Essay De vrije wil

Vandaag rechtsaf

Het is een trend onder hersenonderzoekers om de vrije wil af te doen als een mythe. De mens zou uitsluitend varen op automatische processen. Als dat zo is, hoe kan het dan dat we ons voortdurend weten aan te passen aan nieuwe omstandigheden?

Ons alledaagse denken wordt beheerst door vragen over wat we wel of niet willen. Ga ik opstaan of wil ik nog even blijven liggen? Eerst ontbijten of stap ik liever direct in de auto? En wat doe ik straks met die klant? Laat ik hem schieten of is hij belangrijk genoeg om achteraan te gaan? We zijn niet alleen bezig met wat we zelf willen, maar schatten ook in wat anderen willen. Soms gaat dat fout. ‘Wilt u melk in uw koffie?’ ‘Nee, ik wil helemaal geen koffie, ik wil thee. En daar wil ik geen melk in, als u dat soms wilde vragen.’ Alle wensen die we hebben impliceren een zekere vrijheid. Je kunt een gast niet vragen of hij iets wil eten als je niets in huis hebt. En als je zegt dat je je cello wilt verkopen, dan weet je dat iedereen verwacht dat je een cello hebt, en dat de mogelijkheid bestaat deze aan te schaffen. Keuzevrijheid is een wezenlijk element van communicatie. We communiceren om dingen voor elkaar te krijgen. Daarom wordt een ogenschijnlijk neutrale opmerking vaak als een wens opgevat. ‘Het is koud hier’, zegt je gast. ‘O, zal ik de verwarming wat hoger zetten?’ vraag je dan. ‘Wanneer gaat je trein?’ vraagt de gastheer. ‘Wil je me weg hebben?’ geeft de gast terug.

Het mag daarom verbazing wekken dat het idee dat mensen vrij zijn, dat ze uit verschillende mogelijkheden kunnen kiezen, vanuit de wetenschap zo heftig is bekritiseerd. Een landelijk dagblad vatte de situatie in onderzoeksland samen onder de kop ‘Willoos won’. En inderdaad zien vele onderzoekers de vrije wil als een mythe. Dat is bijvoorbeeld het standpunt van Daniel Wegner en Michael Gazzaniga. In Nederland hebben Victor Lamme, Dick Swaab en – minder uitgesproken – Ap Dijksterhuis deze opvatting met kracht verdedigd.

Begrijpelijkerwijs heeft deze revolutie binnen de wetenschap tot heftige reacties geleid bij het geïnteresseerde publiek. In Nederland deed klinisch psycholoog Jan Derksen in de krant de oproep ‘Red de psychologie uit de klauwen van de hersenonderzoekers’. De Amerikaanse schrijver Tom Wolfe nam de hele westerse cultuur tegen de hersenwetenschap in bescherming in een essay getiteld Jammer, maar je ziel is zojuist over­leden. In dit essay beschrijft hij hoe, aan het einde van de negentiende eeuw, Nietzsche vaststelde dat God dood was: het geloof in God had in de cultuur van het Westen zijn betekenis verloren. Hoewel zelf ongelovig voorzag Nietzsche voor de komende eeuwen verwoestende oorlogen, omdat er geen God meer was om de mensen hun schuld te vergeven.

Nu dreigt de hersenwetenschap ons van een tweede, eeuwenlang gekoesterde overtuiging te beroven: het geloof in de vrije wil. En ook nu dringt zich de vraag op in hoeverre wij nog verantwoordelijk zijn voor onze eigen daden: ‘Mij valt niets te verwijten’, kan een toekomstige wetsovertreder naar voren brengen, ‘mijn bedrading ligt verkeerd.’

Artistieke overdrijving, zeker. Maar misschien zit er toch een kern van waarheid in. De Amerikaanse gedragsonderzoeker Roy Baumeister is ongevoelig voor de heersende opvatting dat alleen slechte wetenschappers de vrije wil nog verdedigen. Het geloof in de vrije wil is, zegt hij, diep in onze westerse cultuur verankerd. In nagenoeg elke religieuze stroming wordt ervan uitgegaan dat de mens vrij kan kiezen tussen deugdzaam en zondig handelen, dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor die keuze en navenant beloning of straf kan ontvangen, hier of in het hiernamaals. Ook ons rechtssysteem gaat van vrije keuze uit; geweldsdelicten gepleegd ‘met voorbedachten rade’ worden zwaarder bestraft dan delicten waarbij in een impuls werd gehandeld, en waar de vrije keuze dus geen belangrijke rol speelde. En dit geloof heeft een functie: het geeft ons een reden om ons sociaal te gedragen.

Er zijn duidelijke aanwijzingen dat dit inderdaad het geval is. Zo is aangetoond dat het lezen van een tekst van een bekend hersenonderzoeker, waarin met de vrije wil de vloer wordt aangeveegd, proefpersonen stimuleerde tot spieken tijdens een tentamen of het achteroverdrukken van geld. Ook schreven ze zich minder vaak in voor een vrijwilligers­project. Mensen die – tijdelijk – niet meer in de vrije wil geloven, gedragen zich asocialer.

Ook de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett zet zich af tegen de spraakmakende groep onderzoekers voor wie de vrije wil een illusie is. Dennett gelooft wel in de vrije wil. Ook is hij van mening dat de vrije wil verenigbaar is met een wetenschappelijke benadering, waarin elke gebeurtenis een oorzaak moet hebben. Maar, zegt hij, vrijheid is relatief. De vrijheid van de vogel om te vliegen waar hij wil is groter dan die van de kwal om te drijven waar hij wil. Zowel vogels als mensen kunnen zingen, maar door hun specifieke taalvermogen is de vrijheid van de mens in dit opzicht onvergelijkbaar veel groter. De evolutie heeft niet alle schepselen met evenveel vrijheid begiftigd. Het ontkennen van de vrije wil impliceert een ontkenning van deze verschillen. Menselijke vrijheid definieert Dennett als ‘het vermogen om te bereiken wat van waarde is in een reeks verschillende omstandigheden’. Deze definitie past bij zijn opvatting dat vrijheid relatief en niet absoluut is.

Swaab daarentegen hanteert een absolute definitie waarin vrijheid de afwezigheid van ‘interne of externe beperkingen’ betekent. Als het zo eenvoudig was, waren we snel uitgesproken. Mensen kunnen niet vliegen of heel lang onder water blijven, om maar eens twee beperkingen te noemen. Vrijheid moet juist in verband gezien worden met de beperkingen van het organisme: hoeveel keuzevrijheid bestaat er, gegeven die beperkingen? Een mens kan niet vliegen, maar kan hij wel plaatsen bereiken die voor hem belangrijk zijn? De hersenen besturen ons, zeker, maar hoeveel vrijheid laten ze ons als bezitter van dit prachtige orgaan? Moeten we ze vergelijken met een neurotische leraar die precies wil bepalen wat zijn pupillen tijdens de jaarlijkse excursie naar Parijs of Rome doen, of gedragen ze zich meer als een gemakzuchtige reisleider die zijn cliënten na het verplichte museumbezoek vertelt dat ze de hele middag vrij hebben?

We vertellen anderen voortdurend wat wij willen en vragen ons af wat zij willen. Willen impliceert keuzevrijheid en wenselijkheid. Zonder die twee elementen heeft het woord geen betekenis. Woorden zonder betekenis kunnen in een gesprek simpelweg niet gebruikt worden, en al helemaal niet zonder dat er ernstige communicatieproblemen ontstaan. Natuurlijk zijn er ook vaak communicatieproblemen rond het begrip ‘willen’, maar die hebben meestal te maken met een onduidelijkheid over wat nu in een bepaalde situatie ‘gewenst’ is. Iemand die altijd maar klaarstaat om een ander te hulp te schieten, zonder zichzelf iets te gunnen, krijgt op een gegeven moment de vraag: ‘Maar wat wil je nu eigenlijk zelf?’ Daarbij is het niet de vraag of dit gedrag wel vrijwillig was, maar of de betrokkene dit gedrag wel zou moeten willen. Is het wel in zijn of haar belang, is het echt ‘gewenst’, ook op de lange duur? Doet hij of zij zichzelf niet te kort?

Ons taalgebruik geeft aan dat we feilloos onderscheid kunnen maken tussen situaties waarin wel en waarin geen sprake is van keuzevrijheid. Voorts gaan onze keuzen in de meeste gevallen in de richting van wat wij in ons belang achten, althans op dit moment. Dit taalgebruik wordt ongetwijfeld door de hersenen bestuurd. Dan is het toch eigenlijk ondenkbaar dat er in ons brein geen plaats zou zijn voor een proces dat met willen te maken heeft. Je zou net zo goed kunnen volhouden dat wij weliswaar kleuren kunnen zien, maar dat ons brein kleurenblind is: het reageert alleen op verschillen in helderheid en totaal niet op verschillen in golflengte. Of dat wij boordevol emoties zitten, maar dat ons brein niet in staat is onderscheid te maken tussen neutrale en emotioneel geladen prikkels. Beide stellingen zijn, uiteraard, volledig onwaar.

Maar dan is er nog het Libet-experiment dat een essentiele rol heeft gespeeld in de discussie. In dit experiment wordt mensen gevraagd om op een knop te drukken, maar ze mogen zelf bepalen wanneer zij dit doen. Ze moeten wel op een klok zo nauwkeurig mogelijk aangeven wanneer ze tot die beweging besloten hebben. Het verrassende van dit experiment is dat op het moment dat de proefpersoon zegt besloten te hebben de hersenen al driehonderd milliseconden bezig zijn de beweging voor te bereiden.

Nu kun je deze bevinding op twee manieren uitleggen. Uit het feit dat de hersen­activiteit voorafging aan het bewuste besluit zou je kunnen afleiden dat wat ‘wij’ willen van geen enkel belang is omdat de hersenen ook zonder ‘onze’ beslissingen hun eigen gang gaan. Het lang gekoesterde idee dat de geest het lichaam, inclusief de hersenen, controleert, moeten we dan achter ons laten. De vrije wil bestaat niet, we worden door onze hersenen gestuurd. Dit is een veelgehoorde reactie die in ons eigen land de discussie heeft gedomineerd.

Er is echter ook een heel andere reactie mogelijk. Uit dezelfde proef blijkt namelijk dat de hersenen wel degelijk tot een zekere vrijheid in staat zijn. Zij kunnen het moment uitkiezen waarop met een beweging gereageerd gaat worden. Er was in dit experiment immers geen externe oorzaak aanwezig die dit moment bepaalde. Juist daarin waren de proefpersonen in dit experiment vrij. En de hersenen namen die vrijheid ook: het feitelijke tijdstip van reageren verschilde sterk van persoon tot persoon. Is het dan niet verstandiger de hersenprocessen die aan deze vrijheid ten grondslag liggen te analyseren en dan, in tweede instantie, te proberen ook een verklaring te vinden voor de observatie dat we ons pas bewust worden van een beslissing nadat de hersenen die al genomen hebben? Is het, met andere woorden, niet beter de tegenstelling tussen de ‘vrije’ geest en de gedetermineerde hersenen te overwinnen en te streven naar een hersenwetenschap van de vrije wil?

Hoe zou zo’n hersenwetenschap eruitzien? Op de eerste plaats moeten we ons realiseren dat veel van ons gedrag berust op automatische en onbewuste processen. Als voorbeeld kunnen we denken aan een gewone autorit. Het is een alledaagse observatie dat zo’n rit grotendeels automatisch en onbewust verloopt. Zonder na te denken rijden we weg, stoppen bij een stoplicht, geven voorrang en zetten onze auto neer op de bekende parkeerplaats. Doordat we niet bewust hoeven na te denken zijn we in staat aan heel andere dingen te denken dan aan het rijden zelf, en bijvoorbeeld een gesprek te voeren met onze medepassagiers.

Maar er moet meer zijn. Wanneer onderzoekers als Lamme en Swaab veronderstellen dat al ons gedrag op deze onbewuste en automatische manier tot stand komt, gaan ze voorbij aan een aantal belangrijke feiten. Op de eerste plaats berusten automatische processen op leren, en leren gaat vaak niet automatisch en onbewust. Leren doen we door dingen te herhalen, en hoewel dat herhalen soms voor ons wordt gedaan – zoals bij het leren van de moedertaal – is het bij het verwerven van de meeste vaardigheden, bijvoorbeeld een vreemde taal spreken of auto rijden, anders gesteld. Voor het ontwikkelen van deze vaardigheden is het noodzakelijk gedrag zelfstandig te herhalen. Hersenonderzoek laat zien dat mensen en dieren dat alleen doen als ze daar iets waardevols van verwachten, iets lekkers, een complimentje of een beetje geld. Wanneer dieren aan het leren zijn om op een bepaalde prikkel te reageren bijvoorbeeld, en ze ontvangen daarvoor een beloning, dan wordt hun ‘beloningsschors’ al actief bij het zien van de prikkel, nog voor ze een beloning ontvangen hebben. Automatische processen zijn dus ooit vrijwillig geweest: gericht op het bereiken van wat van waarde is.

Een tweede feit is dat automatische processen geënt zijn op specifieke omstandigheden en dus alleen in die omstandigheden van waarde zijn. Op weg naar het werk naderen we een kruispunt waar we normaal gesproken linksaf slaan. Daar staat echter nu een bord ‘Wegomlegging’ dat ons juist instrueert rechtsaf te slaan. Uiteraard heeft de evolutie ervoor gezorgd dat onze hersenen op dergelijke conflicten zijn voorbereid. De neiging om linksaf te slaan is zeer sterk, omdat we dit zo vaak doen. Wat de hersenen doen is de alternatieve reactie – rechtsaf slaan – nog sterker maken. Het mechanisme hiervoor is aandacht: aandacht heeft als functie informatie te versterken. Net als bij het aanleren van nieuwe vaardigheden wordt het brein hierbij gestuurd door verwachte waarde. Er wordt een positiever resultaat verwacht van het aangepaste gedrag en deze meerwaarde stuurt de aandacht aan. Hierdoor zijn we in staat de macht der gewoonte te doorbreken en ons gedrag aan te passen.

Aandacht heeft nog een tweede effect: we worden bewust van de omgeving. Tijdens het autorijden hoeven we de omgeving niet bewust waar te nemen: we kennen hem immers al. Bij een wegomlegging echter mobiliseren we de aandacht om een gewoonte te doorbreken; hierdoor komt ook de omgeving waarin we ons bevinden in een helderder daglicht te staan: we ontwaken als het ware uit onze halfslaap en kunnen nu de nieuwe omstandigheden beter analyseren. Bewuste hersenen zien meer en begrijpen beter wat ze zien. Hierdoor kunnen we op een veilige manier de gewijzigde route volgen.

Ook in het Libet-experiment was sprake van een conflict. Aan proefpersonen werd gevraagd om op een zelf te bepalen moment op de knop te drukken. Direct al de knop indrukken is natuurlijk uitgesloten: alleen jongetjes van vier doen dat. Anderzijds komt te lang wachten dicht in de buurt van een wanprestatie: in gedachten zie je de proefleider al op zijn horloge kijken. Er is dus sprake van een conflict tussen nog-niet-drukken en wel drukken. In de hersenen zien we in deze situatie het gebied dat met conflictoplossing te maken heeft dan ook actief worden. Door extra aandacht komt op een gegeven moment de reactie tot stand. Tegelijk wordt de proefpersoon zich van de omgeving bewust. Hij kan nu goed op de klok kijken en zo een schatting geven van het moment waarop hij zich van de beslissing bewust werd.

De waarde van het bewustzijn wordt door onderzoekers als Lamme en Swaab gebagatelliseerd. Dit is strijdig met een derde feit: in tal van situaties speelt het bewustzijn een essentiële rol. Niet alleen stelt het ons in staat ons beter aan te passen aan nieuwe situaties, het stelt ons ook in staat ons een andere omgeving voor te stellen dan die waarin we ons thans bevinden. Hersenonderzoek laat zien dat het zich voorstellen van iets – zeg een gezicht – dezelfde hersengebieden actief maakt als het waarnemen van iets. Voorstellingen zijn kennelijk herinneringen van vroegere bewuste waarnemingen. Deze herinneringen kunnen we in de toekomst projecteren. In gedachten kunnen we ons toekomstige situaties voorstellen en vooraf beslissen hoe we gaan reageren (‘als ik haar nog een keer met haar ex zie flirten, maak ik het uit’).

Een bijzondere rol speelt ons vermogen om ons de klank van woorden voor te stelllen. Als in onze voorstelling woorden zich aaneenrijgen tot hele zinnen noemen we dat ‘innerlijke spraak’. Innerlijke spraak maakt dezelfde hersengebieden actief als echte spraak. En net zoals de spraak van anderen onze hersenen stuurt en daarmee ons gedrag (‘gaat u zitten’), kunnen wij ook onszelf toespreken en daarmee ons gedrag sturen (‘laat ik maar gaan zitten’). Onderzoek wijst uit dat we onszelf vooral op deze manier aansturen als we met een moeilijk probleem te maken hebben. Ook zijn er aanwijzingen dat de effecten van psychotherapie op hersenen en gedrag op de werking van innerlijke spraak berusten. Innerlijke spraak is ook de manier om ons van hersenprocessen bewust te worden. Wanneer de hersenen iets geels waarnemen, komt het woord ‘geel’ in ons op. Wanneer ze bezig zijn een verandering in ons gedrag teweeg te brengen, zoals we dat zagen in het voorbeeld van de wegomlegging, komen woorden als ‘willen’ in ons op. Hetzelfde gebeurde in het Libet-experiment waarbij nog-niet-drukken moest worden vervangen door wel drukken. Nadat het conflict was opgelost en de hersenen begonnen waren de beweging voor te bereiden, duurde het nog driehonderd milliseconden voordat het woord ‘beslissen’ of ‘willen’ in ons opkwam en wij ons van deze ‘beslissing’ of ‘wil’ van de hersenen bewust werden.

Al onze hersenprocessen zijn onbewust. Toch kunnen we er een glimp van opvangen en ze tot op zekere hoogte aansturen, dankzij onze innerlijke spraak. Volgens Dennett kun je dit proces vergelijken met de gebruikersinterface op onze computer. Ook van de werking van onze computer zijn de meesten van ons zich niet bewust. Gelukkig hebben we de beschikking over knoppen, vensters en pictogrammen die het ons mogelijk maken onze computer te laten doen wat wij willen. Omgekeerd kan de computer ons ook mededelen dat zijn geheugen vol of zijn batterij leeg is.

De opvatting dat wij automatisch reagerende wezens zouden zijn, met maar een flintertje bewustzijn, is weliswaar in de mode bij veel onderzoekers, maar dient met kracht bestreden te worden. Wanneer we werkelijk uitsluitend zouden varen op automatische processen zouden we niet in staat zijn ons gedrag aan nieuwe omstandigheden aan te passen. We zouden vreemden zijn van ons eigen lichaam, omdat we de signalen vanuit ons brein niet zouden kunnen interpreteren. En we zouden gevangen zijn in het hier en nu, omdat het zonder bewustzijn niet mogelijk zou zijn ons voor te bereiden op de toekomst.


Herman Kolk is emeritus hoogleraar neuropsychologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Dit essay is gebaseerd op zijn boek Vrije wil is geen illusie_, dat op 30 maart verschijnt bij Prometheus_