Syrië en Irak

Vast in niemandsland

4 september 2013 - Door de burgeroorlog in Syrië is ook het geweld in Irak erg toegenomen. Deze zomer was de bloedigste in vijf jaar. Een diepzwarte toekomst dreigt voor de twee landen. Zijn er nog alternatieven? Een verslag vanaf de grens tussen Syrië en Irak.

Medium rtx12quaweek36

De 27-jarige Youssif ijsbeert over de stoep in het plaatsje Sumel dicht bij de Iraakse grens. Hij draagt een hip zwart-wit gestreept overhemd en zwart-wit geruite broek. Youssif tuurt over straat. Het kantoor van de grenspolitie ligt aan de andere kant van de drukke, zonovergoten weg, in een zijstraat die heuvelopwaarts loopt. Vijf maanden geleden vluchtte Youssif vanuit Aleppo naar Irak. Vandaag is hij terug om zijn jongere broer op te halen. Maar zal het hem lukken om Ibrahim de grens over te krijgen?

Syrië en Irak delen zo’n duizend kilometer grens in woestijnachtig, dunbevolkt gebied. Beide landen worden bevolkt door sjiieten, soennieten en Koerden. De grens is poreus, al sinds de val van Saddam worden er over en weer wapens en mankracht de grens over gesmokkeld. Hard bewijs daarvoor vonden de Amerikanen in 2007 in het grensplaatsje Sinjar, ter hoogte van Mosul: ze stuitten er op de administratie van bijna zevenhonderd zelfmoordterroristen van al-Qaeda, de Sinjar-records. Bij de grensovergang registreerden zich wannabe zelfmoordterroristen uit het hele Midden-Oosten. In de nauwkeurig bijgehouden administratie is terug te vinden hoeveel geld ze meebrachten (één op de drie deed een donatie, meestal een paar honderd dollar), welke nationaliteit ze hadden (41 procent kwam uit Saoedi-Arabië), hun opleiding en beroep (43 procent noemde zich student) en leeftijd (gemiddeld 24 jaar).

In de sektarische burgeroorlog die na de Amerikaanse invasie uitbrak, kwamen gemiddeld zo’n 2500 Iraakse burgers per maand om. Het geweld nam pas af toen de soennieten zich in 2006 tegen al-Qaeda keerden en besloten mee te doen met het politieke proces. Eind vorig jaar stierven er gemiddeld nog 250 burgers per maand, volgens de onafhankelijke website Iraqi Body Count. Maar sinds het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië neemt ook het geweld in Irak weer toe. Juli was met rond de duizend doden de bloedigste maand in vijf jaar tijd. Half juli ontplofte een bom in een café in Kirkuk en doodde 39 jongens. Op 6 augustus kwamen vijftig Irakezen om bij een serie aanslagen in Bagdad, drie dagen later bij negen bomontploffingen verspreid over het land nog eens 77. Terroristische groeperingen als al-Qaeda voedden zich met het Syrische conflict zoals een bloedzuiger zich laaft aan een bloot been.

Nouri al-Maliki, de sjiitische premier van Irak, meende bij het ontstaan van de onrusten in buurland Syrië dat de opstand werd gedomineerd door extremistische soennitisch-islamistische groeperingen met een anti-sjiitische agenda. Hij verweet soennieten dat zij een dependance van het Vrije Syrische Leger in Irak oprichtten. Soennieten beschuldigden Maliki er op hun beurt van dat hij de Syrische president Bashar al-Assad steunt, al dan niet in opdracht van Iran. Beide partijen groeven zich steeds verder in en inmiddels bevechten soennitische en sjiitische Irakezen elkaar in Syrië.

Het probleem met Syrië en Irak is dat het mozaïek-landen zijn, stelt politiek analist Joost Hiltermann, adjunct-directeur van de politieke denktank International Crisis Group (icg) en al jaren betrokken bij de regio. ‘Als het regime verzwakt of wegvalt, concurreren etnische en sektarische groepen om de macht omdat ze elkaar niet vertrouwen. Dat vertrouwen weer opbouwen kan alleen via een inclusief politiek proces, als alle groepen worden betrokken in een dialoog, maar dat lukt niet – omdat er geen vertrouwen is. Het is een vicieuze cirkel.’

Maliki trok, na zijn nipte herverkiezing in 2010, steeds meer macht naar zich toe. Zijn soennitische vice-premier (Tariq al-Hashemi) werd vorig jaar ervan beschuldigd zijn bodyguards opdracht te hebben gegeven tot moord en vluchtte het land uit. Kort erop werd de Koerdische president Jalal Talabani getroffen door een hersenbloeding. Maliki kreeg vrij spel. Hij voerde alsnog allerlei ter dood veroordelingen uit, met name onder soennitische Baath-aanhangers (het aantal executies steeg van 68 in 2011 naar 129 in 2012, volgens Amnesty International). Soennieten werden uit leger en overheidsposities geweerd. Ze voelden zich gemarginaliseerd en gingen de straat op.

Een vreedzame demonstratie in de soennitische stad Hawija, in de provincie Kirkuk, liep eind april uit op een bloedbad. Het leger schoot met scherp en zeker 54 demonstranten vonden de dood. De icg schreef daags erna dat de al maanden durende impasse tussen soennitische Arabische demonstranten en de centrale regering ‘is begonnen aan een gevaarlijke, neerwaartse spiraal’. De icg vreest een boog van instabiliteit en conflict van Libanon, via Syrië naar Irak, gevoed door sektarisme, poreuze grenzen en grensoverschrijdende allianties. In haar recente rapportage schreef ze: ‘Als Bagdad soennitische Arabieren niet weet te integreren in een werkelijk representatief politiek systeem in Bagdad riskeert het daarmee dat zijn binnenlandse crisis uitmondt in een bredere regionale strijd.’

Youssif drentelt onrustig heen en weer met zijn telefoon in zijn linkerkontzak. In Aleppo was hij kleermaker. Toen het geweld losbarstte en het werk opdroogde, trok hij met twee neven naar Iraaks Koerdistan. De Koerden hebben in het noorden van Irak een autonome regio met een eigen parlement en een eigen leger. Het is een oase van rust in een roerige regio. Turkije investeert er inmiddels miljarden in grote bouwprojecten als vliegvelden, ziekenhuizen en vooral de opkomende olieindustrie. Youssif werkt nu als bouwvakker in de Koerdische hoofdstad Erbil, op nog geen honderd kilometer van Hawija. Hij woont er met zijn vrouw en twee kinderen in een tweekamerappartement met het gezin van zijn schoonzus. Zijn telefoon gaat. Het is Ibrahim die hem maant haast te maken.

Ibrahim, die geen Koerdisch spreekt, is bij de grens tegengehouden. Koerdistan heeft namelijk onlangs de grens voor Arabisch sprekende vluchtelingen gesloten omdat niet te achterhalen valt of zij vechten in Syrië – en voor wie. Ibrahim is net als Youssif kleermaker en zat de afgelopen twee jaar werkloos thuis. De broers zijn Koerdisch, maar Aleppo ligt in Arabisch Syrië. Thuis en op school werd alleen Arabisch gesproken. Ibrahim slaapt nu al vier nachten in een moskee in het niemandsland tussen Irak en Syrië.

Youssif stapt met zijn twee neven in een beige Hyundai-taxi. Zij keren tijdelijk terug naar Syrië om hun verdiende geld af te leveren en hun gezinnen te zien. Hij hoopt zijn broer te treffen, zodat ze samen kunnen proberen de grenswachten te vermurwen.

De auto slingert over een donkere tweebaansweg door een uitgestrekt landschap met zandkleurige heuvels. Vrachtwagens met olie rijden hen tegemoet. De auto vertraagt bij een keet in een zanderige vlakte voor de rivier de Tigris. Youssif stapt over in de pick-uptruck van een bevriende grensambtenaar.

De liniaalrechte grens in de woestijn tussen Syrië en Irak telt vier officiële grensovergangen maar drie daarvan liggen in Arabisch gebied. De onderste twee (Waleed en Bukamal) zijn ingenomen door het Vrije Syrische Leger en daarna door Irak gesloten. De derde grenspost, Yaorubiah, ter hoogte van Mosul, is nog in handen van het leger van Assad, maar ligt continu onder vuur. De vierde is de brug over de Tigris bij Faysh Khabur, en wordt inmiddels aan weerszijden bemand door Koerdische douaniers. Assad heeft zich aan het begin van de burgeroorlog teruggetrokken uit het Koerdische deel van Syrië en zij houden zich verder buiten de strijd. ‘Het Vrije Syrische Leger laat ons net zo min onszelf zijn als Assad’, zegt Youssif. Terroristische groeperingen als het al Nusra-front en the Islamic State of Iraq and the Levant (isis) voeren steeds meer aanvallen uit om Koerden het conflict in te trekken.

In Iraaks Koerdistan vinden er nauwelijks aanslagen plaats. De regering heeft een goed werkende inlichtingendienst, ze verdedigt haar grenzen. Voor de inwoners staat hun gedeelde Koerdische identiteit voorop. De circa 25 miljoen Koerden die verspreid wonen over Iran, Turkije, Syrië en Irak strijden al jaren voor onafhankelijkheid, en dromen van één groot Koerdistan. Toch wordt de onderlinge verdeeldheid steeds zichtbaarder nu de Koerden in Syrië en Turkije meer vrijheid krijgen en de straten zich vullen met Syrisch-Koerdische bedelaars.

Youssif is nog geen uur later terug bij de voorlaatste controlepost. Hij is alleen. Het is niet gelukt om zijn broer de grens over te krijgen. Hij kreeg te horen dat hij in Erbil naar de Asaish, de immigratiedienst, moet voor een handgeschreven brief. Op de terugweg, via Mosul, staart Youssif stilletjes uit het raam. Het gaat niet goed met zijn broertje. Hij piekert te veel en hij heeft vrienden bij het Vrije Syrische Leger. Youssif is bang dat hij zich bij hen aan zal sluiten, zoals eerder hun oudste broer vocht bij de pyd, de Syrische pkk, in de strijd voor Koerdische onafhankelijkheid. Nadat hij werd getroffen door mortierscherven in zijn hoofd is hij nooit meer helemaal hersteld. Het zal moeilijk worden om zijn broer Irak binnen te krijgen, beseft hij. De Koerdische politieke partijen – de Iraakse kdp en de Syrische pyd – hebben ruzie en Iraaks Koerdistan sluit tijdelijk de grens helemaal.

De Koerdische parlementariër Salar Mahmud, die mensenrechten in zijn portefeuille heeft, stelt uiteindelijk kritisch: ‘Er is geen enkele logica om vluchtelingen de toegang tot het land te ontzeggen. Ze komen omdat ze bedreigd worden in hun eigen land. Volgens internationale wetgeving hebben ze recht op hulp. Helaas is de grens een politiek onderwerp geworden.’

De burgeroorlog in Syrië vormt een sterke bedreiging voor de vrede in Irak. De International Crisis Group roept premier Maliki daarom op om de dialoog aan te gaan met de soennieten om te voorkomen dat zij, net als in 2005, de politiek hun rug toekeren en weer gaan samenwerken met al-Qaeda. Ook zou de regering eerlijk onderzoek moeten doen naar de beschietingen van het leger op vreedzame demonstraties in Hawija, Falluja en Mosul. Ze zou werk moeten maken van een effectieve grensbewaking. Daarnaast zou het Iraakse regime zich niet moeten mengen in het Syrische conflict.

Maar het is de vraag of Maliki wel werkelijk een vreedzame oplossing ambieert. Vooralsnog lijkt hij liever te gehoorzamen aan het invloedrijke Iran – en zich steeds meer te ontpoppen als een dictator. Toch denkt politiek analist Joost Hiltermann van de icg dat het niet zo ver zal komen: ‘Hij kan Koerdistan niet beheersen. En ook de soennitische gebieden niet. Hij is een zogenaamde tin pot dictator.’ Hij bedoelt: een dictator die niet in staat is zijn ambities waar te maken. Overigens was Saddam Hoessein dat ook toen hij aan de macht kwam. Maar door de oliecrisis van 1973 schoten de olieinkomsten omhoog en kon hij daarmee zijn grip op het land vergroten. ‘Maliki heeft wel olie, maar ook een inefficiënte overheid met veel corruptie, en hij heeft zelfs geen macht over een aantal van zijn eigen ministeries’, meent Hiltermann.

De stemming is omgeslagen in Irak. Voorzichtig optimisme heeft plaatsgemaakt voor zwaarmoedigheid. Jonge Irakezen zouden hun nieuw gewonnen democratie vandaag nog inruilen voor een beetje veiligheid. Mohammed Al Sabawi is er een van. Hij woont onder de rook van Hawija en is leraar Engels op een lagere school. Hij deed niet mee met de demonstraties, hij vond de demonstranten maar slechte verliezers. ‘Toen het geweld minder werd in 2009 dachten we dat we het gered hadden. Maar nu begint het in Syrië weer van voren af aan, en zij zijn nog niet moegestreden. Wij maken deel uit van hetzelfde conflict.’

Sinds kort heeft Mohammed draadloos internet thuis, het voedt zijn frustratie. Hij brengt in de warme zomermaanden zijn dagen door met het kijken van filmpjes op YouTube en Facebook. Filmpjes die veel gewelddadiger zijn – en de kijker met veel meer onmacht achterlaten – dan wij in Nederland te zien krijgen. In een filmpje probeert een jongen van hooguit veertien zijn aanvallers smekend ervan te overtuigen dat hij sjiiet is, hij zweert trouw aan Assad maar wordt toch doodgeschopt. Een ander filmpje laat zien hoe een man levend wordt begraven.

Irakezen zijn murw geslagen door het geweld. 57 procent van de Irakezen is onder de 24. Al sinds voor hun geboorte hobbelt hun land van oorlog naar oorlog: eerst met Iran (1980-1988) toen Koeweit (1990), de Verenigde Staten (de Eerste Golfoorlog in 1991), daarop volgden VN-sancties en opnieuw oorlog met de Verenigde Staten (2003-2005) en tot slot een burgeroorlog (2005-2008).

‘Het geweld is overal’, zegt Mohammed. Een controlepost in zijn buurt werd overvallen in de ramadan, tijdens de eerste maaltijd van de dag, en alle soennitische bewakers zijn vermoord. ‘Het geweld komt van gewapende groepen, de regering, van alle kanten. Nu denk ik: Bush had gelijk toen hij ons de as van het kwaad noemde, we zijn het kwaad.’

Een van zijn beste vrienden is een sjiitische journalist uit Bagdad. Ze spreken elkaar vrijwel dagelijks, al kunnen ze niet meer zomaar bij elkaar langs gaan. De hoop op een vreedzame toekomst hebben de vrienden de afgelopen maanden begraven. De enige optie die hen rest is vertrekken. ‘Ik wil een masteropleiding in het buitenland volgen. Daar richt ik nu mijn aandacht op. Want hoeveel ik ook pieker over de situatie hier, dat verandert niets.’

Volgend jaar zijn er weer verkiezingen in Irak. Hiltermann denkt dat Maliki, die slecht ligt bij het belangrijkste andere sjiitische blok van geestelijke Moqtada al-Sadr, niet zal worden herkozen in vrije verkiezingen. Een greep naar de macht zal resulteren in een burgeroorlog. Uiteindelijk schetst hij een inktzwarte toekomst met alleen maar pijnlijke uitkomsten. ‘Als het Syrische regime valt, dan trekt het onvermijdelijk ook Irak mee. Als het stand houdt, is er een kans dat de boel weer samenkomt. Maar het is de vraag of je dat moet willen; het Syrische regime heeft zijn legitimiteit verloren.’

Een week en heel veel telefoontjes later weet Youssif een wasta (stroman) voor zich te winnen die een grensambtenaar kan vermurwen. Twaalf dagen nadat hij bij de grens arriveerde, wordt Ibrahim toch nog toegelaten. Inmiddels werkt hij samen met zijn broer als dagarbeider in de bouw.


Beeld: AZAD Lashkari/Reuters


Paulien Bakker schreef in 2010 over Kirkuk het boek Een romantisch volk (Atlas Contact)