Islamisten in Nederland

Vanzelfsprekend al-Qaeda

Er gaat geen week voorbij of Nederland wordt gewezen op de activiteiten van moslimterroristen op zijn grondgebied. Angst voor een bom op een veerboot lijkt evenwel overdreven. «We hebben het gevoel dat Nederland de oorlog aan ons heeft verklaard in plaats van andersom.»

Extra bewaking bij departementen en militaire objecten, informatie van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) die «uitlekt» naar het ANP, inzet van geheime informanten, nieuwe arrestaties, onthullingen in de rechtszaal, verdachtmakingen in De Telegraaf — er gaat geen week voorbij of Nederland wordt gewezen op de activiteiten van terroristen op zijn grondgebied. De feiten spreken gelukkig nuchtere taal. Er lopen momenteel vier strafrechtelijke onderzoeken tegen vermeende moslimextremisten. Veel bewijs is er niet, de meeste verdachten zijn hooguit «eng», zoals een anonieme speurder in NRC Handelsblad zei: «Het gaat om mannen die over rare moslim propaganda beschikken en op bestelling valse documenten kunnen krijgen.»

Slechts in één geval lijkt justitie de zaak rond te hebben. In Rotterdam begon afgelopen donderdag het proces tegen zes mannen die in augustus zijn aangehouden wegens terroristische activiteiten. Hun zaak wordt in maart behandeld, tegelijk met de zaak tegen vier Algerijnen die op 13 september vorig jaar werden gearresteerd wegens het beramen van een bomaanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs of een Amerikaanse legerbasis in België. De Tunesische ex-voetballer Nizar Trabelsi, die in het complot zat en eveneens in september 2001 in Brussel werd gearresteerd in het bezit van vuurwapens en grote hoeveelheden zwavel en aceton, heeft inmiddels bekend.

De tien staan terecht wegens afzonderlijke feiten als verboden wapenbezit, vervalsing van identiteitspapieren, fraude en drugshandel. Tezamen worden zij beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie met als oogmerk «hulp aan de vijand in tijden van oorlog». Die vijand is vanzelfsprekend al-Qaeda en daarbij aangesloten organisaties als de van oorsprong Algerijnse beweging Groupe Salafiste Pour la Prédication et le Combat (GSPC), waartoe de meeste arrestanten behoren. Vooral Eindhoven lijkt een centrum van GSPC-activiteiten te zijn.

Een verband met de vele Algerijnse vluchtelingen die in de jaren negentig in het zuiden des lands terechtkwamen, ligt voor de hand. «Daar zaten vermoedelijk nogal wat strijders tussen», zegt een oud-functionaris van de Eindhovense gemeentepolitie. «De Algerijnen waren echter een ongrijpbare groep, volkomen paranoïde vanwege de vervolgingen in hun eigen land en de onderlinge gevechten tussen oppositiebewegingen in Algerije. Sommigen gingen binnen een paar dagen na hun aankomst in Nederland ondergronds. De mannen van de GSPC die nu worden opgepakt, behoren tot een illegale kern die in de jaren negentig is ontstaan.»

AIVD-directeur Verhulst, opgeroepen als getuige in Rotterdam, vertelde de rechter afgelopen maandag dat zijn dienst een geheime informant had ingezet om het complot van de groep-Trabelsi te ontrafelen. In kringen van moslimactivisten werd het bestaan van zo’n infiltrant al langer vermoed. Anders dan justitie is de AIVD echter niet verplicht zijn informanten bij de rechtbank aan te melden.

Met de beschuldiging «hulp aan de vijand» is de Amerikaanse doctrine dat het Westen in toestand van oorlog met de militante islam verkeert dus ook in de Nederlandse rechtszaal geïntroduceerd. De rechtszaken missen hun uitwerking op de rest van de samenleving niet. Ten eerste wordt de kleine groep moslimactivisten van Nederlandse bodem verder in het nauw gebracht. Vanuit het oogpunt van preventie is dat misschien toe te juichen, maar de verbittering is groot. «Elke gelegenheid wordt aangegrepen om moslimjongeren tot al-Qaeda-terroristen te bestempelen», zegt een Eindhovense moslimstudent die om begrijpelijke redenen anoniem wil blijven: «Er zijn natuurlijk jongens bij die zich overschreeuwen, die op internet roepen dat ze achter Bin Laden staan en jihad willen, maar verder niets doen en gewoon thuisblijven. Ik ken echter ook jongens die serieus willen deelnemen aan de jihad en bezig zijn met hun testament en plannen om naar het buitenland te reizen.»

De betrokkenen willen echter geen bom leggen op de veerboot van Hoek van Holland naar Dover. Ze willen enkel, om in het jargon te blijven, in «vreemde krijgsdienst treden». Hun doel is vechten voor de islam in gebieden waar hun geloofsgenoten worden onderdrukt of uitgemoord zoals Tsjetsjenië, Algerije en Kasjmir. «Daarvoor hoef je niet te worden geronseld door Algerijnen of Saoedi’s. Om gemotiveerd te raken hoef je het nieuws maar aan te zetten en de achtergrondinformatie van Al Jazeera en de Arabische kranten tot je te laten doordringen. Iedere godsdienst heeft een eigen staat nodig waarin hij zijn regels kan opleggen. Voor ons zijn dat de regels van de sharia. Wat moslimactivisten willen, is een eigen staat net als de joden en de christenen. Vandaar dat sommigen van ons afreisden naar Afghanistan om het bewind van de Taliban met eigen ogen te aanschouwen.»

Tegelijk wordt elke connectie met Saoedi-Arabië aangegrepen om Nederlandse moslimorganisaties, islamitische scholen, moskeestichtingen en liefdadigheidsinstellingen te betichten van «buitenlandse inmenging» of nog erger: opzettelijke gettovorming, antiwesterse propaganda en aanzetten tot terrorisme. Soms is dat terecht. Zo kwam eind vorige maand de Maas trichtse vestiging van het Saoedische liefdadigheidsfonds Benevolence International onder vuur te liggen omdat de directeur in de Verenigde Staten terechtstaat voor het verlenen van financiële en logistieke hulp aan Osama bin Laden, met name bij het verschaffen van chemische en nucleaire wapens. Een van de bestuurs leden zou een oude strijdmakker van Bin Laden uit Afghanistan zijn. Benevolence is op de Amerikaanse lijst van verboden terroristische organisaties gezet, de tegoeden van het fonds (de organisatie zamelde vorig jaar in de VS meer dan twee miljoen dollar in) zijn bevroren.

In veel gevallen hebben «verdachte» islamitische organisaties geen banden met al-Qaeda of aanverwante organisaties, zelfs niet als «rekruteringscentra» zoals de AIVD en justitie ze hardnekkig bestempelen. De van oorsprong Saoedische stichting Al Waqf in Eindhoven, die onder meer een moskee en een islamitische school bestuurt, is het afgelopen jaar voortdurend in het nieuws geweest. In en om de Al Fourgaan-moskee in Geldrop zouden al-Qaeda-strijders worden geworven en fondsen worden ingezameld voor terroristische plannen. Hassnoui en Bakouli, de twee Eindhovense studenten van Marokkaanse komaf die in december in Kasjmir werden doodgeschoten door Indiase grens troepen, zouden elkaar hebben leren kennen in de Al Fourgaan. Tot nog toe is echter geen bewijs geleverd dat de moskee bij enige illegale activiteit betrokken is. Woordvoerder Fouad Dol is het spuugzat om steeds speculatieve vragen van de pers te moeten beantwoorden en hij is niet de enige.

Na de Nova-uitzending van vorig jaar over de omstreden imam el-Moumni gooiden moskeebesturen in het hele land de deur dicht. «Ze praten zelfs niet meer met mij», zegt Brahim Bourzik, directeur van de Migranten Omroep Rotterdam en raadslid voor GroenLinks in dezelfde gemeente. Hij legde destijds voor Nova het contact met el-Moumni en onderhandelde met hem over de voorwaarden van de opnamen. Bourzik: «Maar Nova heeft zo selectief geknipt en geplakt in dat interview dat ik achteraf spijt heb als haren op mijn hoofd. Uitgerekend de passage waarin el-Moumni alle geweld tegen niet-moslims afwijst, hebben ze eruit gehaald. Door zulke incidenten, zeker als ze worden gevolgd door rechtszaken waarin tegenstanders op hoge toon hun gelijk halen, isoleer je mensen juist van de Nederlandse samenleving.»

«Niemand van ons wil meer met de pers praten», zegt een andere Eindhovense student van Marokkaanse afkomst. Ook hij, twee weken geleden nog geneigd tot een interview, spreekt nu op voorwaarde van anonimiteit. «Voordat je het weet, word je op je TU-afdeling of in je studentenhuis aan de schandpaal genageld. Elke video over Russische of Amerikaanse bombardementen, over het barbaarse optreden van Israël in Palestina of van de Algerijnse staat tegen de islamitische oppositie wordt afgedaan als propaganda. Het is informatie die niet tot de westerse media doordringt, die de Nederlanders gewoon niet willen of mogen weten. En ik mag kennelijk niet bezorgd zijn over het lot van mijn geloofsbroeders in andere delen van de wereld.»

Hun vrees is begrijpelijk, omdat de AIVD en justitie sinds een half jaar benadrukken dat Nederlandse moslimjongeren zich laten ronselen door al-Qaeda en de GSPC. De AIVD-infiltrant zit zo dicht bij het vuur dat de dienst begin dit jaar de hand kon leggen op «zeven tot acht testamenten van Nederlandse jihadstrijders», zoals de officiële aanduiding luidde. Hij (want een vrouwelijke infiltrant is in dit verband hoogst onwaarschijnlijk) moet dus zijn doorgedrongen tot de kern van de GSPC in ons land. Aangezien deze infiltrant ook de broer van een van de Eindhovense jongens als medeplichtige aanwijst, is het zeer waarschijnlijk dat de dienst ook op de hoogte was van de afreis van de twee vrienden. De AIVD wist misschien niet precies met welk voornemen de jongens naar Kasjmir reisden. Dat is geen wonder, want volgens hun familie en vrienden wisten ze dat zelf niet eens. Maar het wettigt wel de vraag wat de AIVD met die informatie heeft gedaan.

Zijn Hassnoui en Bakouli soms slachtoffers geworden van dezelfde AIVD-manoeuvre als de Nederlandse islambekeerling Abdul Jabar van de Ven toen hij afgelopen zomer op vakantie ging naar Indonesië? Van de Ven, een 25-jarige theologiestudent in Nijmegen, ging poolshoogte nemen op Sumatra omdat hij overweegt samen met zijn vrouw naar dat eiland te emigreren. De AIVD was hem echter voor. Van de Ven: «De dag voordat ik wegging, werd ik thuis opgezocht door twee mannen van de AIVD die me op het hart drukten niet te gaan. Ze wisten dat ik contact ging zoeken met de Laskar Jihad, de gewelddadige islamistische beweging op de Molukken, zeiden ze. Ik antwoordde dat ik naar Sumatra ging, duizenden kilometers van de Molukken vandaan. Ik weet niet of ik ze daarvan heb kunnen overtuigen. In elk geval lieten ze het er niet bij. Ze zeiden dat het in mijn eigen belang was om thuis te blijven, anders zou het met mij wel eens ‹net zo kunnen aflopen als met die twee jongens in Kasjmir›. Dat kon ik op twee manieren opvatten, zeiden ze: als goed bedoelde waarschuwing of als dreigement.

Ik ging toch naar Indonesië en werd al gauw na mijn aankomst aangehouden door de Indonesische autoriteiten. Die waren door de AIVD op de hoogte gesteld van mijn komst. Tijdens het verhoor lieten ze me de fax uit Den Haag zien waarin mijn naam werd genoemd als mogelijk staatsgevaarlijk element. De Indonesiërs tilden er niet zwaar aan, mijn bewakers en de mannen die me verhoorden, waren zelf islamieten. Ik werd als een vorst behandeld en kon op elk moment halal eten bestellen want, zo zeiden ze, ik was eigenlijk ‹één van hen›. Ze hadden nu wel een ‹probleempje› met een paar groepen islamisten, maar in de toekomst zou ik in hun land meer dan welkom zijn. Als tegemoetkoming aan Nederland moesten ze nu echter een excuus zoeken om me uit te zetten. Het excuus was dat ik ‹opruiende taal› zou hebben gesproken in een moskee. Vervolgens zetten ze me uit naar Maleisië, waar ik nog eens een uur door de staatsveiligheid ben ondervraagd voordat ze me lieten doorgaan naar Nederland.»

Met de islamistische groepjes in ons land dreigt hetzelfde te gebeuren als met de links-radicale scene in de jaren zestig en zeventig. De parallel met de Rote Armee Fraktion en andere linkse militanten dringt zich op: ook zij beriepen zich op het leed dat westerse overheden elders in de wereld aanrichtten en wilden daartegen iets ondernemen, desnoods gewapenderhand. De betrokken overheden betaalden met gelijke munt terug. Justitie en inlichtingendiensten zetten hen zodanig onder druk dat de meesten capituleerden, terwijl een kleine groep radicaliseerde en overging tot buitensporig geweld.

Het geestelijk isolement waarin islamistische groepjes terechtkomen, heeft zijn eigen para noïde logica en sinds een jaar of vijf ook zijn eigen medium, het World Wide Web. De virtuele jihad is een volwaardige tegenhanger geworden van het «internationale moslimlegioen» (een term van de Franse terrorisme-expert Roland Jacquard) dat in de jaren tachtig gestalte kreeg in de gezamenlijke strijd van islamieten uit alle delen van de wereld tegen de Russische bezetting van Afghanistan. De Britse onderzoeker Peter Mandaville spreekt van een «soundbyte-islam» die de afgelopen jaren door islamitische jongeren in de hele wereld is ontwikkeld op eigen websites, video’s en cd-roms: «Hoewel het internetgebruik in het Midden-Oosten en Azië toeneemt, bevindt de overgrote meerderheid van alle moslims die actief zijn op het net zich nog steeds in Europa en Noord-Amerika», aldus Mandaville: «Ze zijn als het ware een product van de diaspora.»

Volgens hem zijn Amerikaanse paniek berichten over «radicale moslims» die fondsen werven op internet overdreven. Het gaat meestal om studenten en parttime vrijwilligers die hun pretenties in de verste verte niet kunnen waarmaken. De informatietechnologie stimuleert vooral hun verbeeldingskracht. In combinatie met puriteinse stromingen als het salafisme, een radicale school die eind negentiende eeuw is ontstaan uit de confrontatie van de islamitische wereld met westerse, christelijke kolonisten en missionarissen, ontstaat een uiterst explosief mengsel.

«Salafisten streven naar totale zuiverheid in het geloof en baseren zich alleen op de koran en de overleveringen van de eerste generatie van schriftgeleerden. Salafistische moslims in het Westen herbeleven als het ware de ‹uittocht› van de profeet uit Mekka, in geestelijk opzicht en soms ook fysiek, door de strijd te zoeken in gebieden waar de islam in gevaar verkeert», zegt de Leidse Arabist Dick Douwes. «Die strijdbare islam put met evenveel gemak uit de scheldcultuur van de Iraanse ayatollahs, die het martelaarschap benadrukten en Amerika voor Satan uitmaakten, als uit de oudste teksten van de profeet.»

«Het hoort misschien bij migratie dat je teruggaat naar je roots», meent socioloog Hassan Yar, docent en eerstejaarsmentor bij de afdeling theologie van de educatieve faculteit Amsterdam. «Ik zie onder mijn islamitische studenten ook tekenen van toenemende vroomheid. Intelligente jongeren met een moslim achtergrond constateren dat ze nooit echt Nederlander zullen worden, terwijl ze ook niet meer echt Marokkaan of Soedanees zijn. Die inkeer is in bijna alle gevallen puur religieus, niet militant. Maar de omringende samenleving kan wel een proces van radicalisering en isolement op gang brengen.»

Bij sommigen heeft dat proces zich al voltrokken. Zoals bij een van mijn potentiële gesprekspartners, die vlak voor het ter perse gaan van dit artikel ook al afhaakt: «Ik heb het gehad met de media. We hebben het gevoel dat Nederland de oorlog aan ons heeft verklaard in plaats van andersom.»