Varken in de schildersbuurt

De brandstichting in het huis van de familie Kösedag in de Haagse Schildersbuurt waarbij de moeder en vijf van de tien kinderen omkwamen, lijkt opgelost. Zoals vaker in zulke gevallen is de toedracht bizar. Een neef van het gezin, altijd al het zwarte schaap van de familie, heeft de wandaad bekend en er lijkt tot nu toe geen concrete aanwijzing te bestaan dat hij het niet op eigen houtje heeft gedaan. De familie is verbijsterd. ‘Het is een groot, slecht varken, een schandvlek van de familie, hij verdient het niet dezelfde achternaam te dragen als zijn neef.’ Dat is alles wat ze er over kunnen zeggen.

Een aanslag waarbij een gezin van twaalf mensen wordt gehalveerd kan nimmer een gelukkige afloop kennen. Toch is er misschien reden voor opluchting dat het geen racistische aanslag was en niet het gevolg van Koerdisch-Turkse of intern-Koerdische spanningen. Misdadigers zullen er altijd zijn, maar systematische terreur van enige zijde is niet te vrezen.
Is het onverstandig geweest dat burgemeester Deetman de mogelijkheid van een racistische aanslag van het begin af aan heeft opengehouden, ook toen daar geen concrete aanwijzing voor bestond en nu blijkt dat daar uiteindelijk geen sprake van is geweest? Ik geloof het niet, Deetman heeft ons aller angst en zorg verwoord en duidelijk gemaakt dat de autoriteiten in elk geval ook deze mogelijkheid niet uitsluiten. Hij heeft daarmee voorkomen dat er een tweespalt zou ontstaan tussen ongeruste buurtbewoners en sussende autoriteiten. Het beeld naar buiten toe deed er niet zozeer toe, wel het menselijke drama en een inspanning de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, zelfs als daarom demonstraties en zelfs feesten verboden moesten worden. Het is van het begin af aan duidelijk geweest dat het politie, justitie en overheid ernst was en dat men zich liever de smaad van de Turkse regering liet aanleunen dan overhaast ontkende dat de mogelijkheid van racistisch geweld in elk geval bestond.
In Duitsland, waar de publieke verontwaardiging niet minder is als het om aanslagen op buitenlanders gaat, lijken de autoriteiten het nog altijd moeilijker te hebben om een menselijke en zorgvuldige houding aan te nemen. Vorige week werd in Lübeck in het proces over de aanslag op een asielzoekershuis van 18 januari 1996 door de openbare aanklagers met zichtbare spijt vrijspraak gevraagd voor de door henzelf gedagvaarde verdachte, een Libanese vluchteling, die zich nota bene in het huis bevond en gewond raakte bij de brand. Het bewijsmateriaal zou volgens de aanklagers onvoldoende zijn, het stigma van de brandstichting werd echter niet weggenomen.
De zaak berustte vooral op een uitspraak die hij in een ziekenauto zou hebben gedaan: ‘Wir waren’s’, had een reddingswerker hem horen zeggen. Vier eerdere verdachten, skinheads uit een nabijgelegen plaats, waren vrijgelaten omdat zij een alibi hadden. Hoe het proces in Lübeck ook afloopt, de bevolking kan vrezen dat de werkelijke daders nooit achter de tralies zullen komen, een reeks branden in de stad - waaronder de synagoge, een kerk en andere objecten, met en zonder slachtoffers - blijven doodgewoon onopgelost. Laten we hopen dat dat Den Haag bespaard blijft.