MENNO HURENKAMP

Vast in ‘t zand

Verdwaald en moe van het zoeken, maak ik een verkeerde stuurbeweging wanneer ik een tegenligger denk te zien. Nog erger, ik rem. Beginnersfout, schiet door me heen. Wat je ook doet in het zand, nóóit remmen. Altijd vaart houden. Stoppen doe je op een verhard stuk. Voor je het weet zit je vast. Te laat, de auto zakt weg. Twee seconden tevergeefs gas geven zet de pluim op mijn werk. De voorwielen vreten zich in het zand. Tot en met de as ingegraven in de lichtgele en vooral kurkdroge aarde. Zuchtend stap ik uit. Niet klagen nu. De zon schijnt. De lucht is blauw. Er is geen reden tot paniek. Je hebt dit vaak genoeg meegemaakt. Het is een kleine prijs voor het avontuur.
Ik pak twee planken uit mijn bagage, eigenlijk onderdeel van een bolderwagen. Nu ga ik ze opofferen. Ik steek er een voor het linker voorwiel. Dan begin ik met de andere te scheppen. Uit het niets is opeens een jonge man opgedoken. Een donker type zoals je ze hier veel ziet, maar van een nieuwe generatie. Zonder snor. Of ik hulp nodig heb. (Heel even moet ik, tamelijk dramatisch, aan de kleine prins van Saint Exupéry denken: ‘Toe, teken een schaap voor me?’) Tja, zeg ik, met wat platte stenen onder de wielen rijdt die auto eerder. Hij begint stenen in de buurt te zoeken. Tot mijn verbazing blijkt uit het niets waar deze jongen vandaan kwam een metgezel opgedoken, een vriend die ook opgewekt is over het verzetje. Ze moeten zich vlakbij hebben zitten vervelen. Gek dat ik ze niet gezien heb.
Het wordt nog gekker. Er verstrijkt geen minuut of er stopt een busje, waar twee mannen uitstappen. Ze hebben nota bene echte batsen bij zich. Dat is pas graven. De jongere stapt eerst in mijn auto om nog eens flink op het pedaal te stampen. Nee, die zit vast, constateert hij dan. Ja, en nu helemaal. De oudere begint met spitten. Dit ís ook een rotplek, zegt-ie, je moet hier eigenlijk niet zijn. Hij weet wel dat ik daar niets mee opschiet. Voegt er vergoelijkend aan toe: het is mij ook overkomen. Ik peuter mijn krik onder de bagage vandaan. De jongere man van het busje haalt ook een krik op. Weer zonder wat te vragen draait hij de voorkant van mijn auto links en rechts omhoog.
Stenen half onder de wielen, sleepkabel aan beide voertuigen, en trekken! Maar het busje heeft betere tijden gekend. Het krijgt mijn stationwagen niet vlot. Wel hangt veel rook om ons heen en ook de lucht van verbrand rubber. De twee jongens uit het niets grijnzen. We graven weer. De krik moet tot het eind van de schroefdraad worden opgedraaid, zo diep zitten de wielen nu in het zand. Dan, wonder, stopt een grote 4WD. Ik sta hier nog geen kwartier en nu al totale verlossing. Wie zegt dat de wereld geen zorgzaamheid meer kent, die is gek. Dit is solidariteit van échte mannen. De bestuurder stapt uit zoals je uit een jeep stapt. Breed. Pakt de sleepkabel, verbindt de auto’s. Gebaart dat ik achter het stuur moet gaan zitten en trekt grijnzend mijn auto los, achteloos, achteloos. Handen schudden en binnen drie seconden is iedereen weg.
Ik vervolg eenzaam mijn weg door het Utrechtse Lombok, nu weer op het officiële gedeelte van de Cartesiusweg, dat ik even verlaten had om via het mulle bouwzand te ontkomen aan drie kilometer omleiding.