Vangrail

Arnoud van Adrichem publiceerde zijn tweede dichtbundel, Een veelvoud ervan. Hij debuteerde in 2008 met Vis. Vis was een uitgebalanceerd debuut, een zowel hechte als komische bundel. De bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh'prijs voor het beste poëziedebuut, en belangrijker, Van Adrichem won er de prestigieuze Hugues C. Pernathprijs mee en ook het Charlotte Köhlerstipendium. Hij maakte een stormachtige binnenkomst in de letteren.

Van Adrichem is een zeer actief literator. Hij vormt de eenmansredactie van het tijdschrift Parmentier, is redactielid van het Belgische tijdschrift DW&B, mede-oprichter van recensie-platform De Reactor en behulpzaam met het bezorgen van onder meer de essays van Rein Bloem. Na Vis verscheen bij Druksel de bibliofiele uitgave Buiten. Samen met Jan Lauwereyns publiceerde hij bij IJzer het vuistdikke boek Stemvork, een verzameling essays, opstellen, vertalingen en gedichten.

Naast de voornoemde activiteiten als literator selecteert Van Adrichem gedichten voor Christen-Democratische Verkenningen, het tijdschrift van het wetenschappelijk bureau van het CDA, zoals Rein Bloem dat eerder deed voor Socialisme & democratie van de PvdA. Nu weet ik niet of ik gedichten zou leveren voor het blad van een partij die een regering vormt die gedoogd wordt door populisten. Maar er bestaan dichters die vinden dat je dat in deze tijd juist wel moet doen.

De bundel Een veelvoud ervan lijkt deels op Vis. Er zijn zes series die er in vorm en toon bij aansluiten en drie die ervan afwijken. Je ziet het verschil meteen aan de bladspiegel af: de drie zijn langgerekt en lopen door over meerdere pagina’s. Opnieuw is er de meta-stem die ons deels vertrouwelijk, deels opjuttend toespreekt, die klinkt als de voice-over van een film. Bij zijn debuut vergeleek ik die stem met een bemoeizuchtige overheid. Dat gaat niet meer op voor Een veelvoud ervan. ‘De lucht gehoorzaamt zijn wolken/ iedereen kan dat zien’, staat in het lange gedicht Binnen waar de bundel mee opent. We zijn ook daadwerkelijk binnen: ‘Een wereld vol antwoorden/ licht op achter de luxaflex.’

Arnoud van Adrichem is een spitsvondig dichter. De meta-stem die hij ten tonele voert zegt geregeld rake dingen. Een veelvoud ervan is surreëler dan Vis. Poëtischer ook: ‘De dag is belegd met diamanten.’ Ik weet niet of dat het werk helemaal ten goede komt. Daarbij komt in zijn tweede bundel een intertekstueel element dat een beetje in de weg zit: het gedicht en het dichten spelen zelf mee als onderwerp. Zo spreekt Van Adrichem van ‘fonemen’: volgens Van Dale de kleinste klankeenheden die een betekenisverschil aangeven. Ramen, wolken, uitzicht, het gedicht slingert ergens omheen. Het lijkt op twee gedachten te hinken. ‘De zon speelt trompet/ tussen de serredeuren’ is een heel andere wending dan ‘misschien moet u overstappen/ op décafé’. Er weerklinkt een invloed van Van Adrichems stadgenoot Arjen Duinker in veel van de regels. Dat is absoluut geen schande, invloeden horen zowel bij het leven als bij de poëzie. De vraag is alleen wat die invloed doet met een dichter die met zijn debuut al lezers voor zich won.

‘Wij voegen de vraag toe/ aan uw inventaris’, roept de voice-over. ‘Ritme en vorm/ zijn de enige meubels/ die u bezit’. En: ‘Zeg het maar in uw eigen woorden.’ We zijn nog steeds ergens binnen, daar waar geen vis zich het water inbeeldt en een mouw voor niets anders is bedoeld dan appels mee op te poetsen. ‘Zeg eens: tropisch regenwoud./ Ziet uw badkamer er nu anders uit?’

Tot zo ver het openingsgedicht. Er volgen drie series, ‘Deur’, ‘Mist’ en ‘Berm’, met gedichten die openen met een korte vraag of opmerking. De gedichten zijn compact en makkelijk vatbaar. Net als in Vis heeft de dichter het over ‘tieners’, die een nogal fenomenologische rol in zijn werk opeisen. Hetzelfde geldt voor Japanners en Amerikanen. ‘Japanners koesteren tieners.’ ‘Feit: dagelijks raken tieners verstrikt/ in hun eigen visdraad.’ En dat naast de joviale stoplappen (‘Google anders even’) en de meer poëtische wendingen (‘vogels bestaan/ bij gratie van wind’). Er zitten mooie observaties in: ‘Deur, waarmee we dat binnen uiteindelijk verlaten’. ‘golven verraden de wind’. Onheilspellend ook: ‘Er zit een scheur in Japan,/ kennis sijpelt weg.’

Van Adrichem dicht over bekende dingen. ‘Zet er muziek onder en alles/ krijgt betekenis’. Hij heeft een tik meegekregen van het talige overbewustzijn van de L=A=N=G=U=A=G=E poets, maar minder expliciet of strikt dan Ton van ‘t Hof en Samuel Vriezen. We zijn aangekomen in de reeks 'Mist’: ‘Niet alle vragen zijn strikvragen, toch?’ Buiten heet het Amerika: ‘wij vragen het de Amerikanen. Zij weigeren te twijfelen.’

De dichter werkt nogal onverbloemd met hulzen. Hij bouwt met zijn series een frame in elkaar, niet zo solide als in zijn debuut, wel vol terugkerende thema’s. ‘Tieners hijgen als ze de zee ruiken.’ Ook de taal speelt onophoudelijk zijn rol: “s nachts werken uitroeptekens beter,/ zo is onze ervaring’. Soms lijken die hulzen, die fenomenen en de grammatica het raadsel welke alomtegenwoordige en alwetende stem nu eigenlijk aan het woord is te niet te doen. En dat is jammer. In het opnieuw lange gedicht Shampoo gaat de intertekstualiteit tegen de dichter in werken. Het dicteert zijn materie. ‘Elke klinker bevat een dooier’, staat er. ‘Is dit een leerdicht soms’, vraagt de dichter. En daar is opnieuw zijn eerdere titel: ‘Tieners geloven in het belang/ om een vis te zijn’. Voor een reclameman is de voice-over net weer te slim: ‘het geluk is een beetje dom/ en van zichzelf overdraagbaar.’

Na Shampoo volgen opnieuw drie series in _Vis-_format: ‘Dorst’, ‘Wolk’ en ‘Wolf’. Vaak zijn het de slotregels die werken: ‘U schreeuwt alleen maar brand als u zeker weet/ dat u het vuur niet kunt blussen.’ Even klinkt er een heel andere dichter door de bundel heen:

(…) bomen leunen

op de schaduw die hen stut, vogels volgen hun schaduw

op aarde en vissen zijn zo georganiseerd dat ze oplichten

als hun schaduw naar de bodem duikt.

Het blijkt een uitzondering. ‘Is daar publiek voor?’ ‘Uw tijd gaat nu in.’ ‘Iets concreter graag.’ We herkennen weer de stoplappen. Arnoud van Adrichem parodieert de vormelijkheid waar hij zelf last van lijkt te hebben. Zo staat er altijd iets op het spel in zijn gedichten. ‘Kijk niet zo.’ ‘Zet anders een raampje open.’

Het is beslist niet zo dat Van Adrichem na Vis zijn humor verloren is. In zijn tweede bundel raakt die verstopt, is minder expliciet dan in de vaart van zijn debuut het geval was. ‘slikken gaat moeilijker als u liegt’. De taal speelt onopgesmukt mee, voorzetsels en imperatieven zijn het onderwerp. ‘te veel zonlicht is schadelijk voor gedichten’, zegt de dichter. ‘zucht maar eens diep, antwoorden zijn gemaakt van zenuwen.’

Er zit een paradox in het werk van Van Adrichem. Ik vermoed maatschappijkritiek bij al die stoplappen, die gebiedende wijs. En tegelijk is die stem de lege huls. Mogelijk is Een veelvoud ervan een overgangsbundel. Zijn debuut was overrompelend, maar niet een vorm of stijl waarmee hij door kon en een heel oeuvre bouwen. Ik ben benieuwd naar hoe die andere stem die af en toe in zijn tweede bundel opduikt voluit zal klinken. Lyrischer? In het laatste gedicht Buiten verzet de dichter zich daar flink tegen. Het is een road-poem. ‘Elke tegenligger is een evenement./ Een hond steekt zijn kop uit het zijraam./ Antennes trillen in de wind.’ Veel gebeurt er niet onderweg: ‘De pluchen dobbelsteen/ aan de achteruitkijkspiegel/ werpt zich onophoudelijk.’ De dichter ontwaart een patroon: ‘lyrici willen steeds/ in dezelfde bocht/ verongelukken./ Dat is het recht van lyrici.’


Arnoud van Adrichem zet zichzelf op het spel, maar voorlopig binnen de vangrail.

Arnoud van Adrichem, Een veelvoud ervan. Contact, 80 blz., € 19,95