De zorgen in het nieuwe suburbia

Vast in de Vinexwijk

Leidsche Rijn: op papier een groen walhalla voor jonge gezinnen. Maar na ruim vijftien jaar bouwen ontbreken de winkels, zijn de huizen onverkoopbaar en voelen bewoners zich onveilig.

Het was een mooi plan. Als de bewoners van Leidsche Rijn op zaterdag hun auto wilden wassen, moest dat niet voor de deur, maar op een gezamenlijke wasplaats midden in de wijk. Goed voor het milieu (afvalwater werd centraal opgevangen) en het gemeenschapsgevoel. Tijdens het soppen kon je een praatje met de buurman maken. Om autobezitters te lokken waren water en zeep gratis gemaakt. Het pakte anders uit. Binnen een paar maanden was de wasplaats vernield. Vandalen kregen alle kans: de ­Leidsche Rijners waren er nauwelijks te vinden. Ze hadden de voorkeur hun auto gewoon op de eigen oprit een poetsbeurt te geven.

Deze anekdote gaat over tafel op een vrijdagochtend, thuis bij Bart Beerlage, pvda-raadslid in de gemeente Utrecht en Leidsche ­Rijn-bewoner van het eerste uur. Tussen de geschakelde nieuwbouwwoningen valt het huis van Beerlage direct op: vrijstaand, strakke vormen, veel glas. Gelegen aan de Groenedijk, die een pittoresk watertje omzoomt. Het is een van de weinige plekken die verraadt dat dit stuk Nederland vijftien jaar geleden nog ‘platteland’ was. Beerlage’s verhaal over de autowasplaats illustreert een terugkerend punt in het gesprek: in Leidsche Rijn zijn er ambities genoeg, maar de praktijk is weerbarstig.

Leidsche Rijn is ’s lands grootste Vinexlocatie langs de A2 bij Utrecht. Dertigduizend woningen, tachtigduizend bewoners, bedacht als opvangbekken voor de groeiende bevolking van de Randstad. Architect van deze enclave was de eerste paarse coalitie halverwege de jaren negentig. De Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex) paste goed bij het luchtige optimisme van die tijd. Niet langer opeengepakt wonen in oude stadsdelen, gebouwd naar de woonbehoeften van de twintigste eeuw, maar de vrijheid van een nieuw suburbia in de weilanden. ‘Het dorpse gevoel in een stadse omgeving’ was de gedachte waarmee de huizen werden verkocht. Zo kon de democratische belofte van woningbezit voor iedereen een nieuw tijdperk worden ingeleid.

De gedroomde bewoner van de Vinexwijk was het doorsnee Nederlandse gezin. Hbo-opleiding, een gemiddeld inkomen, genoeg voor een comfortabel leven, maar niet voor uitzinnige luxe. Twee kinderen, anderhalve baan. Een goede school, een ruim huis en een veilige buurt als voornaamste zorg. Kortom: de midden­klasse. Beerlage omschrijft ze als ‘verstandige mensen’. Filosoof Ger Groot drukte het in Christen Democratische Verkenningen wat ­academischer uit. Hij ziet de Vinex als ‘de zichtbare uitdrukking van het gegeneraliseerde midden, dat net zo onweerstaanbaar de bevolkingssamenstelling als de ruimtelijke ordening van het land bestempelt’.

Van meet af aan sprak deze nieuwe woon­ervaring tot de verbeelding. De eerste bewoners zagen zichzelf als pioniers, bezeten van een poldervariant van de Amerikaanse frontier spirit. In intellectuele kringen werd eerder een beetje lacherig gedaan over het kleinburgerlijk geluk van de Vinex. Ook in de kunsten bleek het een dankbaar onderwerp. Zo verbleef schrijver Arnon Grunberg tien dagen ‘embedded’ bij bewoners als onderdeel van het kunstproject Beyond Leidsche Rijn. Het projectverslag ademt de verwachtingen van de nieuwe stad: lyrische tekst over ‘elastische stadsconcepten’, ‘magnetiserende ontwerpopgaves’ en het ontstaan van een moderne metropool ‘zonder de congestie van Manhattan, de chaos van Mexico Stad of de sociale catastrofe van Rio de Janeiro’.

Al die hoogdraverij was mogelijk dankzij een plat economisch principe: stijgende huizenprijzen. Een op hol geslagen woningmarkt was de kurk waar Leidsche Rijn op dreef. De gezinnen die naar deze gloednieuwe woonwijk verhuisden, zochten ruimte en bereikbaarheid, natuurlijk. Maar ze waren vooral op zoek naar een betaalbare woning, waarmee een voet op de eerste sporten van de property ladder kon worden gezet. Het bekende praatje bij de koffie­automaat: ‘Voor het bedrag waarmee je in de stad een driekamerflat krijgt, vind je in Den Haag Ypenburg, Amersfoort Vathorst of Utrecht Leidsche Rijn een heel huis plus tuin.’

De verdere ontwikkeling van de wijk was ook afhankelijk van een booming onroerendgoedmarkt. De gemeente Utrecht had de bouwgrond voor veel geld gekocht van projectontwikkelaars, die op hun beurt weer gekocht hadden van de boeren en tuinders uit de oude dorpen waar de Leidsche Rijn tussendoor slingerde. Met iedere verkoop werd winst gemaakt.

Die geldmolen is nu tot stilstand gekomen, en de gemeente zit met te dure grond. Crisis en recessie hebben de bouw lamgelegd – en dat raakt Leidsche Rijn in het bijzonder. Het aantal nieuw opgeleverde panden is in de afgelopen jaren gedecimeerd. ‘De nieuwbouw ligt volledig stil’, vertelt Dimitri Gilissen, een pragmatisch ingestelde dertiger, wonend aan de grens van Leidsche Rijn, en raadslid namens de vvd. ‘Ontwikkelaars gaan pas bouwen als zeventig, tachtig procent van de woningen is verkocht.’ Hij beziet ontwikkelingen in zijn stadsdeel met enige frustratie maar weet ook: dit valt buiten mijn macht. Meer dan een beetje sleutelen met bestemmingsplannen kan een gemeente niet doen. ‘In de bouwplannen staan nog honderdduizenden vierkante meters met een kantoor­bestemming. Een koper moet nog gevonden worden’, constateert Gilissen zakelijk.

Gilissen kan onomwonden spreken over de moeilijkheden. Zijn partij voert oppositie tegen een college bestaande uit GroenLinks, pvda en d66, dat tegen een financiële strop van minstens zestig miljoen aankijkt. Bovendien krijgt de vvd steun van de bewoners van de Pepermuntstraat, Evenaar, Vuurvlindersingel of andere straten met een fantasierijke naam. De Utrechtse liberalen halen meer dan een kwart van hun stemmen hiervandaan. Wat dat betreft heeft Gilissens collega Beerlage het lastiger. De pvda slaagt er nauwelijks in de Vinex-burger voor zich te winnen. Haar electoraat zit vooral in de wijken rondom de binnenstad. Zowel Gilissen als Beerlage geeft een analyse van de scheidslijnen in de Utrechtse politiek. Gilissen hint op het landelijke succes van de vvd. Beerlage houdt het erop dat in Leidsche Rijn vooral ‘individualistisch ingestelde burgers’ wonen, aan wie de sociaal-democratische agenda van solidariteit en gemeenschapszin minder besteed is. Eén thema waar de vvd in ieder geval mee scoort is veiligheid, volop aanwezig in het lokale verkiezingsprogramma. En dat is opvallend, want volgens de statistieken is Leidsche Rijn het meest veilige stuk Utrecht. Gilissen: ‘Op papier zijn hier relatief weinig problemen, maar het beeld is: in Leidsche Rijn, daar worden krassen op je auto gemaakt. We hebben ook jongerenoverlast. Dat soort zaken zijn niet representatief voor de buurt, maar juist met het beeld moet je wat doen. Je kunt mensen wel om de oren slaan met de cijfers en zeggen: “Er is niks aan de hand”, maar als ze hun wijk als onveilig ervaren, is dat wat telt.’

De bezorgdheid over veiligheid blijkt onder de bewoners diepgeworteld. Het speelt een rol in gesprekken over het lokale verkeersplan (‘is het wel sociaal veilig?’), het behoort tot de speerpunten van de wijkraad, die zich inzet voor ‘de drie V’s’: verkeer, voorzieningen en veiligheid. Het raakt zelfs de huwelijken in de wijk. De Nieuwe Utrechter, een gratis ‘buurtglossy’, adverteert prominent met de ‘houd me vast-relatietherapie’ voor stellen die hun partner ‘niet langer als een baken van veiligheid’ ervaren.

ook de woonzekerheid, raison d’être van Leidsche Rijn, staat op de helling. Veel woningbezitters kijken tegen een stuk restschuld aan als ze erin slagen hun huis te verkopen. Een ongelukkig samenspel van tophypotheek en dalende huizenprijzen. ‘Een gestokte ­wooncarrière is hier eerder regel dan uitzondering’, vertelt Xander Coolen, social media-entrepeneur en voorzitter van de wijkraad. ‘Alles wat je hier ziet is nieuwbouw, gekocht in de jaren vóór de crisis, met het vooruitzicht dat de woning een paar jaar later met winst kon worden verkocht. Dat perspectief is weg.’ Coolen – een monter type met Brabantse tongval, gekleed in bloemetjeshemd en beige jasje – belichaamt het onverwoestbare optimisme van Leidsche Rijn. Behalve voorzitter van de wijkraad is hij een officieuze stadsgids die bezoekers graag een ‘vinexperience’ aanbiedt: een rondgang langs plaatselijke landmarks. Onlangs nam hij pvda-Kamerlid Ahmed Marcouch op sleeptouw. Over een paar weken staat een bezoek van europarlementariër Wim van de Camp (cda) gepland. Van de Camp twitterde laatst vanuit de trein dat hij langs Leidsche Rijn reed, maar niks kon zien. Prompt volgde een uitnodiging van Coolen, aan wie geen tweet over zijn wijk voorbijgaat.

Ook voor de verslaggever van De Groene Amsterdammer heeft Coolen op een vrijdagmiddag de route uitgezet. Hoogtepunten: het Amaliapark (een paar hectare groen midden in de wijk), de huizen rondom het Vasalisplantsoen (nauwelijks van een Hollands dorp anno 1950 te onderscheiden) en hier en daar een knap staaltje moderne architectuur. Het is groen, netjes, maar de rondleiding heeft wat weg van een bezoek aan een filmstudio: huizen, straten, ze voelen als decorstukken. Tijdelijk neergezet om een authentieke stad te suggereren.

Startpunt is ‘de zpot’, een flexwerkplek op de bovenste verdieping van een makelaarskantoor dat toch ruimte overhad. Coolen heeft deze plek uitgekozen omdat wat hem betreft hier de typische Leidsche Rijn-bewoner te vinden is: een freelancer, ondergedompeld in de wereld van sociale media en digitale netwerken. Binnen zit een handjevol mannen te tikken op de laptop, of onderuitgezakt in gemakkelijke fauteuils te vergaderen. De koffieautomaat bromt zonder ophouden. Aan de muur: graffitikunst met de woorden ‘Efficiency sucks’. ‘Leidsche Rijn heeft de grootste zzp-dichtheid van Nederland’, vertelt Frank Verschoor, consultant en oprichter van de flexplek enthousiast. Wat hem betreft gaat het groeiende leger zelfstandigen de gemeenschap ingrijpend veranderen. ‘Wij zijn wat de kerk of Oranjevereniging was in oude steden: een netwerk.’ Merken ze hier iets van de crisis? Minder opdrachten? Te late betaling? Het valt tot nu toe mee, meent Verschoor. Er is in ieder geval één ondernemer die de afgelopen jaren écht een toptijd had: de echtscheidingsmakelaar. ‘Iedereen weet dat het aantal scheidingen hier boven­gemiddeld hoog is.’

Halverwege de dag passeren we het Informatiecentrum Leidsche Rijn, bedoeld om toekomstige bewoners te enthousiasmeren. Binnen staat een enorme maquette van de wijk. De zoveelste illustratie van een stilgevallen woningmarkt: het parkeerterrein voor de deur is leeg. Het type woning waar potentiële kopers naar kwamen kijken – ruim genoeg voor een gezin, met doorgroei­mogelijkheden – is precies het type woning dat lastig bereikbaar is nu banken terughoudend zijn met het verstrekken van een hypotheek. Daarom probeert de gemeente het centrum te verkopen. Omwonenden willen het allerliefst een kroeg of restaurant, zo bleek uit een recent bewonersonderzoek.

Uit de verhalen die Coolen onderweg vertelt, komen de zorgen in dit stuk stad naar voren. De benzineprijs, bijvoorbeeld, is iets wat Leidsche Rijners opnieuw naar hun huishoudboekje doet kijken. Bijna is iedereen is afhankelijk van de auto om op kantoor te komen. Het openbaar vervoer is geen serieus alternatief: er is één klein station vanwaar twee keer per uur een trein naar Utrecht gaat. Nog meer hoofdbrekens betreffen de kinderen, sowieso preoccupatie nummer één in Leidsche Rijn, getuige de buurtkrantjes vol reclame voor verloskundige klinieken. ‘Blijft de kinderopvang betaalbaar? Kunnen mijn kinderen straks naar een goede school? Dát vragen mensen zich hier af’, vertelt Coolen. ‘Mensen weten niet zeker of de toekomst die ze in Leidsche Rijn zochten, daadwerkelijk bestaat.’

Het huis, de kinderen, de auto – het zijn de zaken waar het leven hier om draait. Maar ook: pijlers van het bestaan die steeds minder stabiel zijn. En het frustrerende is: vanuit Leidsche Rijn is er weinig aan te doen. De olieprijs wordt bepaald in het Midden-Oosten, de huizenmarkt in Den Haag. Maar zelfs al zou de oplossing hier liggen, dan was het nog lastig de bevolking op de been te brengen. De gemiddelde Leidsche Rijner leidt een teruggetrokken bestaan. ‘Het is hier net Los Angeles’, grapt gemeenteraadslid Gilissen. ‘Mensen bewegen zich voort in de auto, hun cocon. Er is weinig samenhang.’ Een probleem wil hij het niet noemen: ‘Mensen moeten vooral zelf uitmaken of ze met de buurman willen praten.’ Ook Beerlage constateert dat de bewoners van Leidsche Rijn hun energie vooral besteden aan de eigen woning en het eigen gezin: ‘Ze komen vooral in het geweer als ze ergens tegen zijn.’

Toch kun je de bevolking van Leidsche Rijn geen algehele apathie verwijten, zo blijkt tijdens de bijeenkomst van de wijkraad eerder in de week. Op een woensdagavond verzamelt zich een klein groepje in een zaaltje achter hamburgertent De Burgerij. Binnenkort moeten ze uitwijken naar een andere locatie omdat het restaurant de deuren sluit, zo vermeldt een briefje aan de deur. Binnen gaan de gesprekken over zwangerschap op late leeftijd en de voedselbank die onlangs is gestart. Na een tweede rondje koffie bediscussieert een gezelschap, gezeten op vurenhouten banken met paarse kussens, het onderwerp van de avond: een nieuwe fietsbrug over de A2 richting binnenstad. Er is een probleem: de nieuwe fietsroute voert recht door Oog-in-Al, een jaren-dertigwijk in het westen van Utrecht. De bewoners daar kijken argwanend naar de plannen. Ze zitten eigenlijk niet te wachten op al die fietsers. ‘Dan zijn ze ook niet welkom in ons nieuwe ziekenhuis’, roept een van de aanwezigen lachend.

Het illustreert een slepend probleem: de belangen van de oude stad Utrecht en haar jongere zusje lopen nogal uit elkaar. Zo vrezen ondernemers in de binnenstad een uittocht van winkelend publiek als de shop-ervaring in Leidsche Rijn te aantrekkelijk wordt. Ze zijn erbij gebaat dat er géén groot winkelcentrum of megabioscoop naar Leidsche Rijn komt, tot ergernis van Coolen. ‘We zijn een melkkoe voor de stad. Hier is het geld verdiend met grondverkoop, maar we krijgen er weinig voor terug’, zegt hij tijdens de autorit. ‘Het versterkt de zorgen over de toekomst van deze prachtige wijk.’

Om zijn punt duidelijk te maken heeft Coolen een stop gepland in Terwijde, het noordelijke deel van Leidsche Rijn. Daar bevindt zich de enige Albert Heijn in de omgeving, gehuisvest in een prefab-bungalow. Op de parkeerplaats: een handvol marktkramen waar kleding, groenten en ‘de lekkerste olijven ter wereld’ (dixit Coolen) worden verkocht. ‘De mensen snakken naar een echte markt op een vaste plek, waar ze een band met de kooplui kunnen opbouwen. En naar een fatsoenlijke supermarkt’, benadrukt hij. Tegelijk weet iedereen: grote bouwprojecten zijn voorlopig van de baan. Onlangs liet de gemeenteraad weten dat de bouw van Leidsche Rijn Centrum, een combinatie van winkels, woningen en culturele voorzieningen, opnieuw wordt uitgesteld.

Toch is er te midden van de afkalvende zekerheid één ding waar de Vinexbewoners zich aan vast kunnen houden: de boodschap dat zij de stadmens van de toekomst zijn. Dat optimisme sprak uit de eerste Vinex-nota’s, twintig jaar geleden, en lijkt nauwelijks bekoeld. Nog steeds reppen de glossy brochures over ‘het samen­komen van cultuur en natuur’, ‘Utrechts tweede centrum’ en ‘wonen in een karakteristieke omgeving’. Ook Coolen is niet van zijn stuk te brengen. Hij eindigt zijn rondleiding op het dak van The Wall, een kilometerlange winkelgalerij die de woonwijk afschermt van het geraas van de snelweg A2. Het merendeel van de winkelruimtes wacht op een huurder. Bovenop bevindt zich de langste parkeerplaats van Nederland die een weids uitzicht biedt over daken van de lappen nieuwbouw. Coolen loopt naar de rand en maakt een breed armgebaar. ‘Hier woont de nieuwe mens.’