Menno Hurenkamp

Vanuit Frankrijk

«Hoe de wereld tegemoet te treden? Van Plato tot Nietzsche. De antwoorden van de grote filosofen.» Kijk. Daar denk je wat aan te hebben. Het echte werk, verpakt in een fullcolour tijdschrift. Het Franse Nouvel Observateur pakte afgelopen week uit met een diepzinnig thema. Allerlei meer of minder belangrijke filosofen van nu schreven een stukje over wat grote denkers van vroeger over deze wereld in verwarring te zeggen zouden hebben.

Grote namen verplaatsen door de tijd; het is praktisch onuitvoerbaar maar je kunt er mooi over fantaseren. Zou een genie als Michelangelo, mits juist geteleporteerd, het genie van Picasso hebben herkend? Of Mozart Sjostakovitch?

Maar door de vragen die ons volgens het blad vandaag de dag zouden bezighouden, heb je niet het idee dat we sinds, zeg, de eeuwwisseling in een andere tijd leven. De cultus van het geld is de laatste religie, kunnen we eraan ontkomen? (Nauwelijks, zegt Nietzsche.) Wat kunnen we doen tegen het religieus fanatisme dat zoveel slachtoffers eist? (Mensen leren lezen, zegt Voltaire.) De televisie ontneemt, zeker sinds Big Brother, de gewone man zijn laatste restje eigen identiteit, moeten we dat tolereren? (Nee, zegt Seneca.)

De «actuele» kwesties maken een tijdloze indruk. Ze drukken zorgen uit die honderd jaar geleden ook al prominent waren. Moderne antwoorden van grote filosofen verzinnen is dan ook nauwelijks een kunst. De wereld van vandaag is de wereld van eergisteren. Zolang je haar maar in grote woorden omschrijft.

Pas als je een vraagstuk concreet maakt en afbakent — moet de Europese Unie sekseoperaties van Roemeense travestieten subsidiëren? — realiseer je je dat 2003 niet 1803 is. En dat Immanuel Kant op de kwestie vermoedelijk geen doorslaggevend antwoord heeft.

Het rijtje onderwerpen dat in het weekblad naar voren komt heeft in zijn gewichtigheid iets universeels, iets Frans. Toch mis je, zeker afgaand op de actualiteit, een thema. Leedvermaak. De vraag zou dan luiden: mag je lachen om de Amerikanen als ze op hun gezicht gaan in het «naoorlogse» Irak? En het antwoord: nou, moeilijk hoor, eigenlijk niet zou de Franse president Jacques Chirac zeggen. Mag je toasten op Engeland waar de oorlog in Irak nu ook al slachtoffers aan het thuisfront eist? Tja, netjes is het niet, zou de Franse minister van Buitenlandse Zaken dan zeggen.

Vooruitstrevende en behoudende kranten gelijk doen op een ingehouden, vermaakte toon verslag van de langzame neergang van de zogenoemde «coalition of the willing». Dag na dag registreren ze nauwgezet de dode en gewonde Amerikaanse soldaten, de ruzies in Engeland en de demonstraties tegen de Verenigde Staten, hoe klein en ver weg ook. De boodschap dat er fundamentele fouten zijn gemaakt door de Amerikanen en de Engelsen en dat ze op grove wijze hebben gelogen, wordt er dagelijks ingehamerd. Daar spreekt een springlevend nationalisme uit, dat je eerder als agressief dan als zelfbewust zou kenschetsen. Ook hier geldt helaas: geen nieuws.

Gecombineerd met de onbuigzame houding van Bush en Blair is het ondertussen moeilijk voorstelbaar dat op korte termijn de banden tussen de Franse en de Angelsaksische wereld weer serieus worden hersteld.