lijst met zorgvuldigheidseisen langs, euthanasie is nog altijd strafbaar, tenzij er aan de zorgvuldigheidseisen wordt voldaan. Het zijn er zes. Is dat getal toeval? Zes geboden; het zesde gebod: gij zult niet doodslaan. Exodus 20:13.

Ook mijn supervisor loopt met mij de eisen langs: er is een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt, er is sprake van uitzichtloos en ondraaglijk lijden, de patiënt is goed voorgelicht over de situatie waarin hij zich bevindt, er is geen alternatief, er is een onafhankelijke arts geweest die het eens is met de vorige punten en het zal zorgvuldig worden uitgevoerd. Hij legt mij de werking van het euthanaticum uit.

Er zijn mensen die me een moordenaar zullen gaan vinden, ook in dit ziekenhuis en zeker daarbuiten. In een vlaag verwijt ik mezelf dat ik me van mijn calvinistische opvoeding heb losgemaakt. Wat zou het heerlijk zijn om nu te kunnen zeggen: helaas, maar ik ben in de Heere en kan geen euthanasie plegen, ik zal een collega deze ellende laten oplossen.

Ik herinner me een discussie in mijn studententijd met een medestudent die gereformeerd vrijgemaakt was. Abortus en euthanasie, beide onbespreekbaar, onder alle omstandigheden. Ik spiegelde haar de meest dramatische casussen voor, maar nee. De man in het zwart had het verboden en zelf denkt ze daar niet over na. Het is moord, punt uit.

Of die ene specialist die het plegen van euthanasie hetzelfde vindt als een pistool tegen iemands slaap zetten en de trekker overhalen. Ook hij weigert verder na te denken.

Ik verwijt deze collega’s niet dat ze christelijk zijn. Maar ik verwijt ze wel dat ze de moeilijke vragen die een casus als deze oproept ontlopen. Vragen die je confronteren met jezelf als arts maar ook als mens. Vragen waar geen antwoord op komt.

Ik lees over God die goed en genadig is, kan me niet voorstellen dat Hij mij dit handelen kwalijk neemt. Zij interpreteren de bijbel en Gods wil anders en dat is hun goed recht, maar dat ontslaat hen niet van de plicht om na te denken over euthanasie en een éigen mening te vormen.

Maar boven alles neem ik ze kwalijk dat ze dit handelen vergelijken met moorden en mij daarmee tot een moordenaar maken. Ze hebben geen flauw benul van wat ze zeggen. Deze weg hebben zij nog nooit afgelegd en ze zullen dat ook nooit doen. En daarvoor mogen ze hún God op hun blote knieën danken.

Ik twijfel geen moment aan de noodzaak van euthanasie bij hem. Ik ben niet bang opgepakt te worden door een officier van justitie omdat we niet zouden voldoen aan de zorgvuldigheidseisen. Ik weet dat dit de enige manier is waarop zijn lijden eindigen zal, maar toch zie ik enorm op tegen die maandagavond. En dat begrijp ik niet, net zo min als ik begrijp waarom dit alles me zo bezighoudt. Ik ben een groot voorstander van het recht op zelfbeschikking van de patiënt. Ik ben het eens met díe medisch-ethici die stellen dat een patiënt recht heeft op euthanasie, zeker in dit geval. Maar toch: hebben zij stilgestaan bij de dokter en de verpleegkundige die het proces moeten leiden? Heeft dat deel van de maatschappij dat euthanasie tegenwoordig doodnormaal vindt, het soms zelfs eist, enig benul van de invloed die het heeft op de zorgverleners? Begrijpen zij dat deze impact een veel grotere rol speelt dan eventuele juridische consequenties? Zien zij dat ook artsen en verpleegkundigen moeite hebben om iemand het leven te benemen? Dat wij ook maar normale mensen zijn?

De afgelopen twee weken heeft deze casus me veel beziggehouden. Het heeft godzijdank niet de overhand genomen, thuis noch op mijn werk. Ik heb de kwalen van de andere patiënten, hoewel in schril contrast, net zo serieus genomen als anders, ik heb er geen minuut minder om geslapen, maar toch. Ik zou willen dat het voorbij was en dat het heel lang duurt voordat dit mij weer gevraagd wordt. Dit is geen normale medische handeling, ik heb dit nog nooit gedaan en ik heb geen flauw idee hoe ik zal reageren. En dat maakt mij bang. Ik hoop dat hij de nacht ervoor overlijdt op natuurlijke wijze. Dat gebeurt niet.

Wij staan rechts van hem, mijn supervisor, ik, de verpleegkundige. Links zit zijn vrouw op een klapstoel van doorzichtig plastic. Haar hand ligt op zijn arm. De kinderen staan naast haar. De bril ligt op het nachtkastje, de spuiten in de vensterbank. Hij bedankt ons. Mijn supervisor spuit, meneer verliest zijn bewustzijn. Ik geef mijn supervisor de andere spuit, zijn hand trilt, het ademen stopt en meneer is dood. Zijn vrouw kijkt mij aan, ik knik. De kinderen vallen elkaar in de armen, haar hoofd zakt op zijn schouder. Wij lopen weg en doen de deur dicht. Het hoofd van de afdeling heeft koffie gezet. Wij drinken samen koffie, mijn supervisor zegt niets, drinkt zijn kopje half leeg en gaat weg, de papieren invullen. Ik zeg ook niet veel. De verpleegkundige begint te huilen. Het hoofd van de afdeling vraagt mij hoe het gaat. Het gaat goed met me.

Het is maandagavond negen uur, ik ben net medeplichtig geweest aan een moord, tenzij… maar ik zie het zelf absoluut niet zo. Het is prachtig gegaan. Ik fiets naar huis.

Sommige mensen zullen vinden dat ik te lang stil heb gestaan bij wat ik zelf voel, terwijl de wil van de patiënt mijn enige leidraad had moeten zijn. Weer anderen zullen mij een moordenaar vinden. Het interesseert mij niet veel meer. Als arts zal ik er alles aan doen om een leven te redden en vanavond is me dat gelukt door iemand een waardige dood te geven.

Sabine Netters is internist in opleiding