Vast in het spiegelpaleis

Met haar boek Aanvulling op het leven van Barbara Loden reflecteert Nathalie Léger op het leven van de actrice. Bijzonder, maar toch ontbreekt er iets.

Barbara Loden in de film Wanda, 1971 © TCD / Prod.DB / Alamy Stock

De Amerikaanse actrice Barbara Loden (1932-1980) speelde haar bekendste rol in Splendor in the Grass (1961) van Elia Kazan, de meer dan twintig jaar oudere regisseur met wie Loden toen al een paar jaar een aan-uit aan-uit affaire had en met wie ze, in 1967, zou trouwen. Kazan was ook degene die Loden regisseerde bij haar hoofdrol in het toneelstuk After the Fall, waarvoor ze een Tony Award ontving. Maar met Lodens belangrijkste wapenfeit, Wanda, de film die ze in 1970 schreef en regisseerde, had Kazan helemaal niets van doen. Wanda, waarin Loden tevens de titelrol speelde, werd geselecteerd voor Cannes en won een prijs in Venetië, maar was in de Verenigde Staten destijds nauwelijks te zien. Inmiddels geldt de film als een klassieker, en Loden als pionier van de onafhankelijke cinema. Het zou bij die ene film blijven: in 1980 overleed Loden aan uitgezaaide borstkanker, op 48-jarige leeftijd.

Aanvulling op het leven van Barbara Loden, het boek, of eigenlijk boekje, dat Nathalie Léger over Loden schreef, laat zich nog het best omschrijven als een uit de hand gelopen essay. In Frankrijk verscheen het al in 2012, in 2016 kwam er een Engelse vertaling uit die het de reputatie van een geheimtip gaf, een pareltje, een ‘briljant boekje’, aldus Valeria Luiselli op de achterflap, en nu is er ook een Nederlandse vertaling, met op het omslag een illustratie van Loden in de rol van Wanda. Passend, want net zo goed als over Loden gaat het essay over WandaWanda de film en Wanda het personage. Net zo goed als een biografie is Aanvulling een essay over acteren, over je laten regisseren, over het spelen van rollen. Over vrouw-zijn, over actrice-zijn, over geliefde-zijn. Bovendien is het een boek over het schrijven zelf.

Léger schreef Aanvulling oorspronkelijk in opdracht, als lemma voor een filmlexicon. Maar Loden bleek zich niet in een paar regels te laten vangen. Léger: ‘Alsjeblieft, schrijf een lemma voor me, geen zelfportret, vroeg de redacteur me. (Ik vroeg) me af of alle schrijvers van lemma’s zich net als ik bezighielden met de samenloop van omstandigheden. Ik legde de redacteur uit dat ik de hele Wanda en de hele Barbara Loden in het lemma een plek wilde geven – er de onmogelijke waarheid en het niet te beschrijven object een plaats in wilde geven (…) Hij leek opgelucht toen ik zei dat ik opstapte.’

De vraag wie Barbara Loden was, de vraag waar alles mee begonnen is, blijkt tot méér vragen te leiden. Maar die vragen hebben eigenlijk niet zoveel met Loden zelf te maken, en meer met het vragen stellen zelf. Een passage die met een min of meer keurig rijtje feitelijke informatie begint – geboorte, filmografie, huwelijk, voortijdige dood – mondt uit in deze mijmering: ‘Hoe haar te beschrijven, hoe iemand durven te beschrijven die je niet kent? Je leest getuigenissen, je bekijkt foto’s, je eigent je een vreemd gezicht toe, ontrukt het even aan de vergetelheid’, waarna Léger zich verliest in het beschrijven van het beschrijven zelf, inclusief voorbeelden uit de literatuur. Tien zinnen na het noemen van Lodens geboortejaar is Léger in haar boekenkast aan het zoeken naar de passage waarin Sebald Swinburne beschrijft. Een andere passage begint met Légers vogelperspectief op zichzelf: ‘Ik probeerde steeds zo objectief en zorgvuldig mogelijk te blijven. Te beschrijven, alleen maar te beschrijven.’ Maar als Aanvulling iets níet is, dan is het objectief. Léger selecteert, dramatiseert, benadrukt, zoomt in. Ze observeert niet; ze interpreteert.

Voor Wanda baseerde Barbara Loden zich deels op haar eigen leven en deels op een nieuwsberichtje over een vrouw die, nadat ze was veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan een bankoverval, de rechter bedankte voor het vonnis. Het resulteerde in een kale film over een vrouw die haar gezin in de steek laat om zwervend door het leven te gaan. Wanda is passief en ondoorgrondelijk. Ze lijkt zich te laten meevoeren door het toeval. ‘Resumerend’, schrijft Léger. ‘Een vrouw doet alsof ze een andere vrouw is in een rol die ze zelf schreef, gebaseerd op een andere vrouw (…), ze speelt niet zichzelf maar de projectie van zichzelf in een andere vrouw, die door haar wordt gespeeld, maar die gebaseerd is op een andere vrouw.’ Steeds laat Léger zien dat ze vooral is geïntrigeerd door dat spiegelpaleis-aspect van Lodens leven, door Loden de actrice, die steeds de rol speelde van de vrouw die een rol speelt.

Het voelt alsof Léger niet voorbij het glimmende oppervlak komt

De meest veelzeggende rol in Lodens oeuvre is wat dat betreft die prijswinnende hoofdrol in After the Fall, het toneelstuk dat Arthur Miller schreef om af te rekenen met zijn (inmiddels dode) ex: Marilyn Monroe. Geregisseerd door haar eigen geliefde speelde Loden een fictieve versie van Monroe, en trok daarmee precies zo’n spiegelpaleis op, vol reflecties van willoze vrouwen en de mannen die hen interpreteerden. Ook Léger vult haar essay met rollenspellen, mannenblikken en dubbelgangers, en schetst daarmee het beeld van een vrouw die niets liever wilde dan ingevuld worden; die niets liever wilde dan dat iemand anders, een man, haar betekenis toekende. De ultieme actrice. ‘Barbara Loden laat via Wanda maar één ding zien: een vrouw als de vrouw ten voeten uit, niet inschikkelijk, niet minzaam, niet fataal, niet spottend, bepalend of gevaarlijk, maar afwezig, onvatbaar, wegduikend, conflicten mijdend of verhullend, verhullend verdriet te hebben en afgedankt te zijn, veinzend om te kunnen ontsnappen. Een vrouw ten voeten uit, een actrice.’

Loden is kortom een leeg canvas waarop telkens iets anders wordt geprojecteerd, ook door Léger. En intussen verandert ook de tekst zelf constant van vorm: feit gaat over in fictie, reportage transformeert in anekdote, memoires worden gelardeerd met beschrijvingen van Wanda, Légers eigen bespiegelingen worden afgewisseld met gesprekken met anderen. Echt en niet echt vloeien natuurlijk in elkaar over, zoals ook Loden samenviel met haar rollen – of zo wil Léger ons althans doen geloven. Het maakt Aanvulling tot een uniek boek, vol prachtige zinnen en observaties. In één alinea kan Léger een scène uit Wanda zowel beschrijven als beschouwen, waarmee ze leven blaast in zoiets eenvoudigs als het interieur van een eetcafé of de gordijnen van een hotelkamer. En toch mis ik iets. Toch voelt het alsof Léger zo gefascineerd is door dat spiegelpaleis dat ze niet voorbij de reflecties komt, voorbij het glimmende oppervlak. Waarom zou je alleen stellen dat je achter de façade van een vrouw wil kijken (‘Hoe haar te beschrijven?’) zonder het ook daadwerkelijk te doen?

Het is een interessant spel dat Léger speelt. Ze neemt afstand, beziet zichzelf, keert het verhaal zelf binnenstebuiten, laat alles samenkomen: vorm en inhoud, onderwerp en schrijver, feit en fictie, laag op laag stapelend als bij spekkoek. Maar is het experiment niet een al te makkelijke uitweg uit een ingewikkelde opdracht: schrijven over iemand die zich niet laat kennen? Dit boek vol uitzinnige terzijdes, waarin Légers eigen moeder opduikt om Wanda met de blik van een leek te bekritiseren, en waarin in het Houdini Museum een fictieve ontmoeting plaatsvindt met honkbalspeler Mickey Mantle, die hardop filosofeert over hoe moeilijk het is om de baan van een bal te beschrijven, is ontegenzeggelijk intrigerend en spannend. Maar omdat Léger zo overduidelijk meer geïnteresseerd is in haar eigen reconstructie en verbeeldingskracht dan in Loden, is het uiteindelijk ook nogal pijnlijk.

Léger citeert Loden: ‘Ik was niets. Ik had geen vrienden. Geen talent. Ik was een schim.’ De Loden die uit Aanvulling naar voren komt, lijkt inderdaad op de vrouwen die ze speelde: tragisch, passief, afhankelijk. Ze lijkt op de Wanda die werd geschetst in de kritiek die (vooral vrouwelijke) filmcritici en feministen destijds op de film hadden: het titelpersonage zou te zeer een slachtoffer zijn. Léger: ‘Ze zagen Wanda als een besluiteloze vrouw, een onderworpene (…). Niets.’ En inderdaad, Loden worstelde met haar zelfbeeld en eigenwaarde. Inderdaad, met Wanda portretteerde ze op schrijnende wijze een verloren vrouw. Maar ze máákte die film wel, puur op wilskracht, met amper budget en zonder filmstudio achter zich – destijds een heel nieuwe manier van het produceren van films.

Wat ik ook mis, in zowel de kritiek op Wanda als in Légers essay: Wanda is óók een heel geestige film, eerder een tragikomedie dan puur drama. Lodens invulling van het titelpersonage is daarbij ijzersterk: gelaagd, interessant, levensecht. En grappig dus. Ze toont Wanda’s passiviteit niet alleen, ze maakt er een punchline van. Als Wanda op zeker moment een café binnen slentert, negeert ze de barman die haar probeert duidelijk te maken dat de zaak gesloten is. Halverwege de scène realiseert de kijker zich dat de barman in feite een overvaller is, die net de kassa aan het leeghalen is terwijl de echte barman geboeid en gekneveld in een hoekje zit. Maar Wanda heeft niets door. Ze ploft neer op een kruk en bestelt een drankje. Dat ze uiteindelijk samen met de overvaller het café verlaat, dat ze zijn geliefde wordt en betrokken raakt bij zijn plan om een bank te overvallen, is zo willekeurig dat het gelijktijdig hartverscheurend en hilarisch is.

Het zijn paradoxen als deze, in Lodens werk en in haar leven, die nieuwsgierig maken naar een essay dat Lodens leven niet alleen aanvult, maar ook uitdiept.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.