Zoete korrels, zwarte handel

Vanillekoorts

Wereldwijde honger naar vanille heeft de prijs enorm opgedreven. In Noord-Madagaskar maakt dat sommigen snel rijk. De regio zit in een spiraal van criminaliteit en corruptie. De vanille floreert ten koste van het regenwoud.

Large 0nb 9493
Meisjes in de vanillesector sorteren vanille op kwaliteit en lengte

In het noorden van Madagaskar ligt Antalaha, een kleine stad met wijde, met palmbomen omzoomde lanen en luxe huizen met grote veranda’s langs een hagelwit strand. Het voormalige vissersdorp heeft een kalme en uitgesproken koloniale uitstraling. Antalaha ligt in de Sava-regio, een gebied zo groot als Noord-Brabant waar tachtig procent van alle pure vanille in de wereld wordt geteeld. De voorspoed van Antalaha is erop gebouwd.

Maar dat heeft een keerzijde. ‘Als je hier vanillezaken wilt doen, dan mag je je doodskist alvast wel bestellen’, zegt Dasy Ibrahim, een vriendelijke vijftiger, met een bittere grijns. Die waarschuwing lijkt maar moeilijk met de rustige, mooie omgeving te rijmen. Maar Ibrahim verzekert ons: ‘Er zitten een hoop criminelen in de business.’ En de angst is niet alleen voorbehouden aan ambitieuze handelaars. ‘Het is erger dan cocaïne’, zegt Ibrahim, ‘iedereen is bang.’

Het is zo netjes en stil in Antalaha, omdat hier al jaren de grote vanillebazen wonen, vertelt Ibrahim die voor ontwikkelingsorganisatie Care International werkt. ‘Dat met die grote omheining is het huis van Henri Fraise… en dat – daar woont de baas van Ramandriabe’, wijst hij, terwijl we langzaam de grote poorten voorbij rollen. Hier wordt groot geld verdiend: met de toenemende afkeer van kunstmatige ingrediënten bij westerse consumenten en de steeds sneller groeiende vraag in China lijkt de honger naar de specerij onverzadigbaar. De prijs vertienvoudigde in slechts vijf jaar. Een kilo vanille brengt nu zelfs meer op dan een kilo zilver.

Niet al dat vanillegeld, legt Ibrahim uit, wordt op een even eerlijke manier verkregen. ‘Iedereen hier in Sava wil een stuk van de taart’, verzucht hij. De werkloosheid is hoog en de verleiding van snel cash groot – vooral bij in armoede levende, wanhopige af-en-toe-criminelen. Maar er zijn ook zware jongens aan het werk.

Het begon allemaal vrij logisch, vertelt Ibrahim, weer terug op het broeierig hete kantoor van Care, bij het zachte tikken van een ventilator. ‘Omdat de mensen in jouw land meer vanille willen, moeten de grote vanille-exporteurs hier meer peulen hebben.’ Elk jaar exporteert Madagaskar tot tweeduizend ton, dat wordt gebruikt in gebak, ijs, parfums en als ingrediënt in de ‘geheime formule’ van Coca-Cola.

Maar de wereldwijde vanillehonger legt een grote druk op de lokale markt. De specerij is schaars: de teelt wordt geteisterd door een combinatie van tropische cyclonen en klimaatverandering. Met nieuwe concurrentie uit China, India en Pakistan vechten traditionele vanille-exporteurs om hun marktaandeel. En zo ontstond er de chaotische stormloop op de zoetgeurende bonen.

Bang om hun miljoenencontracten met grote voedselbedrijven als McCormick en Nestlé te verliezen aan de concurrentie moeten de vanille-exporteurs uit Antalaha dus zo snel en zo veel mogelijk vanille zien te scoren. Ze sturen hun tussenhandelaren op missie, met een groot voorschot. ‘En dat is het probleem’, vervolgt Ibrahim, terwijl hij ons indringend aankijkt om te zien of we zijn suggestie snappen: die handelaren, onder grote druk, kopen ‘per ongeluk’ ook gestolen vanille van de zwarte markt in. Het is immers lastig de herkomst van een boon te bepalen. En die gestolen vanille, die wordt dus in containers naar het Westen gezonden naar de hongerige consument.

Niet alleen de grote fraudeurs in Sava verdienen goed geld in de handel. Met de beperkte overheidscontrole en diepgewortelde corruptie in alle lagen van de samenleving is ‘het klimaat gewoon perfect voor speculanten’, legt Ibrahim uit, terwijl hij de hiërarchie van de vanillehandel op een papiertje tekent.

Large 0nb 9201
Marojejy National Park is een van de bekendste plekken om kostbaar rozenhout te vinden. Dat wordt illegaal gekapt. Verdiensten van de illegale houtkap worden witgewassen via de vanilleverkoop

Zo verborgen als de vanillehandel is in Antalaha, zo openlijk is hij in Sambava, een kilometer of vijftig ten noorden van Antalaha. Op de Rue Ambudimanga, in een van de dichtbevolkte achterbuurten van Sambava, worden we bijna van de sokken gelopen door een groep jongemannen met kleurrijke T-shirts, gouden kettingen en grote zonnebrillen met spiegelglas, die ons vragen of we misschien wat vanille willen kopen.

‘De dieven kunnen met wapens komen en schieten de boeren dood. Het gebeurde hier niet zo ver vandaan...’

De 28-jarige Julio tovert een geurige tros vanille uit zijn broekzak. ‘Van de beste kwaliteit, slechts 1,5 miljoen ariary per kilo’ (ongeveer 380 euro), prijst hij zijn spul aan. Julio kauwt driftig op bladen van de qat, een stimulerende en licht narcotische groene plant. ‘Je moet wel altijd alert blijven’, vertelt hij, terwijl hij met een zware nep-gouden ketting om zijn hals speelt. ‘Er zijn altijd wel dieven die je vanille willen rollen.’ Hij veegt een paar zwarte vanillekorrels van zijn handen af en vertelt dat de baas je dan echt wel weet te vinden. Julio is blij met zijn business. ‘Er is hier niet veel ander werk voor mannen’, vertelt hij. ‘Ja, soms mag je wat komen tillen of zo. Maar het betaalt slecht.’

Geen van de jongens gebruikt zelf vanille bij het koken. ‘We zijn hier in Afrika, hier verkopen we het alleen maar’, vertelt Bienvenu, een vriend van Julio, grijnzend om het idiote idee dat hij zijn winstgevende handelswaar zelf zou opeten. Voor de ‘baasjes’ van Ambudimanga is het een opwindende tijd; ze genieten zichtbaar van de hustle, het geld en hun reputatie als snelle jongens bij de meisjes van Sambava.

Max, onze 21-jarige chauffeur uit Sambava, zou ook graag vanille ‘dealen’, maar vindt zelf dat hij daar nog net te jong voor is. Het klinkt ons ook wat onguur in de oren als hij vervolgens onthult dat het vooral belangrijk is dat je ‘de juiste mensen’ kent. ‘Het is riskant, die business.’ Maar samen met een vriend wil hij ons wel meenemen naar de vanillepakhuizen van een van de tussenhandelaars die de exporteurs hun vanille leveren. Max heeft de radio hard aan gezet en zingt mee met een lokale rapper die rapt dat de liefde ‘zo zoet als vanille’ is.

We stoppen voor een huis dat er van buiten uitziet als vele andere in de stad: een roze villa met witte sierbalkons die twee verdiepingen hoog oprijzen tussen anderszins bescheiden houten huizen. Schichtig kijkt Max over zijn schouder en duwt ons door de ijzeren poort naar binnen. Omdat de patron er niet is, mogen we even kijken, legt hij uit – met de nadruk op even. Hij heeft ons bezoek zeker niet aan de baas – die misschien geen pottenkijkers wil – gemeld en is bang voor represailles. We lachen wat om zijn jeugdige bravoure en worden dan een zaal zonder ramen binnengelaten. De ruimte wordt verlicht door neonlampen en ruikt naar rijpe, geurige vanille.

Ongeveer zestig jonge vrouwen in lichtgroene schorten en met haarnetjes op zitten aan lange, houten tafels in het magazijn en sorteren en bundelen zongedroogde zwarte vanillestokjes in kleine pakketjes. De bundels worden in grote dozen aan de rechterkant van de hal geplaatst. Bij elkaar zijn ze zeker tienduizenden euro’s waard. Onder algehele commotie – de vrouwen giechelen zenuwachtig en kijken vragend om zich heen – maken we snel een paar foto’s. Dan komt de opzichter uit een achterkamer gesneld en blaft dat we moeten opsodemieteren.

We hebben op zich niets gezien uit de verhalen die over vanillehandel de ronde doen: de verboden stofzuigertruc, waarbij tussenhandelaren grote hoeveelheden onrijpe vanillebonen in plastic zakken stoppen, ze vacuüm zuigen met stofzuigers om ze te preserveren en ze als ‘vers’ op de markt brengen als de prijzen stijgen. Maar de nervositeit is groot en tijd voor vragen is er niet, het bezoek is voorbij. Met een strakgetrokken kaak duwt Max ons gehaast het gebouw uit: ‘Mensen zijn bang. We kunnen nu beter gaan.’

Large 0nb 7276
Vanille wordt in Sambava verkocht voor goudgeld

De nieuwe waarde van vanille heeft ook effect op de dorpen waar de boeren wonen die de vanillebonen telen. Emmanuel Zafihavama teelt vanille en is erop vooruitgegaan. De 55-jarige boer heeft een kleine vanilleplantage op de weg van Sambava naar Andapa. We lopen door zijn schaduwrijke tuin, waar nu al honderden lichtgroene vanilleplanten groeien. ‘Ja, je kunt er in de laatste twee jaren eindelijk een beetje geld mee verdienen’, vertelt hij.

Na de rondleiding door zijn tuin laat hij ons met gepaste trots zijn kleine houten hut zien, het huis waar hij met zijn vrouw en zijn kleinzoon woont. De bescheiden ruimte toont zijn nieuwe welvaart: vijf glanzende plastic stoelen, twee glazen kasten, nieuwe tweedehands kleding en − tot onze verbazing − een computer met een uitgebreide dvd-collectie, bijna allemaal kungfu-films die zo populair zijn in Sava.

Maar die relatieve luxe komt wel met een prijs. Zafihavama krijgt een zorgelijke blik als hij erover spreekt. Hij vreest voor zijn leven: hoe hoger de waarde van vanille, hoe meer dieven uit de stad worden aangetrokken, die het platteland willen leegroven. De boeren uit de dorpen zijn doodsbang om bestolen te worden en het resultaat van hun harde werk kwijt te raken. Of zelfs om het slachtoffer te worden van een ‘vanillemoord’.

‘De dieven kunnen met wapens komen en schieten de boeren dood. Het gebeurde hier niet zo ver vandaan…’, zegt Zafihavama. Dus hebben ze een bewaking gevormd tot het gewas klaar is voor oogst, vertelt hij: ‘We patrouilleren onze velden dag en nacht. We slapen ’s nachts met onze vanille.’ Zafihavama en andere boeren uit het dorpje geloven niet dat de overheid ze zal helpen. De politie, zeggen ze, speelt onder een hoedje met die vanilledieven.

Op het terras van een klein restaurant in Sambava horen we meer over de donkere kant van de vanillehandel. Fonkelnieuwe suv’s razen over een drukke weg volgestouwd met kleine houten marktkraampjes die kronkelend langs de oceaan slingert. Harde Malagassische popmuziek knalt uit de luidsprekers. Bij ons aan tafel zit Dominique Rakotoson, een vanillehandelaar van de oude stempel. Hij lacht en wijst: ‘Die quatre-quatre (de fourwheeldrives) zijn allemaal van het mirakel van de vanille betaald.’ Hij kent ze wel, mensen die opeens in luxe leven: ‘Mijn broer, een boer die niet eens de lagere school heeft afgemaakt, is in een handomdraai door de vanille een miljardair geworden. En ik, ik heb jarenlang tijd en geld verspild aan mijn studie in de hoofdstad, terwijl anderen hier rijk werden.’

‘Mijn broer, die niet eens de lagere school heeft afgemaakt, is in een handomdraai door de vanille miljardair geworden’

Rakotoson weet meer: hij vertelt dat de vanillekoorts een spin-off is van de illegale handel in hardhout: ‘De sector is in handen van de georganiseerde misdaad. Ze houden van hun zoete vanille, omdat ze hun centen in de handel kunnen witwassen.’ Hij heeft het over de ‘houtbaronnen’, zware milieucriminelen, die al jarenlang het regenwoud in de buurt leegplunderen.

Large 0nb 7911
Emmanuel Zafihavama bij zijn nog onrijpe vanilleplanten

Madagaskar heeft een unieke natuur, met planten- en diersoorten die nergens anders voorkomen. Maar het milieu staat onder druk. Driekwart van het beschermde regenwoud op Madagaskar bevindt zich hier in de regio. En in deze oerbossen groeit het zeldzame rozenhout, een kostbare, edele hardhoutsoort met een dieprode kleur. De bomen worden in een rap tempo, illegaal, naar China geëxporteerd en daar tot ambachtelijke meubels vertimmerd, in een eeuwenoude stijl waarvoor de groeiende Chinese middenklasse steeds meer belangstelling heeft.

De clandestiene houtkap en -export escaleerde tijdens de coup van 2009. Oppositieleider Andry Rajoelina dwong met hulp van het leger de zittende president Ravalomanana af te treden. De economie was totaal ingestort en de elite had kapitaal nodig voor haar groeiende politieke ambities. En dus kapte en exporteerde zij openlijk Madagaskars beschermde rozenhout. Gewapende milities overvielen boeren in kleine dorpjes en maffiosi betaalden smeergeld voor exportvergunningen.

De illegale handel werd gefinancierd met voorschotten van Chinese hardhoutimporteurs en met leningen van grote, internationale banken. Een recent rapport van de milieuorganisatie Global Witness schat dat hardhoutexploitanten er collectief meer dan een miljard dollar aan hebben verdiend. En dat crimineel verdiende geld wordt volgens Global Witness en anderen nu geïnvesteerd in de vanillehandel in het noorden van het land.

Handelaar Dominique Rakatoson vertelt ons: ‘Er was zoveel contant geld dat het niet langer in waarde werd geteld, maar in gewicht: het geld werd opgeborgen in zakken van vijfhonderd kilo. Toen het banksysteem in 2010 werd gereguleerd, moesten ze [de hardhoutcriminelen] iets met al dat geld doen. Dus hebben ze het in de vanille gestoken.’

Het criminele geld en de hoge winsten die de laatste jaren met vanille kunnen worden gehaald, hebben de vanillehandel volledig uit het lood getrokken. Rozenhoutstropers kopen met hun zwarte geld vanille, hoe duur die ook wordt aangeboden, en verkopen haar weer – en daarmee is hun geld witgewassen. ‘De vanillehandel floreert ten koste van ’s werelds meest kostbare regenwoud’, concludeert Rakatoson.

We besluiten het verhaal te checken bij de ambtenaren in charge in Antananarivo, Madagaskars hoofdstad. Gespannen lopen we het groen geverfde ministerie van Milieu, Ecologie en Bossen in. Het is bekend dat milieuactivisten die de hardhoutmaffia tarten in de gevangenis worden gegooid of het zwijgen wordt opgelegd met doodsbedreigingen. En inderdaad, de overheid lijkt niet echt te zitten wachten op journalisten: de meeste deuren blijven potdicht voor ons.

‘De vanille heeft de rozenhouthandel nodig om te kunnen groeien’, bevestigt een ambtenaar die met wat tegenzin er toch mee instemt ons te woord te staan. Zodra we vragen wie de invloedrijke ‘houtbaronnen’ zijn die achter de georganiseerde misdaad en hoge vanilleprijzen zitten, schuift hij ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer: ‘Weet je… het is een politiek probleem.’ Het is echt beter dat we die vraag maar ‘aan het kantoor van de premier’ stellen, concludeert hij, zichtbaar nerveus.

Het is geen wonder dat de illegale handel in hardhout ongemakkelijke conversaties oplevert. Hoewel Madagaskar nu weer een democratisch bestuur heeft, lijkt de verboden handel nog onverminderd door te gaan. En de beruchte ‘houtbaronnen’ zijn nog altijd Madagaskars machtigste ingezetenen: mannen die de regionale en nationale politiek domineren. Met het met hardhout verdiende geld financieren ze presidentiële campagnes of gaan zelf de politiek in. Ondanks grote internationale druk tegen het illegaal exporteren van beschermd hardhout heeft de Malagassische overheid de laatste jaren meermalen de handel opengegooid. Dat dit weer vlak voor de aankomende presidentsverkiezingen gebeurde, is volgens de nerveuze bureaucraat in Antananarivo maar ‘toeval’.

Een bezoek aan het Marojejy-regenwoud, een van de bekendste plekken om rozenhout te vinden, versterkt de zorgen over Madagaskars natuur. In het kleine dorpje Ambohimanarina, aan de voet van het Marojejy-natuurreservaat, zijn we uitgenodigd bij het jonge dorpshoofd Solofo. We ontmoeten de voorzitter van het dorp in zijn huis, een houten woning met twee kamers die vol staat met kunstbloemen in hoge vazen. De sfeer is eerst gemoedelijk, Solofo’s vrouw biedt ons vers gebakken bananenbrood aan en we praten over de vanillediefstal die het dorp teistert.

Maar het wordt snel minder gezellig als we hem vragen naar de illegale handel: ‘Dat’, zegt hij streng, ‘gebeurt hier niet meer.’ Hij staat abrupt op uit zijn stoel en stampt de deur uit. Het is een reactie die we vaker meemaken in de streek rond Marojejy als we over hardhout beginnen: ongemakkelijk grijnzen, zwijgend het hoofd schudden of simpelweg bezorgd wegkijken.

Een dorpeling in Ambohimanarina spreekt wel vrijuit over het ‘alom bekende geheim’, mits we hem anonimiteit garanderen. We zitten in het enige café in de omgeving en een groepje jongeren heeft zich om ons heen verzameld om een literfles Three Horses-bier en een sigaretje te delen. Onze informant kijkt schichtig om zich heen en deelt zijn zorgen met ons. In het stille dorpje met de veelal rieten huisjes vertrekken vrachtwagens soms vanaf drie uur ’s ochtends: ‘Waarom anders dan voor bois de rose zouden mensen hier ’s nachts in een vrachtwagen rijden? Er is geen gewone handel hier, mensen zijn arm. Iedereen in het dorp weet het natuurlijk. Maar omdat iedereen profiteert, zegt niemand wat.’