1946 - 5 september 2011

Vann Nath

Vann Nath schilderde voor zijn leven in S-21, de meest beruchte gevangenis van Cambodja. Later schilderde hij de slachtoffers van de Rode Khmer. IJzingwekkend.

VANN NATH werd eind 1977 gearresteerd door de Rode Khmer, de militaire tak van de Communistische Partij die van 1975 tot 1979 een schrikbewind voerde over Cambodja, waarin bijna twee miljoen mensen het leven lieten. Nath was aan het werk in een rijstveld vlak bij zijn huis in Battambang, in het noordwesten van het land, werd geboeid en in een vrachtwagen afgevoerd naar Tuol Sleng, oftewel S-21, de beruchtste geheime gevangenis van Cambodja, gevestigd in een oud schoolgebouw in Phnom Penh. Zoals zo veel ‘vijanden’ van de Rode Khmer wist hij niet waarom hij was opgepakt. In zijn latere herinneringen, in 1998 gepubliceerd als A Cambodian Prison Portrait: One Year in the Khmer Rouge’s S-21, geeft hij een kafkaëske beschrijving van zijn eerste verhoor:
’“Wat was het probleem? Waarom hebben ze je gearresteerd”, vroeg de ondervrager.
Ik zei dat ik het niet wist.
“De Organisatie is niet gek”, zei hij. “Zij pakt nooit mensen op die niet schuldig zijn. Denk opnieuw na - wat heb je verkeerd gedaan?”
“Ik weet het niet”, zei ik opnieuw.’
Er werd hem verteld dat hij 'de morele code’ van de organisatie van het land had overtreden, en hij had geen idee wat ze daarmee bedoelden. Ze wilden weten wie zijn handlangers waren en van welk netwerk hij deel uitmaakte. Tot diep in de nacht werd hij verhoord en met schrikdraad gemarteld. Er werd een politiefoto van hem gemaakt en zijn lengte werd gemeten, waarna hij naar kamer D werd gebracht. Zo'n vijftig gevangenen zaten daarin. Ze moesten hun behoeften doen in een metalen emmer; het eten bestond uit een paar lepels dunne rijstpap. Water kregen ze niet. 'We hadden zo'n honger, dat we de insecten aten die van het plafond vielen’, vertelde Nath toen hij in 2009, tijdens het Cambodja-tribunaal, getuigde tegen de gevangenisdirecteur Kaing Guek Eav, alias Duch. Veel mensen gingen dood; ’s nachts haalden de bewakers hun lijken weg.
Toen Vann Nath, nadat hij een maand in kamer D had gezeten, naar directeur Duch werd gebracht, liet deze hem een zwartwitfoto zien en droeg hij hem op die na te tekenen. Nath zei dat het zijn specialiteit niet was, tekenen, hij was een schilder, maar dat hij zijn best zou doen. Hij had er toen geen idee van dat de man op de foto Pol Pot was. Naast propaganda voor de Rode Khmer zou hij tijdens zijn gevangenschap verschillende portretten van de Cambodjaanse dictator maken. Hij schilderde letterlijk voor zijn leven. 'Bij elke verfstreek’, zei Nath, 'hoopte je dat hij het goed zou vinden en je zou laten leven.’
Nath was als schilder ondergebracht in een werkruimte, waar onder anderen een beeldhouwer aan bustes van Pot beitelde. Hij kreeg betere verzorging, maar dag en nacht hoorde hij het schreeuwen van de gemartelden, en van de kinderen die bij hun moeders weggerukt werden. Toen de Vietnamezen in 1979 Phnom Penh bevrijdden en de Rode Khmer de stad ontvluchtte, kon Nath uit de gevangenis ontsnappen. Hij bleek een van de slechts zeven overlevenden van het martelcentrum te zijn; meer dan veertienduizend vonden er de dood. Tussen de bewaarde documenten van S-21 zat ook de dodenlijst uit 1978, waarop de naam van Nath. Op het laatste moment had Duch die doorgestreept, en ernaast gekrabbeld: 'Spaar de schilder.’
Het was helemaal niet vanzelfsprekend dat Vann Nath schilder zou worden. Hij werd in 1946 - de precieze datum is onbekend - geboren in de provincie Battambang. Zijn ouders waren arme boeren, er was geen geld om hem naar school te sturen. Nadat hij enkele jaren in fabrieken had gewerkt, verliet hij op zijn zeventiende het ouderlijk huis om boeddhistische monnik te worden. Hij had al lang een liefde voor de schilderkunst opgevat toen hij zag hoe een tempel beschilderd werd, en op zijn 21ste kon hij alsnog naar een schilderschool. Na zijn studie verdiende hij zijn brood met het maken van filmaffiches.
Als schilder overleefde hij; als schilder zou hij ook getuigen van wat hij in S-21 had gezien. In 1980 werd hij door zijn oude gevangenis in dienst genomen om opnieuw te schilderen, ditmaal niet Pol Pot, maar diens slachtoffers. Het martelcentrum werd bewaard als het Tuol Sleng Genocide Museum en daar hangen zijn ijzingwekkende doeken waarop de terreur en de martelingen zijn afgebeeld. Schilderijen van uitgemergelde gevangenen, van moeders met baby’s, van gevangenen die worden gemarteld, van de doden die tussen de levenden liggen. Zijn naïef-realistische stijl lijkt de gruwelijkheid van het getoonde alleen maar te onderstrepen. 'Het was verschrikkelijk moeilijk om de Tuol Sleng-schilderijen te maken’, zei hij. 'Het voelde alsof ik het allemaal opnieuw beleefde.’
En hij getuigde ook in woorden. Hij stelde zijn herinneringen te boek en verscheen in Rithy Panhs documentaire S-21: The Khmer Rouge Killing Machine uit 2003, waarin hij zijn voormalige gevangenbewaarders tijdens een dramatische reconstructie confronteerde met het leven in Pol Pots martelkamers. Met een kalme waardigheid vroeg hij de bewakers om uitleg. In het Cambodja-tribunaal was hij de eerste overlevende die tegen Duch getuigde. Hij verklaarde toen: 'Ik heb hier dertig jaar op moeten wachten. Ik heb nooit kunnen denken dat ik in staat zou worden gesteld in deze rechtszaal te zitten en mijn ervaringen te beschrijven.’
Hij had overleefd, maar zijn leven was niet meer alleen van hem. Altijd was hij ook de vertegenwoordiger van de doden. De laatste jaren was hij eigenaar van een eenvoudig restaurant met een galerie. Hij bracht zijn dagen door op zijn dakterras, waar hij schilderde, idyllische taferelen van vissers en boeren. Maar zoals hij in een interview zei: 'Ik wil vergeten. Ik probeer te vergeten. Ik kan niet vergeten, zelfs niet een klein beetje.’