Hoofdcommentaar

Vaubaneske veiligheid

Aanstaande maandag, om veertien minuten voor negen, zullen de nabestaanden van de New Yorkse slachtoffers van 11 september 2001 bijeenkomen voor een herdenkingsplechtigheid. Hun bijeenkomst op Ground Zero zal 102 minuten duren, even lang als de tweelingtorens van het Wereldhandelscentrum erover deden om in te storten. Later op de dag zal een delegatie van het Witte Huis, aangevoerd door George Bush, de plaats van het tot nog toe meest spectaculaire misdrijf van deze eeuw bezoeken. Als de president bij die gelegenheid al spreekt, zal zijn toon een stuk ingetogener zijn dan vijf jaar geleden. Voorafgaand aan zijn eerste bezoek aan de plek des onheils, op vrijdag 14 september 2001, sprak hij in de Washington National Cathedral in eschatologische termen over de aanslag. ‘Omdat de gebeurtenissen pas drie dagen oud zijn hebben Amerikanen nog geen historische afstand kunnen nemen, maar onze verantwoordelijkheid tegenover de geschiedenis is duidelijk. Die verantwoordelijkheid houdt in dat we de aanvallen beantwoorden en de wereld van het kwaad bevrijden.’

In de afgelopen vijf jaar zijn de herdenkingen op Ground Zero geleidelijk gedepolitiseerd. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste wil de strijd tegen het kwaad niet vorderen. Dat is geen wonder. Het kwaad is immers niet gebonden aan personen, maar aan de menselijke conditie. Het is niet in te dammen, laat staan uit te roeien met wapengeweld. Zoals Rüdiger Safranski in zijn intieme geschiedenis van het kwaad schrijft: ‘Het kwaad is de prijs die we voor de vrijheid betalen. Het bewustzijn ontmoet het kwaad in de natuur, daar waar die zich voor ons zinverlangen afsluit, in de leegte daarbuiten in het heelal evengoed als in ons binnenste, in het zwarte gat van ons bestaan. Het bewustzijn kan zomaar, om hunnentwille, voor wreedheid en vernietiging kiezen. De reden daarvoor is de afgrond, die zich in de mens openbaart.’ (Das Böse, oder das Drama der Freiheit, 1997) De tweede reden is prozaïscher van aard. New York – toch al een staat binnen de staat – heeft een luidruchtige Democratische minderheid die zich groen en geel ergert aan de wijze waarop de Republikeinen de aanslagen gebruiken om het morele leiderschap van de natie en de gehele vrije wereld naar zich toe te trekken. Probeer maar eens een lid van de gevierde New Yorkse brandweer te vinden die geen Democraat is.

Niet alleen in de Verenigde Staten, ook in de rest van de westerse wereld lijkt er eindelijk ruimte te ontstaan voor relativering van de gebeurtenissen van die dag. De formulering dat 11 september 2001 ‘alles veranderd heeft’, is gelukkig al uit het discours verdwenen. Onze media herhalen nog wel plichtmatig dat de aanslagen een ‘golf van ontzetting’ teweegbrachten, maar het besef dringt door dat de media zelf daarvoor in hoge mate verantwoordelijk waren. Niet alleen door de schier eindeloze herhaling van het beeld van de vliegtuigen die zich in de torens boorden, maar ook door de herhaling van overdreven of ronduit onzinnige vergelijkingen, bijvoorbeeld met de Japanse aanval op Pearl Harbour op 7 december 1941, met de opkomst van de bruine pest in het Duitsland van de jaren dertig of zelfs met de Kruistochten van de hoge Middeleeuwen.

Als we dan toch zoeken naar een analogie die onze kwetsbaarheid voor asymmetrische oorlogvoering door islamisten in historisch perspectief plaatst, dan ligt de geschiedenis van de laatmiddeleeuwse oorlogvoering en de opmars van het kanon meer voor de hand. Het kanon was aanvankelijk een wapen in handen van de vorsten. Karel VIII was de eerste die het gebruikte; tijdens zijn Italiaanse veldtocht van 1494 schoot hij met zijn veertig stukken geschut de trotse muren van de Italiaanse steden in puin. Dat jaar geldt als het begin van een ‘militaire revolutie’, omdat het kanon voortaan de aanvaller een beslissend voordeel gaf. De burgerij ontdekte al spoedig dat het kanon evenmin ontzag had voor adellijke privileges. De pogingen om het te weerstaan leidden enerzijds tot de bouw van dikkere muren, anderzijds tot de aanleg van wetenschappelijk gebaseerde vestingwerken, zoals die van de Fransman Vauban. Het mocht allemaal niet baten; naarmate het kanon zijn democratische werking verbreidde, verloren adel en patriciaat hun dominante rol in de strijd en daarmee hun onaantastbare positie in de samenleving.

De westerse kosmopool wordt vandaag onderworpen aan asymmetrische strijdtechnieken die onze regeringen zelf tijdens de Koude Oorlog voor de Derde Wereld hebben ontwikkeld: chirurgische interventies, commandoacties, liquidaties, psychologische oorlogvoering en politieke destabilisatietechnieken. De vaubaneske vestingwerken die wij momenteel opwerpen – in de vorm van draconische veiligheidsmaatregelen naar het voorbeeld van het Amerikaanse superministerie voor Homeland Defense – zullen geen verlichting bieden. Zoals de geschokte stedelingen van destijds uiteindelijk de grondslag legden voor de nationale staat die hun een superieure vorm van bescherming in vredes- en oorlogstijd bood, zo zullen wij, laatmoderne westerse staatsburgers, moeten nadenken over mondiale arrangementen die onze veiligheid daadwerkelijk vergroten. En het zal, net als toen, wel even duren voordat we zover zijn.