Tweehonderd jaar Hans Christian Andersen

«Vanzelfsprekend ben ik een dichter»

Mede dankzij Walt Disney en de Efteling wordt de tweehonderd jaar geleden geboren Hans Christian Andersen ten onrechte alleen als sprookjesschrijver voor kinderen herinnerd.

Nieuwjaarsdag 1835; natte sneeuw valt uit de grauwe lucht die boven Kopenhagen hangt. Enkele zeilschepen meren af aan de kade van Nyhavn. Andere zoeken een weg door het met ijsschotsen bedekte kanaal naar de donkere, open zee. De heldere tinten van de hoge smalle huizen langs de kade van Nyhavn geven de winterse hoofdstad haar kleur. In één van deze huizen, rood met een punt gevel, zit een dertigjarige, slungel achtige man achter een bureau in zijn sobere studeerkamer. De opvallend grote Romeinse neus karakteriseert zijn gezicht en verhult de diepliggende ogen. De welgevormde mond en het langwerpige voorhoofd geven het merkwaardige uiterlijk een krachtige uitstraling. De immense voeten en lange benen onder het bureau harmoniëren met de eveneens lange armen en brede handen. Een van de handen beweegt snel en regelmatig. Hans Christian Andersen schrijft een brief aan een vriendin: «Ik ben zojuist begonnen met het schrijven van sprookjes voor kinderen. Met deze sprookjes zal ik de harten van toekomstige generaties veroveren, moet je weten.»

Andersen had een vooruitziende blik, al werden zijn eerste sprookjesbundels, met onder meer De tondeldoos, Kleine Claus en grote Claus, De prinses op de erwt (naar de volksverhalen die Andersens grootmoeder vertelde) en De bloemen van kleine Ida (Andersens eerste fantasieverhaal) aanvankelijk door de Deense literatuurcritici met scepsis ontvangen. Na een moeizame productie van matige romans, mislukte gedichtenbundels en toneelstukken werd zijn iets eerder verschenen roman De improvisator (april 1835) eindelijk alom geprezen.

Eerder had hij ook al geroken aan kleine successen. Het stervende kind (1827), een gedicht waarin hijzelf lijdend voorwerp is, was redelijk populair. En het blijspel Een liefde op de Sint-Nicolaastoren werd tijdens de première in 1829 zodanig bejubeld dat Andersen de Koninklijke Schouwburg in Kopenhagen in tranen verliet.

Maar met zijn roman De improvisator had hij zijn naam gevestigd en de Deense literaire wereld reageerde verrast na het verschijnen van de eerste sprookjes. Critici toonden zich verontwaardigd over Andersens directe en informele taal gebruik: «Of het nu geschreven is voor kinderen of volwassenen, wij zijn van mening dat het geen van beide groepen zal aanspreken of bevredigen.»

Critici hadden geen oog voor Andersens unieke stijl en revolutionaire ma nier van verhalen vertellen. Hij verzon zelf literaire sprookjes, in tegenstelling tot de Duitse gebroeders Grimm, die be staande anonieme volkssprookjes verzamelden. Andersen blies kinderspeelgoed het eeuwige leven in (De standvastige tinnen soldaat), schreef met humor en soms cynisme, beschimpte de bourgeoisie (De nieuwe kleren van de keizer), koos de ontheemden en armen als favoriete hoofdpersonages (Het meisje met de zwavelstokjes) en richtte zich als allereerste auteur bewust tot een dubbel publiek. «Ik verzin een thema voor volwassenen», schreef hij, «dan vertel ik het verhaal aan kinderen; omdat ik weet dat vader en moeder vaak meeluisteren geef ik ook de ouderen stof tot nadenken.»

Helaas, tweehonderd jaar na zijn ge boorte is Andersen zijn volwassen doelgroep kwijt, vooral dankzij de slechte Engelse vertalingen halverwege de negentiende eeuw, en later de zoetsappige Walt Disney-verfilmingen. Ook Ne derland heeft schuld, getuige het infantiele karakter van Andersens sprookjesvoorstellingen in het sprookjesbos van de Efteling. Maar dat Andersens sprookjes als kindervertellingen worden be schouwd is ten onrechte, gezien bijvoorbeeld de complexe thematiek in een verhaal als De schaduw, dat gaat over een man zonder schaduw en een schaduw die een man wordt zonder ziel. Het is een angstaanjagende psychologische fantasy over identiteitsverlies. Modern, nihilistisch en vooral voor volwassenen ge schreven. Zoals ook Andersens latere, erotisch geladen vertellingen als De ijsjonkvrouw, Psyche en De dryade en het hallucinatoire Tante Kiespijn, over het (fysieke) lijden van de kunstenaar.

Voor Andersen waren de fantasieën en beelden die hij in zijn sprookjes gebruikte een veilige en afstandelijke manier om te vertellen wie hij was en wat hij voelde. Zijn sprookjes hebben een hoog autobiografisch gehalte en vaak een ongelukkig, melodramatisch slot. Zijn helden en heldinnen zijn zelfportretten. Ze vertellen over Andersens excentriciteit, onaantrekkelijke uiterlijk (Het lelijke jonge eendje), depressiviteit, eenzaamheid, seksuele frustratie, rusteloosheid, egocentrisme, visie op literatuur en existentiële angst die gepaard ging met drang naar onsterfelijkheid en eeuwige roem (Het dennenboompje). «Vanzelfsprekend ben ik een dichter», schreef hij op jonge leeftijd. En later aan een vriendin: «Ik wil de beste romanschrijver van Denemarken zijn.» Zijn eerste autobiografie schreef hij rond zijn 25ste; zijn volgende, minder be trouwbare, geromantiseerde autobiografie op 41-jarige leeftijd: Het sprookje van mijn leven.

Andersen werd geboren op 2 april 1805 in een arme wijk van Odense: provinciestad, eenvoudig, nog niet geïndustrialiseerd, maar als kleurrijke hoofd stad van Funen en woonplaats van de toenmalige kroonprins tegelijkertijd een levendig, cultureel bolwerk. Deze twee karakteristieken van Odense – de ouderwetse volkssfeer en de mondaine geneugten die het prinselijk hof en theater verschaften – inspireerden Andersens fantasierijke en ambitieuze geest. Hij was het enige kind van een jong gestorven, poëtisch geaarde vader – schoen maker van beroep – en een ongeletterde moeder, die als wasvrouw de kost verdiende en aan overmatige drankzucht zou sterven. Zijn oudere halfzuster (van moeders kant) die door middel van hoererij overleefde, zijn gestoorde grootvader, die als King Lear door bossen en velden zwierf en zich met bloemenkransjes tooide, en zijn grootmoeder, die in een inrichting werkte, waar ze omringd door oudjes, gekken én de jonge Andersen haar Deense volksverhalen vertelde, waren zijn enige andere familieleden.

Zijn vader vertelde hem de fabels van Jean de la Fontaine en sprookjes uit Duizend-en-één-nacht. Later adoreerde An dersen auteurs als Sir Walter Scott en identificeerde hij zichzelf met Lord Byron en Goethe. «Lezen was vanaf mijn vroege jeugd mijn enige en meest geliefde tijdverdrijf», scheef Andersen. «Mijn vader had boeken die ik verslond. Ik speelde nooit met andere jongens, ik was altijd alleen.» Dat zou hij zijn verdere leven blijven. Andersen gedroeg zich anders dan leeftijdgenoten: hij hield van meisjesachtig poppenspel en verkleedpartijen en idealiseerde de gegoede burgerij in Odense, aan wie hij zich presenteerde als dichter, zanger en acteur. Toen hij uiteindelijk doordrong tot de hogere klassen, richtte men een klein fonds voor hem op. Dankzij deze gelden vertrok hij op veertienjarige leeftijd, gekleed in een opvallende gele broek, naar Kopenhagen, om daar als acteur, danser en zanger zijn geluk te beproeven. Het werd een driejarige overlevingstocht in de jungle van de stad. Veelzeggend was zijn eerste balletrol: een trol. De deelname aan het ballet was echter maar van korte duur. Andersens uiterlijk en te grote voeten belemmerden hem in zijn carrière als balletdanser. Toen de baard in zijn keel hem bovendien alle kansen op een zangcarrière ontnam, restte hem óf een gewoon beroep óf het schrijverschap.

De tijdgeest bepaalde de keus. Andersen verbleef in Kopenhagen tijdens de bloeitijd van de Deense Gouden Eeuw, die tot 1848 duurde, toen Denemarken in conflict raakte met Pruisen over Sleeswijk-Holstein. Een grote groep intellectuelen en kunstenaars, waaronder de dichter Bernhard Severin Ingemann (later bevriend met Andersen) en de filosoof Søren Kierkegaard, hield Kopenhagen in een artistieke greep. De Romantiek met haar geïdealiseerde kindbeeld bloeide en het idealistische idee dat een aangeboren musisch talent kansen tot ontplooiing moest krijgen bracht Andersen de benodigde financiële ondersteuning. De invloedrijke Jonas Collin vermoedde Andersens talent en stuurde hem naar een basisschool in de provincie, waar hij als zeventienjarige onbenul moest presteren tussen elfjarige pestkoppen.

Onzeker, eenzaam, depressief, en getreiterd door een autoritair schoolhoofd dat hem «Shakespeare met de verleidelijke blik» noemde, troostte Andersen zich met schrijven in dagboeken en later, tijdens zijn middelbare-schooltijd, met inspirerende bezoeken aan de romantische auteur Ingemann. Daarnaast dichtte hij zijn jeugdherinneringen toverkracht toe. «Als iemand een ‹Digter› kan worden door de gebeurtenissen in zijn jeugd, dan zal ik er zeker een worden», schreef hij in 1823.

In 1827 keerde Andersen terug naar Kopenhagen om zich als Digter te bewijzen. Zijn doorbraak (met De improvisator) zou nog acht jaar op zich laten wachten. Gedurende die jaren van experimenteren en hardnekkige volharding groeide zijn vriendschap met de familie van zijn weldoener (Jonas Collin), voor wiens zoon Edvard (Andersens latere «redacteur») hij heftige, verwarrende gevoelens koesterde. Korte tijd later werd hij verliefd op Riborg Voigt én haar broer Christian, die hij gebruikte om zijn onmogelijke liefde voor Riborg te uiten. Dit soort bevreemdende driehoeksverhoudingen herhaalden zich meermalen in zijn leven. Ook de hartstochtelijke liefde die hij in 1843 voor de wereldberoemde Zweedse zangeres Jenny Lind voelde, groeide dankzij zijn gelijktijdige erotisch geladen homoseksuele affaires. Deze complexe biseksuele relaties, die alle tot dodelijke eenzaamheid, seksuele frustratie, in nerlijke onrust en reislust leidden, gaven Andersen de mogelijkheid zijn emoties te verwoorden in plaats van toe te geven aan zijn seksuele driften en vormden een inspiratiebron voor de 156 sprookjes en verhalen die hij tussen 1835 en 1872 schreef. Sprookjes die gaandeweg veranderden van folkloristische vertellingen in moderne, autobiografische fantasieverhalen.

Van invloed op deze 156 verhalen waren zijn reizen naar Duitsland, Parijs, Zwitserland, Spanje, Rome, Napels, Constantinopel en Engeland en zijn intensieve contacten met Europese vorstenhuizen en beroemdheden als de gebroeders Grimm, Carl Maria von Weber, Franz Liszt en Robert Schumann (wiens echtgenote over Andersen schreef: «Hij is een geestesverschijning, de lelijkste man die op aarde rondloopt»).

Andersom beïnvloedde Andersen tijdens deze reizen zijn artistieke tijdgenoten. Halverwege de negentiende eeuw was hij in heel Europa vermaard, veelgeprezen en een gewilde gast (alleen in Denemarken kreeg hij pas laat in zijn leven erkenning). «I must see Andersen», liet Charles Dickens zijn uitgever weten toen hij vernam dat de Deen in 1847 in Londen was. Ondanks hun gespannen relatie waren Andersen en Dickens zielsverwanten. Beide auteurs sympathiseerden met de underdog en vertelden hun verhalen vanuit de belevingswereld van kinderen. Daarmee liepen ze vooruit op de Gouden Eeuw van Victoriaanse fantasy die kort daarna volgde met onder meer Lewis Carrolls Alice in Wonderland. «In a utilitarian age, it is a matter of grave importance that Fairy Tales should be respected», schreef Dickens in zijn essay Frauds on the Fairies (1853).

Dickens kreeg gehoor. Voor altijd. Andersens sprookjes dwongen en dwingen bewondering en respect af. In tegenstelling tot zijn romans, die volgens de Deense literatuurcriticus Georges Bran des mislukten omdat Andersens mannelijke hoofdpersonen te weinig mannelijkheid tonen en zijn vrouwen niet feminien genoeg zijn. In de wereld der fantasie maakt dit niet uit. «Zijn kracht ligt in het portretteren van kinderen, die nog niet seksueel ontwaakt zijn», schreef Brandes in 1869 over Andersen. «Zijn geheim is zijn exclusiviteit, hij is geen kampioen, zoals vele andere auteurs, geen filosoof, geen vaandeldrager, maar simpelweg een dichter. Een dichter is een man die tegelijkertijd een vrouw is.»

De Digter overleed op 4 augustus 1875. Een eervolle staatsbegrafenis, door geen bloedverwant bijgewoond, volgde.

Een volledige uitgave:

Hans Christian Andersen

Sprookjes en Verhalen

Vertaald door Dr. Annelies van Hees

Lemniscaat, 795 blz., e 24,95