Thomas Möhlmann, De vloeibare jongen

Vastgekoekte pijn

Thomas Möhlmann
De vloeibare jongen
Prometheus, 56 blz., ! 14,95

In zijn debuutbundel De vloeibare jongen vertelt dichter Thomas Möhlmann het verhaal van een broer wiens zus een zelfverkozen verdrinkingsdood stierf. De alleen achtergeblevene weent vloeibare tranen en zijn «lekkende schaduw» rijt, getuige de omslagfoto, uiteen in het zonlicht op straat. Hij spreekt, in het gedicht De vloeibare jongen II:

Zij drijft met haar ogen open, haar mond

al bijna zo bleek als de stenen en hij

kleedt haar aan met alles wat hij heeft

draagt haar tot waar het op zou houden

als hij begreep waarmee, met zijn armen

die weigeren van vlees te worden, zijn

tot sjaal geweekte zus, met al zijn ongeloof

kabbelt hij in haar volgelopen gezicht om

nog een knik, een fonkeling.

Ooit zag ik op de Prins Hendrikkade in Amsterdam hoe een man overreden werd door een bus. Vanonder de Michelinbanden zagen zijn ogen mij op eenzelfde manier aan als de ogen in het «volgelopen gezicht» van de zus in deze bundel. En «volgelopen» is dan een afgemeten bruut woord. Het «kabbelen» van de jongen is raak in zijn schijnbare ongepastheid. Het «bleek als de stenen» doet minder, «armen/ die weigeren van vlees te worden» behoort tot de categorie eurekaregels die bij nadere lezing een nekschot van de rode marker verdienen. Niettemin is het gedicht als geheel op een subtiele manier beklemmend, Möhlmann toont zich bedreven in het niet te veel weggeven, bijvoorbeeld in een regel als «tot sjaal geweekte zus». Een sjaal, dat is zo’n ding dat werkeloos aan de kapstok hangt, of meestal ligt-ie er onopgeruimd onder, de hele lente en zomer en herfst lang, tot die ene dag dat het zwaailicht van de pekelstrooier het konijntjespatroon op het rolgordijn bezoedelt. Een zus «tot sjaal geweekt» maken laat de lezer in vertwijfeling achter. Je weet dat het mis is, je weet dat de boot aan is, maar je kunt er ogenschijnlijk de vinger niet op leggen, al weet je dat je goed zit.

Het gedicht De vloeibare jongen III is een dialoog tussen broer en zus. Ook hier weer barse woorden aan haar adres: «Nog deed je niets dan zwellen en verbleken». En zij terug:

«Alles wordt alleen maar lichter, lief broertje

tussen jou en mij al bijna niets meer heel

heel even nog en je weet weer geen verschil

en geen verband meer dat ons uit elkaar houdt

neem dan – kusje – je klein geheim weer in, woordjes op

en laat maar – kusje – terug over je droge lippen rollen.»

De lippen van de jongen zijn droog van vertwijfeling, maar ook droog als in niet-nat, in contrast tot de onderwatertrappelaar. Weliswaar behelst de uiteindelijke boodschap een eenvoudig «we’ll meet again don’t know where don’t know when», maar het is in al haar impliciete wreedheid wel degelijk een bizarre en aangrijpende klaagzang. Het getuigt ook van lef om het openingsgedicht van deze bundel af te sluiten met de regels: «neem de tijd die nodig is/ haar te bekijken, te buigen/ in alle rust, neem ook die// in een zak, in één beweging/ en wat stenen nog om boven-/ drijven te voorkomen.» Ergens riekt het naar kinderspel om háár stenen betrekking te laten hebben op de zwaarte van wat de broer voelt, maar het is zo koudgemaakt en steno opgeschreven dat het geloofwaardig is. Helemáál als de titel van dat openingsgedicht Goed beginnen luidt. Wie onbekend is met rouwen weet niet dat woede en sarcasme voorop in de fanfare lopen, ver voor het verdriet en het terugverlangen.

Die lijkschouwing komt overigens nog eens terug in een gedicht met net zo’n kille titel, Familiefoto:

Buiten wacht een warme tuin met vlierbessen

en vogels en verder weg een schuur met fiets

als een sjaal met spieren

doet ze niets en hij

laat haar niet vallen maar

waar kijken ze naar

de jongen rechtop

de hangende poes.

Möhlmann doet de «fiets» rijmen op haar «niets», plaatst het leven van de broer tegenover de dood van de zus en zijn homo-erectusschap versus haar levenloze geslacht om uiteindelijk, slechts een pagina verder, zijn «kleine woorden» als bootjes in de schuldige rivier te water te laten, woorden die «in liefdevolle stomheid» worden «nagestaard».

Ik heb een kaart, een kaartje en een brief

schuttert het dan nog elders in de bundel. Het is uniek dat de tot sap geslagen hoofdpersoon in al zijn schreien een onderscheid wenst aan te brengen tussen een «kaart» en een «kaartje». Tezelfdertijd kun je je ook voorstellen dat dat onderscheid belangrijk is, al heb je geen idee waarom.

Op de achterflapfoto ziet een gladgeschoren Thomas Möhlmann in een nieuw gekocht zwart T-shirt de lezers van zijn debuutbundel met een vriendelijke glimlach aan, in de rol van een jongen met wie je je dochter maar wat graag zou zien thuiskomen. Maar wat geeft hij ons. Eens vloeibare, inmiddels voorgoed vastgekoekte pijn.