Interview met vervelingsfilosoof Awee Prins

Vast in het hiernogmaals

Niet angst maar verveling is de grondstemming van onze tijd, meent filosoof en ervaringsdeskundige Awee Prins. Hij bepleit een ‘lof der alledaagsheid’.

Ze besluipt je op matte feestjes, verplichte etentjes-met-partners-van-kennissen of gewoon op zo’n dag dat je nergens voldoende energie voor hebt behalve om voor de televisie of computer te hangen. De verveling is wel een ‘ongeluk bij een geluk’ genoemd en Awee Prins kan erover meepraten. De aan de Erasmus Universiteit verbonden filosoof en onderwijsdirecteur heeft van jongs af aan gekampt met het fenomeen waarop hij afgelopen week promoveerde. ‘Ik merk dat ik me spoed van vergadering naar vergadering, van vermaakje naar vermaakje. En op zondag voor de tv. Eerst Buitenhof, dan uit beleefdheid zo’n film uit Iran waarin iemand met een emmer water drie uur lang over een zandvlakte loopt. Aan het eind van de avond merk ik dat ik weer die hele dag heb zitten wegzappen.’ Zijn lijvige proefschrift Uit verveling is behalve een filosofische bespiegeling over het fenomeen dan ook een autobiografische ‘Kroniek van een verveeld leven’. ‘Laat ik bij het begin beginnen. Ik heb mij altijd verveeld’, begint Prins zijn boek. ‘Natuurlijk heb ik mij, als ieder ander, verveeld op de verregende woensdagmiddagen van mijn jeugd en op die eindeloze zondagen in augustus, met éénmotorige vliegtuigjes langs een wolkenloze hemel boven de buitenwijken van Nergenshuizen-noord. (…) Een heel andere zaak is het, wanneer de verveling zich als een ongenode maar vastbesloten blijvende gast in een mensenleven vestigt. Ik ben één van die geplaagde gastheren.’

Eenmaal op kamers, bij het verslinden van de wereldliteratuur, ontdekt Prins tot zijn geruststelling dat hij zich als lamlendige in uitstekend gezelschap bevindt. Vooral de Russen kunnen er wat van. ‘Oblomow wilde uit zijn stoel opstaan, maar zijn voet vond niet onmiddellijk zijn slof en hij ging weer zitten’, schrijft Gontsjarov. ‘Wat zalig als je arbeider kon zijn’, roept Tsjechovs Irina uit. ‘Of liever God nee, niet eens een mens, desnoods gewoon maar een trekos, of een paard, als je maar werken kunt…’ Wanneer een ander literair figuur van hem, Platonov, van een vrouw te horen krijgt dat zij bereid is alles op te offeren om met hem een nieuw leven te beginnen, merkt hij droogjes op: ‘Ik heb geen nieuw leven nodig – ik weet niet eens wat ik met het oude moet!’

Bij schrijvers uit andere landen en tijden is het van hetzelfde laken een pak. ‘Ik heb zelfs geen zin om mij zelf te doden: het is te vervelend!’ roept Büchners Lenz uit. En Pascal beschrijft treffend: ‘We streven naar een rustig leven door te strijden tegen het een of andere dat dit in de weg staat, en als we het uit de weg geruimd hebben wordt de rust ondraaglijk door de verveling die zij veroorzaakt.’

In de Russische klassiekers is de verveling een ziekte van de welgestelde klasse. Van ellende lummelt die maar wat rond in de salons om zich te beklagen over haar toestand. Ook in andere periodes treft de verveling vooral die mensen met wie het ogenschijnlijk goed gaat, vertelt Prins achter zijn bureau op de vijfde verdieping van het flatgebouw waar de faculteit der wijsbegeerte zetelt: ‘Aan de ene kant heb je de rijke mensen. Romeinen die naar hun buitenhuis in Tibur verlangen en eenmaal in het buitenhuis meteen weer terug willen naar de hectiek van het Colosseum. Maar ook mensen met wie het relatief goed gaat in spiritueel opzicht, gelovige mensen, kampen met verveling. De middeleeuwse monniken hielden het niet uit in hun klooster. Dat ora et labora is echt bedoeld om de kloosterverveling tegen te gaan. En daar hebben we gelukkig ook het trappistenbier aan te danken.’

Verveling is dus van alle tijden. Er bestaat zelfs een theorie over de prehistorische Paleo-Weltschmerz, die beweert dat de dinosaurussen zijn uitgestorven door verveling.

Maar pas in onze tijd is de verveling werkelijk alomtegenwoordig, denkt Prins, zij het dat uit onderzoek blijkt dat mannen er vatbaarder voor zijn dan vrouwen. ‘Die twee motieven, rijkdom en het onvermogen om spirituele kracht vast te houden, zie ik in de twintigste eeuw in een extreme vorm terug. Denk aan het enorme consumentisme, bijvoorbeeld op zondag in de koopgoot hier in Rotterdam. Dat is volledig geseculariseerde en gedemocratiseerde verveling. Het tweede punt, de spiritualiteit, uit zich in de behoefte aan zingeving. Dat woord alleen al is ellendig. In feite zeg je dat er geen zin is en wij het er daarom maar aan moeten geven.’ De uitingen hiervan zijn alom zichtbaar. ‘Ik zie mensen die voortdurend van het ene interessante naar het andere springen. Kijk naar de catalogi voor vakanties. “Op dit goed geoutilleerde complex zult u zich geen moment vervelen.” Dat zijn allemaal _verneinungs-_signalen. Het inter-esse, het werkelijk verwijlen bij de dingen, blijft ondertussen uit.’

Om de verveling het hoofd te bieden, de tijd te ‘verdrijven’ en het bestaan zin te geven, zoeken we wanhopig naar een panacee. Tevergeefs, meent Prins. ‘Die levenskunsthausse, nieuwe vormen van spiritualiteit, zentechnieken integreren in bedrijfsculturen: ik denk dat het allemaal hopeloze strategieën zijn om de verborgen verveling te bedekken. Er zijn zelfs faculteiten van vrijetijdsstudies. De grootste verworvenheid van de westerse cultuur is vrije tijd en we weten ons er geen raad mee!’

‘Ik geef toe’, vervolgt hij, ‘ik doe aan hyperbolische fenomenologie. Ik chargeer om iets aan de orde te stellen. Maar toch, wij zijn de homo zappens geworden. Dat geldt ook voor die vermeende angst. We springen van de ene terreuraanslag naar de andere. Denk aan al dat breaking news. De hele dag door maar de indruk wekken dat er overal in de wereld wat gebeurt. We zijn verslaafd aan hectische ervaringen, bungeejumpen of nemen drugs als cocaïne, speed of xtc. Onder dat alles zit verveling.’ Zoals John Lennon het samenvatte: ‘There’s always something happening, but nothing going on.’

De centrale these van Prins is dan ook dat niet de angst, maar de verveling de grondstemming van onze tijd is. Dat is zeker na 9/11 een opmerkelijke stelling. Door haar krampachtig te verdrijven met lange reizen, spannende sporten of drugs zouden we de verveling alleen maar bevestigen. Zulk groots en meeslepend leven eindigt volgens Prins enkel in spektakelzucht. De oplossing ligt daarom niet in het wegvluchten voor de verveling, maar in het doorstaan hiervan. De filosoof pleit voor een ‘lof der alledaagsheid’.

Ter onderbouwing leunt hij zwaar op het werk van Martin Heidegger, al zegt Prins in zijn voorwoord niet uitsluitend te willen ‘heideggeren’: ‘Niet alleen maar na-wauwelend rond te banjeren in de afgedragen pakken van de meester.’ Het westerse denken bevindt zich volgens Heidegger in een ‘tussentijd’. We komen ‘te laat voor de goden en te vroeg voor het zijn’. Van de filosofie tot de meest alledaagse bezigheden: wij mensen zijn ons werkelijke, sterfelijke ‘zijn’ vergeten. Het gevolg: ‘Na de afschaffing van het Hiernamaals zijn wij beland in een eindeloos “Hiernogmaals”. Die periode wordt gekenmerkt door een intens gevoel van zinloosheid, van verveling, van nihilisme.’

Awee Prins: ‘Wij zijn inmiddels blij dat het leven geen zin heeft. Het biedt ons de gelegenheid om vrijblijvend van de ene positie naar de andere over te stappen, de ene wereldbeschouwing welgemoed in te ruilen voor een andere, zolang als dat duurt.’

Centraal in deze nihilistische epoche staat de techniek. Zij kenmerkt zich door het reusachtige, de machinatie, de versnelling en door de verwording van de ervaring tot beleving en ontluistering. Kortom: door vervreemding, door Heidegger ‘zijnsverlatenheid’ genoemd. Maar hoe rottig ook, juist de verveling kan ons uit die erbarmelijke toestand helpen. Niet door haar te ontwijken door middel van loze bedrijvigheid, maar door de verveling te ‘doorleven’. In de diepe verveling, in de totale impasse, toont zich volgens Heidegger de mogelijkheid van een omslag. Pas dan zien we hoe het leven er ook uit zou kunnen zien, krijgen we een indruk van een werkelijk ‘zijn’.

Daarvoor moet wel de vervreemding worden opgeheven. Dat kan bereikt worden door een andere omgang met de wereld om ons heen, met de dingen, denkt Prins in navolging van Heidegger. ‘Vanuit de techniek, in de consumptie en ook in de filosofie vindt een voortdurende overval plaats op de dingen. We beschrijven de dingen als stof en vorm, schaduwen van ideeën. Maar ik vraag me af of we hun zelfstandigheid, de dingen als dingen niet helemaal uit het oog verloren zijn.’ In plaats van bijvoorbeeld water enkel als energiebron of iets om te drinken te beschouwen, zouden we het water ook als water moeten zien. Dat is wat Prins ‘dingpolitiek’ noemt. Het is het contrapunt van de huidige berekenende en indelende Realpolitik, waarin alles maar een functie en nut moet hebben. ‘Wij moeten “goede buren” van de dingen worden’, schrijft hij, ‘geen intimi of boezemvrienden en zeker geen sentimentele dwepers.’

Het klinkt verdacht veel als de door dezelfde Heidegger gehekelde cultuurkritiek, het genre van zure pessimisten en technofoben dat zich ook in het Nederland van na Fortuyn in een zekere populariteit mag verheugen. Prins erkent dat. ‘Ik heb overwogen om een nawoord te schrijven onder het pseudoniem W.A. de Koning. Een vernietigend weerwoord: “Pleidooi voor een rimpelloos bestaan”. Wat is er mis met gewoon lekker leven? Je natje en je droogje, een beetje drugs, niet te veel. Aan het einde een pijnloze, zachte dood. Gewoon genieten, wat is daar verkeerd aan? Maar toch. Dan neem je je leven niet ter hand. Neem zo’n programma als MTV Cribs. Dat gaat grof gezegd over rijk geworden hiphoppers die je door hun huis rondleiden. Dan zie ik alleen maar pracht en praal, geen plek waar geleefd wordt. Het grote probleem met mensen die alles hebben, is dat ze zich gaan vervelen.’

Dat laat onverlet dat bij Heidegger, net als bij de cultuurpessimisten, allerlei technologische ontwikkelingen als schaalvergroting, versnelling en commodificering gepresenteerd worden als een soort natuurrampen die ons eenvoudigweg overkomen. Van de economische en politieke logica waarbinnen deze ontstaan wordt niet gerept. De oplossing is dan enkel een ‘anders denken’. Maar is dat voldoende? Een ziekenhuisdirecteur kan best walgen van de schaalvergroting en het feit dat hij in ‘bedden’ rekent in plaats van dat hij over patiënten praat. Desondanks zit hij vast in een zorgstelsel dat hem daar via de marktwerking toe dwingt.

Toch zou Prins al blij zijn met een beetje bewustwording. ‘Het kan zijn dat bijvoorbeeld die ziekenhuisdirecteur dit leest. Dat wil niet zeggen dat de man tot inkeer komt en meteen zijn baan opgeeft – hoewel ik een keer een managementcursus voor ziekenhuisdirecteuren heb gegeven waar van de achttien directeuren er vier ontslag hebben genomen. Maar inderdaad, dit is een discussie die door heel veel partijen moet worden aangegaan. En ik moet daarbij toegeven dat zoals Heidegger apolitiek was, ik de economische inzichten van een zeeanemoon heb. En toch. Ik zeg hier ook tegen mijn studenten: “Ik wil jullie graag zien als jonge mensen op zoek naar Bildung. Maar weet je hoe ik jullie moet zien? Gewoon doorstroom, rendement.”’

Eigenlijk is de door hem voorgestelde dingpolitiek een vorm van praktisch idealisme. Hoe dat er precies uitziet? ‘Als jij in een tram of de metro zit en je kijkt naar een in elkaar gerolde junk die jouw kind had kunnen zijn. Laat dat tot je doordringen. Of er zit een kind in lijn 4 die denkt dat ze op wereldreis is en je bent daardoor geroerd; je kunt even een blik van verstandhouding uitwisselen. Het gaat om geduldig leven. Besef dat geluk een toegift is. De deur van het geluk gaat niet van binnen open, dan kun je duwen, duwen en nog eens duwen.’

We moeten de tijdelijkheid weer omarmen, stelt Prins verder. En natuurlijk zorgvuldiger omgaan met de dingen. ‘Als er mensen zijn die zeggen dat dieren rechten hebben, nou, ik zou best nog wel eens willen bepleiten dat dingen ook rechten hebben.’

Aandacht voor de dingen en bewust leven, het riekt naar hippies of new age. Dat is niet de bedoeling van Prins. ‘Ik zit hier niet om de wereld te verbeteren. En ik wil helemaal niet terug naar de tijd van mensen die altijd in dezelfde kleren lopen. Het is wat Heidegger het ja en nee tegen de techniek noemt. Het ja dat we onvermijdelijk van die techniek gebruikmaken. Ik van de niersteenvergruizer of wanneer ik met een vliegtuig op vakantie ga naar Griekenland. Maar het nee tegen de techniek in die zin dat de technische verhouding tot de dingen niet de enige is.’

Dat is niet hetzelfde als aanhangers van slow en onthaasting beweren. ‘Die slow-beweging vertrouw ik niet in alle opzichten. Zelfs de onthaasting is tegenwoordig een modus van de versnelling. We moeten weer iets langzamer worden, is het idee, dan kunnen we daarna harder werken. Een sabbatical of een time out is alleen bedoeld om weer op krachten te komen, om vervolgens zo fit en flexwerkerig mogelijk de wereld in te kunnen.’

En de filosoof zelf? Is hij via de dingpolitiek en door de verveling te doorstaan haar te boven gekomen? Niet echt, zo bekent hij in zijn boek, om vervolgens ter verdediging Epicurus, prediker van matigheid, aan te halen. Toen die eens stevig zat te tafelen, verdedigde hij zich met de woorden: ‘Moet de wegwijzer die naar Rome wijst, ook zelf naar Rome reizen?’

Awee Prins, Uit verveling. Klement, 438 blz.,

€ 34,95

…………………………………………………………………………………………………………………….. I’m a lazy sod!

LONDEN – Dit artikel is geschreven in de tijd van de baas, gebruikmakend van diens computer, printer en koffiezetapparaat. Het ‘slacken’ gaf me genoeg energie om de rest van de dag door te ploeteren met het amper noemenswaardige kantoorwerk waarmee ik wat ponden bijverdien. Dit journalistieke intermezzo kende de duur van een lunch die m’n Franse collega’s dagelijks nemen. Een uurtje of drie.

De Engelsen, dol op eindeloze werkweken, drijven graag de spot met het Franse arbeidsethos, dat gebaseerd is op travailler moins, produire plus.

Deze paradox vindt echter gehoor bij Tom Hodgkinson, hoofdredacteur van The Idler, een onregelmatig verschijnend magazine voor vrijheid, lol en de kunst van het nietsdoen. Het periodiek, waarvan de slak (een Gallische delicatesse) het symbool is, doet denken aan de geschriften van de slow-beweging, een reactie op de ratrace waarin de westerse mens verwikkeld is geraakt. ‘We zijn erg traag’, waarschuwt Hodgkinson hen die een exemplaar willen nabestellen. E-mails worden niet beantwoord. Een redactioneel telefoonnummer is al jaren op komst.

The Idler toont aan hoe interessant het leven voorbij de calvi-kapitalistische werkethiek is, ja, dat het einde van de westerse beschaving niet aanstaande is wanneer mensen vijftien uur per week gaan werken, waar mogelijk voor zichzelf. Hodgkinson zegt liever terug te vallen op het ‘eet, drink, heb lol; morgen kunnen we dood zijn’ uit het bijbelboek Prediker. En natuurlijk op grote geesten als Dr. Johnson, Alfred Jarry en Oscar Wilde, die geen van allen gecharmeerd waren van de loonarbeid. ‘Werk is de vloek van de drinkende klasse’, meende laatstgenoemde bijvoorbeeld.

In The Idler wordt getwijfeld aan het nut van de meeste vormen van betaalde arbeid. Ter illustratie wordt in het speciale Idler Book of Crap Jobs het bestaan belicht van de Door-to-Door Aerial Photograph Salesman, de Plastic Tray Checker en de Breeding Facility Sanitation Officer (legbatterijschoonmaker). Dat minder werken niet alleen een zegen is voor de mens, maar ook voor Gaia, valt te lezen in de milieuspecial getiteld How to Save the World Without Really Trying? Wie niets doet, laat immers geen spoor van milieuvervuiling achter. De uitgave bevat ook tips voor het verminderen van waterverbruik (urineer eens in de achtertuin!), het vermijden van de Ikea (maak een avondwandeling langs het grofvuil) en het winnen van 21 dagen per jaar (doe de televisie het raam uit).

Graag wijzen de ‘niksnutten’ erop dat lummelen in het verleden tot grote dingen heeft geleid. Heeft Archimedes de hydrostatische beginselen niet in bad bedacht? Wat deed Newton toen hij een appel zag vallen? Hoe laat stond Descartes elke dag op? Verwierf Einstein z’n inzichten niet tijdens dagdromerij? Waar schreef Marcel Proust zijn oeuvre? Waarom is Garfield zo geliefd? Ja, merkte Winston Churchill niet op dat alleen idioten zonder verbeelding beweren dat je minder werk verzet als je de middag benut om te slapen?

Dat het nog niet meevalt om idleriaans te leven, blijkt uit de miljoenen zielen die zonder betaald werk aan het infuus van sociale zaken liggen en wonen in gemeenteflats met treffende namen als Holiday Court, welke uitzicht bieden op bomen waarin geen bladeren maar vuilniszakken hangen. Dit ‘ledige’ bestaan leidt niet zelden tot depressiviteit. Het is namelijk een hele kunst om te genieten van de kleine geneugten in het leven, schrijft Hodgkinson, zoals het snoeien van de madeliefjes, het rondsnuffelen in tweedehands-boekenwinkels en het bestuderen van de musjes in het vogelhokje.

De authentieke idler leeft bovendien als een bohémien, die in zijn strijd om vrijheid niet afhankelijk wenst te zijn van belastinggeld. Naast het uitbrengen van The Idler en het bouwen van boomhutten voor zijn zoontje, geeft Hodgkinson dan ook seminars en lezingen en verkoopt hij rond Kerstmis speciale Idler-shirts, die doorgaans pas in het nieuwe jaar worden afgeleverd. Uiteindelijk leidt een professionele idler een hectisch bestaan.

PATRICK VAN IJZENDOORN