Tove Ditlevsen in haar huis, datum onbekend © Per Pejstrup / ANP / Scanpix / ANP

Het was Ethel Portnoy die jaren her het Guggenheim in New York bezocht en aldaar niet echt tot haar genoegen werd geconfronteerd met een kunstwerk van Joseph Beuys dat niet anders gezien kon worden dan als een berg vet. ‘Om eerlijk te zijn’, schreef ze er later bedrieglijk huiselijk over, ‘is een berg vet nu niet iets wat ik graag in de huiskamer zou willen hebben – tenzij natuurlijk in de gedaante van een dierbaar familielid.’

Die berg vet in mijn geheugen werd aangeraakt door het verhaal De methode van Tove Ditlevsen, midden in de bundel korte verhalen die onlangs van haar in vertaling verscheen onder de titel Kwaad geluk. Den onde lykke heette de bundel toen die zestig jaar geleden in het Deens verscheen, hetgeen begrijp ik zoveel betekent als ‘de pech’. De vaste vertaalster van Ditlevsen, Lammie Post-Oostenbrink, zal haar redenen hebben gehad om het wat weidser te vertalen, maar het platte ‘pech’ geeft zeker het titelverhaal een lading die ik bij eerste lezing miste.

Maar eerst nog over dat vet: De methode is een verhaal dat in zijn absurditeit verschilt van de veel realistischer verhalen eromheen. Tegelijkertijd zie je in dit verhaal de consequentie van Ditlevsens blik, nietsontziend gericht op de huwelijkse beknelling waarin man en vrouw elkaar gevangenhouden. In het Deens duidt één en hetzelfde woord (‘gift’) zowel de huwelijkse staat aan als vergif, maar dit terzijde. In De methode laat Ditlevsen alle egards van de verteller varen om een vorm van gekte te laten zegevieren. De enige manier waarop man en vrouw elkaar kunnen verdragen is door de ander in heel zijn of haar lijfelijke aanwezigheid in denkbeeldige stukjes te hakken.

‘Het was veel te veel om met één hele persoon getrouwd te zijn. Het was niet te bevatten’, zo begint het verhaal. En dus moet er worden gedemonteerd, de ene dag is de neus aan de beurt, de andere de handen. De ogendagen kunnen zomaar de beste van de maand worden met deze methode, zeker als je je niet laat afleiden door de stem. Alleen is daar dan toch op een dag ‘die stupide homp vlees’ waar je niet omheen kunt, waar je van moet houden, of in ieder geval aandacht aan moet besteden. Misschien dat de man er net een andere methode op nahoudt, zo overdenkt de verteller, maar zaak is om die stilzwijgend te respecteren, en er in feite niets van af te weten, ‘wat zeer gebruikelijk is bij echtparen’.

Ditlevsen kalkt en kleurt en blaast het leven melodrama in

Ik weet niet waarom ik de neiging heb Ditlevsen zo smakelijk te citeren. Het is niet dat ik alleen maar denk: krek, spijker, kop, wél heeft ze me opnieuw, net als bij die fenomenale Kopenhagen-trilogie waarmee ze postuum wereldwijde erkenning krijgt, helemaal bij de kladden. Ook met die andere verhalen, kleine taferelen met kleine bleke levens, je denkt dat je ze ook niet zou kunnen lezen, alsof je alles al weet, de fiasco’s, de armoede, de spijt, maar het licht dat Ditlevsen erop laat schijnen is anders, er springen zinnetjes naar voren, over huizen die uit boter gesneden lijken, geel en zacht en klaar om weg te smelten. De angst van de zwangere vrouw, peuter aan d’r schort, wordt jouw angst. De plotsklaps verschuivende vertelperspectieven leveren iets meedogenloos op; de vrouw die haar waardigheid hoog probeert te houden blijkt in de ogen van haar kapper iemand die zich vastklampt aan ‘een raar tienerkapsel’.

Rode draad: je kunt de ander niet kennen. Hoe nader die ander is, hoe drassiger het terrein. Probeer het ook niet, erachter te komen wat zich van binnen afspeelt bij de persoon die je het meest na staat. Alles kan en alles gebeurt: een vader verlaat huis en haard, zonder nog maar één gedachte te wijden aan dat jongetje dat op zijn zolderkamer voor zijn bed knielt. God, laat mijn vader terugkeren. Ditlevsen kalkt en kleurt en blaast het leven melodrama in.

Het slotverhaal is ook het titelverhaal, Kwaad geluk. Het is in heel verkorte vorm het verhaal van oorsprong en groei van Ditlevsens schrijverschap, zoals we dat al kennen van haar trilogie. De nadruk ligt nu echter op de wissel die de aspiraties van het ik-personage trekken op het leven van haar broer. Opnieuw, een krankzinnig aangrijpend verhaal waarin de schrijfster zichzelf niet bepaald spaart. In feite laat ze de dikke vette pech zien die ze haar broer heeft berokkend.

‘Je zult zeker beroemd worden’, voorspelde hij haar, en deed wat ze van hem verlangde. Hij liet haar een speeldoosje na, ‘vecht voor alles wat je liefhebt’ tingelde het. Zij kon haar eigen leven gaan leiden, haar boeken gaan schrijven, nooit meer een gedachte aan haar broer wijden. Bijna nooit.