Vanuit de schaduw

John Le Carré, in 1931 geboren als David Cornwell, werkte van 1950 tot 1952 als tolk voor de inlichtingendienst van het Britse leger in Duitsland, stopte om verder te studeren en les te geven op een kostschool, keerde in 1958 terug naar de binnenlandse geheime dienst (MI5) en daarna de buitenlandse geheime dienst (MI6) en stopte in 1964, nadat zijn roman The Spy Who Came In from the Cold zo’n commercieel succes had gekend dat hij van de opbrengsten, onder meer, een chalet in Zwitserland kon kopen.

Stel: je ziet die eerste periode bij het leger door de vingers – toen was Le Carré nog amper uit zijn tienerjaren. Dan betekent dat dat hij zes jaar voor de geheime dienst heeft gewerkt. Dat is niet niks, maar toch: die zes jaar hebben elke maaltijd betaald die hij in zijn leven heeft genuttigd. Elke auto, elk huis, elke hotelkamer. Meer dan een halve eeuw lang. Die o zo beroemde zes jaar hebben elke spionageroman die hij schreef een gravitas gegeven waarop elke andere schrijver alleen maar jaloers kan zijn.

Medium hh 7286806

Begrijp me niet verkeerd; John Le Carré is een van de beste Britse schrijvers die nooit de Booker Prize hebben gewonnen. Zijn boeken over George Smiley (‘one of London’s meek who do not inherit the earth’) zijn niet alleen invoelende studies van verraad, maar ook sociologische dwarsdoorsnedes van de ambtelijke, diplomatieke gegoede middenklasse van het ineenstortende Groot-Brittannië van na de oorlog. Romans als The Constant Gardener hebben een meesterlijke stijl en een uniek vertelperspectief, hij heeft een heel acuut gehoor voor hoe mensen praten, en hij is een van de weinige schrijvers van wie je als schrijver actief iets kunt leren: lees bijvoorbeeld Tinker, Tailor, Soldier, Spy en zie hoe hij in elk hoofdstuk een nieuwe, subtiele manier vindt om belangrijke informatie te openbaren. Zijn beste boeken hebben een ijzersterke, dwingende plot, en toch lees je bijna over de plotwendingen heen, zo fijntjes staan ze er opgeschreven.

En toch zou John Le Carré misschien iets minder stoer kunnen doen

En toch? En toch zou John Le Carré misschien iets minder stoer kunnen doen over die zes jaar. Want het waren maar zes jaar. Hij zal in de jaren daarna vast nog informatie toegestopt hebben gekregen van oude collega’s, op borrels in de exclusievere herenclubs die Londen rijk is, maar als je zijn memoires, De duiventunnel, leest, lijkt het soms alsof hij elke spion ter wereld kende, en zijn overstap naar de literatuur voor de Britse geheime dienst aanvoelde alsof hij overliep naar de kgb. Hij begint zijn memoires in ieder geval net iets te gretig met een serie anekdotes over hoogwaardigheidsbekleders en topdiplomaten die hem vervloekten als het kind dat uit de school klapte. Hij citeert een voormalig minister van Defensie, die hem op een feestje toeriep: ‘Jij bent een communistische spion, dat ben je, geef maar toe.’ Hij vertelt over een receptie in Washington waar een MI6-agent hem te lijf wil gaan tussen de hoge pieten. ‘Cornwell, jij vuile klootzak!’ Hij beschrijft de lunch die hij had met Sir Maurice Oldfield, voormalig hoofd van de geheime dienst, en de acteur Alec Guinness, ook een Sir, die zich wilde voorbereiden op zijn rol als Smiley in de bbc-verfilming van Tinker, Tailor: de hele lunch wast Oldfield de oren van Le Carré. Volgens Oldfield maakt Le Carré het hem onmogelijk nog fatsoenlijke agenten te rekruteren, want ‘ze lezen zijn boeken en bedanken voor de eer. Dat is zo logisch als wat.’

Het probleem is dat John Le Carré het naar mijn smaak net iets te zelffeliciterend opschrijft. Want inderdaad, in zijn romans regeren ambtenaren, diplomaten en spionnen vanuit de schaduw, vaak met meer interesse in hun eigen carrière dan in de mensenlevens die ze op het spel zetten. Het is cynisch, het is hard, niemand neemt de verantwoordelijkheid voor zijn of haar mislukkingen, iedereen probeert aanspraak te maken op andermans succes. Maar niet iedereen: want in het hart van elke roman staat wel een Smiley of een Ricky Tarr (Tinker, Tailor), of Gerald Westerby (The Honourable Schoolboy), Alex Leamas (The Spy Who Came In from the Cold), Justin Quayle (The Constant Gardener) of Magnus Pym (The Perfect Spy), iemand die te midden van alle morele ambiguïteit zichzelf verrast door zijn rug recht te houden en zich op te offeren voor een ideaal of een geliefde. Zo is Le Carré’s relatie met de spionagewereld dus een stuk paradoxaler dan hij het doet voorkomen; hij ontdoet de wereld ogenschijnlijk van alle heroïek, en stopt er dan toch een held in.

Zijn memoires gaan ook over zijn leven buiten de spionage, over de researchreizen die hij maakte naar Vietnam, naar Oost-Congo, naar het Rusland van net na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. De anekdotes zijn smakelijk, met zijn wat stoere, wat ironische gevoel voor humor (‘Probeer Rusland in die dagen maar eens te beschrijven zonder wodka – je zou net zo goed de paardenrennen kunnen beschrijven zonder paarden’). Hij schrijft over de beroemdheden in zijn leven, Joseph Brodsky, Alec Guinness, Richard Burton, Stephen Spender en komt dan uiteindelijk uit bij de grootste ster in zijn leven: zijn vader, Ronnie, een man die alles en iedereen bedroog – vooral vrouwen en schuldeisers. Het ene moment was hij dakloos en het volgende kwam hij in een Bentley voorrijden. Le Carré heeft hem zijn raadsels vergeven, sterker nog, hij kijkt nog steeds met enige bewondering naar hem. Waarom ook niet? De man kon liegen zoals geen spion dat hem kon nadoen: ‘Ronnie heeft nooit een ster willen zijn. Hij wilde Ronnie zijn, een kosmos op zich.’ Misschien is die vader wel belangrijker geweest dan die zes jaar ooit zouden zijn.


Beeld: 1991. Door Le Carré zouden rekruten voor de geheime dienst bedanken voor de eer (Jonathan Player / Rex / HH)