Vanuit vrouwelijk perspectief

‘En dan is er koffie’ - als er een boek de tijdgeest van de jaren zeventig uitademde was dat het wel. Vanuit vrouwelijk perspectief. Hannes Meinkema wil nog altijd bewustmaken.
DE VLOER IS bedekt met kamerbreed blauwgrijs tapijt, de meubels zijn zwart, de muren strak wit gepleisterd. Je zou, nadat je net En dan is er koffie hebt herlezen, eerder een ribfluwelen bankstel verwachten en veel zorgvuldig gecomponeerde rommeligheid. Niets van dat al dus. Maar En dan is er koffie is dan ook een historisch boek, een boek dat de tijdgeest bevriest. Het is niet overdreven om te stellen dat En dan is er koffie het boek van de jaren zeventig is.

‘Ja, het is opgepakt als een cultboek’, geeft ook Hannes Meinkema toe, die het boek consequent afkort als Koffie. Na twee min of meer onopgemerkte boeken, De maaneter en Het wil maar niet zomeren, werd de in 1976 gepubliceerde roman merendeels lovend ontvangen. De criticus van De Telegraaf noemde het boek zelfs de alternatieve familieroman waar we sinds De avonden van Gerard Reve op hebben zitten wachten. Het werd een bestseller. Inmiddels zijn er zo'n honderdduizend exemplaren van over de toonbank gegaan.
'Ik kan nu zien dat Koffie de tijdgeest weergeeft’, zegt Hannes Meinkema. 'Het was toen niet mijn bedoeling. Als ik het boek herlees, vind ik het tamelijk tam, maar toen was het schokkend. Er zijn troepen mensen geweest die Koffie echt een ongelooflijk vies boek vonden omdat er zoveel seks in voorkwam. Dat vond ik een duidelijk feministisch issue, want de boeken van Wolkers en Cremer waren toen al lang verschenen. Seks in de literatuur was niet nieuw, wel dat een vrouw er over schreef, vanuit vrouwelijk perspectief. Er komt zelfs een abortus in voor. De vrouw van Maarten ’t Hart viel flauw toen ze dat las.
Men wond zich ook op over de drugs in het boek. Ik denk bij drugs eigenlijk uitsluitend aan hard drugs; in Koffie worden alleen wat stickies gerookt. Dat was wel typisch voor de tijd. Ik weet nog dat we aan het begin van ons huwelijk in Leiden opzichter waren van een studentenhuis. Daar woonde een student die lsd maakte op z'n kamer. Dat vonden we niet zo tof. We hebben hem uit het huis gezet, dat was nog helemaal niet zo makkelijk.
Ik heb zelf het idee dat ik veel bewuster de tijdgeest heb vastgelegd in Het binnenste ei. Daarin komt een duidelijk aspect van de jaren zeventig aan de orde, namelijk de opgelegde NVSH-promiscuiteit van die tijd. Het idee dat alles kan en alles moet en de gevolgen die dat had voor het vertrouwen in een relatie. Vrouwen hadden daarin geen keus. Als je tof wilde zijn, deed je aan de promiscuiteit mee. Er waren ook van die redenaties waar je achteraf van dacht: hoe kon je erin trappen! Jongens die tegen je zeiden: “Je hebt het met hem toch ook gedaan, dan moet je met mij ook.” Seksuele bevrijding heette het, maar ik denk dat het voor veel vrouwen helemaal niet zo bevrijdend was.’
In En dan is er koffie gaat het om Rosa, lerares Nederlands, en haar vriend Douwe, hippie-achtige representanten van een even boze als ludieke generatie. De tegenspelers, haar familieleden, zijn kleinburgerlijk, schijnheilig en bekrompen. In Meinkema’s andere boeken uit de jaren zeventig, de verhalenbundels Het wil nog maar niet zomeren en De groene weduwe, en de roman Het binnenste ei, treden minder vrijgevochten vrouwen op. De vrouwenfiguren daarin zijn bovenal slachtoffer, opgesloten in een gekmakend huisvrouwelijk isolement.
Meinkema: 'Ik heb een aantal jaren het slachtofferschap heel interessant gevonden. Zo rond 1980 kreeg ik daar genoeg van en ben ik meer over daders gaan schrijven. Het is een beetje uit natuurlijk, maar ik vind het alleen maar leuk als literatuur kwesties van goed en kwaad aan de orde stelt. Dat vind ik nog steeds en dat zal ik altijd blijven vinden. In de jaren zeventig schreef ik inderdaad vooral over het kwaad dat vrouwen wordt aangedaan. Dat had een directe link met het feminisme. Ik had wel degelijk een politieke, bewustzijnsveranderende bedoeling. Het binnenste ei laat zien hoe iemand slachtoffer is van bepaalde maatschappelijke ideologieen, in dit geval seksuele onderdrukking. Maar ik heb het boek wel een happy end gegeven: de vrouw gaat weg bij haar man aan het eind. Het was de eerste keer in de Nederlandse literatuur dat het begrip happy end als het ware werd geperverteerd: het einde van een huwelijk werd als positief eind gepresenteerd.
Ik vind het een interessant verschijnsel dat een bepaalde politieke betrokkenheid ook invloed heeft op de structuur van je werk. In de jaren zeventig had je, vooral in de Angelsaksische literatuur, het verschijnsel van de huisvrouwenroman. Die boeken eindigden onveranderlijk slecht. Mij ging dat niet ver genoeg; goed laten eindigen is een stap verder. Maar je doet zoiets natuurlijk niet als het niet literair verantwoord is.’
IN EEN LEZING over 'de vrouwelijke stem in de literatuur’ - Meinkema: 'O, ik heb daar wel honderd lezingen over gehouden!’ - die later werd afgedrukt in Vrij Nederland, stelde Meinkema dat veel literatuur van vrouwen zich in vorm, thematiek en functie van die van mannen onderscheidt. Over het verschil in functie zei ze: 'Van begin af aan hebben boeken van vrouwen meer dan een literaire bedoeling gehad.’
'Kijk maar naar de literatuurgeschiedenis’, zegt Meinkema. 'Sarah Burgerhart heeft een duidelijke opvoedende waarde. Het boek is geschreven in de tijd dat meisjes voor het eerst zelf een stem kregen in wie hun partner werd - er moest hun dus geleerd worden dat ze niet blind achter hun hartje moesten aanhollen. Jane Austen, Charlotte Bronte, ze schreven moralistisch. Niet moralistisch zoals het nu wordt veroordeeld. Als je nu moralisme zegt, denkt men meteen aan het domineesvingertje dat omhoog gaat. Ze schreven gewoon met de bedoeling dat mensen er iets mee zouden doen. Dat heb ik ook altijd gehad en dat zal ik ook altijd houden, ben ik bang.
Het is ook ontzettend leuk. Lezers moeten van mij iets op een andere manier zien dan voor ze het boek hadden gelezen. Ik wil zelf ook dat er iets verschuift of verandert als ik een boek lees. En ik vind literatuur die de status quo niet aan de orde stelt niet interessant, al kan het nog zo prachtig zijn. Ik ben geen l'art pour l'art-type.
De status quo in de jaren zeventig was een andere dan nu. Ik was toen net afgestudeerd. Het was helemaal niet vanzelfsprekend dat vrouwen gingen werken. In mijn studententijd ook niet. Het was bij ons thuis wel vanzelfsprekend dat ik het zou doen, maar dat was omdat ze zeiden dat ik toch geen man kreeg. Ik had niet zulke vriendelijke ouders. Zelf dacht ik ook niet dat ik dat zou willen hoor, met iemand leven. Ik zag mezelf meer als solitair, wat ik uiteindelijk ook ben geworden, gelukkig. Het lastige was toen dat als je werkte, je tegelijkertijd een soort luxegevoel had. Want het hoefde eigenlijk niet.
We hadden toen een heel statische opvatting over het leven, de opvatting van onze opvoeders uit de jaren vijftig. Zo rond je dertigste lag alles vast. Dan was je getrouwd en had je kinderen, je had je werk, vervolgens liep het tot je vijfenzestigste gewoon volgens vaste lijnen. We waren daar heel erg bang voor en tegelijk wisten we nog niet hoe het anders moest. In die fase van mijn leven werd het opeens mogelijk om politiek links te worden. Ik studeerde in Utrecht en was lid van de UVSV, de vrouwelijke-studentenvereniging. Dat was toen nog heel normaal hoor. Nu is het van: “O corps, dat is rechts”.
Aanvankelijk bestond er nog geen links en rechts. Maar in mijn studententijd, eind jaren zestig, werd de studentenvakbond opgericht. Ik mocht van mijn moeder niet met die mensen omgaan. De jongen met wie ik trouwde, was een van de eerste leden van de studentenvakbond. Oeioeioei! Ik kom echt uit een CHU-milieu, heel christelijk. Een van mijn grootouders was raadslid voor de CHU in Rotterdam.
Ik ben getrouwd in 1968 en was dus vijfentwintig. Hij was mijn eerste - dat zal nu niet zo vaak meer voorkomen. Ik was wel afgestudeerd. Ik vond het toen zelf niet vroeg, maar mijn moeder wel. Achteraf heb ik haar daar gelijk in moeten geven. Als je op die leeftijd trouwt, trouw je het potentieel van iemand. Dan moet je ook maar afwachten of die ander dat ook werkelijk waarmaakt. Maar goed, ik zou nooit meer trouwen natuurlijk. Toen was dat nog vanzelfsprekend. Ik ben zelfs nog verloofd geweest. Mijn dochter vroeg laatst: “Wat is dat, verloving?” Ze kwam dat woord ergens tegen. Het is nog heel ingewikkeld om dat uit te leggen.’
MATTE JAREN, wordt wel gezegd over de jaren zeventig. Hannes Meinkema stribbelt tegen: bloeide de vrouwenbeweging toen niet? Ze verzet zich ook tegen de versteende ideeen over het feminisme van destijds. 'Voor mij was het een tijd waarin het besef van het individuele tot stand kwam. Dat lijkt in strijd met het beeld dat men nu van de vrouwenbeweging heeft. Men ziet het nu als slachtofferfeminisme en vrouwen die bij elkaar kropen en samen lekker klaagden. Dat was juist het bijzondere: ik ontmoette vrouwen met wie ik normaliter niet in aanraking kwam, want ik leefde in een intellectueel milieu, en ik bleek veel met ze gemeen te hebben. Het was de tijd van het herkennen en ontmoeten en zo'n fase is ook nodig voordat je een politieke analyse kunt maken. We voelden ons helemaal geen slachtoffers. We voelden ons juist ontzettend sterk. We waren bezig de dingen te veranderen.
In het vrouwenhuis in Leiden nam ik deel aan leesgroepen en een soort praatgroep over seksualiteit. Je werkte op strikt gelijkwaardige basis met mensen met volstrekt verschillende achtergrond, ook wat scholing betreft. Je leerde daar om elkaar serieus te nemen en dat niet sommige meningen, omdat ze uit een wat geleerdere koker kwamen, belangrijker waren dan andere. Het was democratie in de praktijk, ik heb er ontzettend veel van geleerd. Daarvoor was ik natuurlijk toch een salonsocialist.’
Je zou kunnen zeggen dat Meinkema’s boeken uit die tijd gelijk opliepen met de feministische theorievorming. Het onbehagen van de getrouwde vrouwen in hun werk, het ongenoegen van de 'groene weduwes’, liep parallel met de analyse van Betty Friedan in The Feminine Mystique. De niets ontziende manier waarop ze over de moeder-dochterrelatie schreef, was geheel in de lijn van Nancy Friday’s My Mother, Myself.
'Dat is waar’, geeft ze toe. 'Er leven natuurlijk in een bepaalde tijd bepaalde ideeen en die komen op verschillende manieren tot uiting. Het is meer serendipity, denk ik, dan invloed. De tijd is rijp om op een bepaalde manier naar de dingen te kijken en dan gebeurt dat ook. Het is nooit zo geweest dat ik bedacht hoe ik een feministische theorie nu op een aardige manier in de literatuur kon vertalen. De inspiratie lag toch altijd gevoelsmatig, in woede of in persoonlijk geraakt worden door zaken. En je schrijft over wat je ziet.
Ik schreef toen bijna consequent zo dat de lezer meer wist dan het personage. Dat is ook een heel leuke techniek om te gebruiken als je schrijft, want je presenteert alles door de ogen van een personage, in een ik-verhaal of in de derde persoon, en je voegt dingen toe waardoor de lezer inziet dat er iets niet klopt. Het is een techniek die in dienst staat van een bewustzijnsverandering. Je wordt niet meegesleurd in het slachtoffergevoel van het personage; je weet meer. Je bent wel heel erg op haar hand - dat ben ik zelf als schrijfster ook altijd - maar je beziet het tegelijk met afstand.’
HET FEMINISTISCH engagement - en de 'slordige stijl’ - maakte wel dat Meinkema’s werk werd verguisd. De boeken die na En dan is er koffie verschenen, werden stuk voor stuk op vernietigende kritieken onthaald. Het waren feministische traktaten die een strak schema volgden: de mannen waren slecht en de vrouwen hun slachtoffer. Meinkema heeft de aanvallen altijd vinnig als seksistisch ontmaskerd: 'In de kritiek werd over het algemeen niet al te diep nagedacht over de relatie tussen engagement en literatuur of politiek en literatuur. En ik stond alleen in die tijd. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de manier waarop auteurs uit omliggende landen, mensen als Drabble of Weldon, werden behandeld, dan zie je dat in de eerste plaats werd gekeken of de boeken leuk waren of goed. En dan werd niet gezeurd over het feit dat er politiek engagement in voor kwam. Hier wel, hier werd het voortdurend gebruikt als handvat om mij in de zeik te zetten. De woede die men had over het feminisme werd geprojecteerd op ieder die de nek boven het maaiveld uitstak. In eerste instantie was dat Anja Meulenbelt. Wat de literatuur betreft was ik het. Jarenlang kreeg ik elke week haatpost en stonden er scheldstukken in de kranten. Al kreeg ik natuurlijk ook enorm veel steunbetuigingen.
Ik vraag me nu wel eens af wat ik zou verkiezen. Mensen maken zich nu niet meer boos over dat soort dingen, hoogstens doen ze wat denigrerend. Oogluikend wordt het toegestaan, terwijl er in werkelijkheid nog precies evenveel weerstand is als toen. Ik dacht er toen vast anders over, maar ik denk nu dat ik liever de woede heb - en dus ook het veel gelezen worden en het veel mensen inspireren - dan de zogeheten acceptatie en het ingelijfd zijn.’
EN, BENADRUKT Meinkema, het feministisch engagement was toen hoog nodig. Ze vertelt over een verhaal uit Het wil nog maar niet zomeren waarin een verlegen meisje tot orale seks wordt gedwongen op een wc in een kroeg. 'Ze laat zich manipuleren. Aan het eind van het verhaal denkt het meisje dat het haar eigen schuld is. De bedoeling van het verhaal, die er volgens mij echt niet om liegt, is dat elke lezer denkt: “God nee, helemaal niet, het is natuurlijk niet haar schuld.” Maar een mannelijke criticus uit die tijd schreef: “Wat soepel van Meinkema dat ze toegeeft dat het de eigen schuld van dat meisje is.” Als een criticus dus zo precies het tegendeel uit een verhaal haalt, terwijl je de boodschap er nu op kilometers afstand in ziet liggen, dan zie je hoe nodig het allemaal was in die tijd.
Seksualiteit was toen allerminst vanzelfsprekend. Er waren toen zo verschrikkelijk veel vrouwen die niet klaar konden komen. Het zal nog steeds veel voorkomen, maar niet meer in die milieus waar ik toen over schreef: de studentenwereld, intellectuele milieus. Ik zie dat bij mijn petekinderen toch echt anders. De kennismaking met seksualiteit gaat ook op een veel prettiger manier. In die tijd was het zo dat als je begon, dan gebeurde het ook meteen. Op het moment dat je ja zei, moest-ie er in ook. Je kon niet zeggen: eerst een tijdje dit, langzaam opbouwen, daar een aantal weken of misschien zelfs maanden over doen. Ik heb een petekind dat heeft er jaren over gedaan, dat vind ik zo leuk.
Er is me destijds veel verweten. Niet alleen dat ik kritisch was over seksualiteit, ook dat ik zo tegen mannen was. Dat verwijt kwam ook vaak simpelweg voort uit het feit dat mannen nou niet helemaal op de voorgrond stonden in mijn boeken. Ik riep dan altijd terug: waarom zou het, er wordt een mannelijke schrijver toch ook nooit gevraagd waarom zijn hoofdpersonen nooit vrouwen zijn. Laten we wel wezen, ik ben nu 52 en de uitzonderingen niet te na gesproken, behoor ik niet tot een generatie waarin mannen zo bijzonder soepel en spannend waren. Waar je afspraken mee kon maken over dat je de ruimte kreeg die je nodig had. In mijn generatie ken ik zulke mannen - op een paar na - eigenlijk nog steeds niet.
Dat is tegenwoordig wel anders. Maar de mannen die in de jaren zeventig volwassen werden, waren nog opgevoed in de rol van traditionele vader en echtgenoot. Kijk, vrouwen vochten voor een vrijheid die ze niet hadden, mannen moesten een vrijheid die ze hadden, loslaten. Er waren heel veel mannen die de mond vol hadden van hun gevoel, die in een mannenpraatgroep gingen. Maar ze deden geen ene bal met die gevoelens, behalve zich erin verliezen. Terwijl wij juist bezig waren met te ontdekken dat je over gevoelens kunt praten en ze daardoor kunt sturen.
In hun gedrag waren mannen toen absoluut niet vrouwvriendelijk. Er waren dus ook niet zoveel leuke jongens om over te schrijven. Afgezien daarvan vind ik ook niet dat het de taak is van literatuur om over ideale relaties te schrijven. Vanuit literair gezichtspunt ligt het ook niet verschrikkelijk voor de hand. Want literatuur gaat over het algemeen over conflicten, en als literatuur over relaties gaat, ligt er in die relaties vaak een conflict.’