Vechten om een citroen

Vietnamese vluchtelingen dobberen dagen lang rond op de vissersboot van Hung (de man in het water) voordat ze gered worden, 1981 © Privécollectie

Maakt echt leed schrijvers nederig? In een lezing over geëngageerde literatuur merkte Kristien Hemmerechts eens op dat Ilja Pfeijffer in La Superba af en toe ‘stilistisch ongebruikelijk terughoudend’ werd. Dat gebeurde steeds in de passages waarin hij de verhalen begon op te tekenen die vluchtelingen hem vertelden in Genua.

‘Stilistisch terughoudend’ zou ook een goede typering kunnen zijn van het nieuwe boek van Chris de Stoop. Wanneer het water breekt vertelt het verhaal van één groep Vietnamese vluchtelingen op één boot, die in augustus 1981 vertrok om te ontsnappen aan het communistische regime. Voor dit boek volgde De Stoop jarenlang één familie, die van de visser Hung, die de leiding over het schip had, en zijn dochter Quyen, die later overkwam naar België, en inmiddels een succesvol restaurant in Brussel leidt.

In korte hoofdstukken staat steeds één gebeurtenis of één persoon centraal, zodat je een soort documentaire in de vorm van een mozaïekvertelling krijgt, waarbij de overtocht zelf zonder meer het meest aangrijpend is. ‘De motor sputterde opeens, begon te reutelen, kwam tot stilstand. Het klonk alsof er binnenin iets kapot was gegaan. Muisstil werd het.’

Helder, haarscherp geeft De Stoop de feiten, zonder stilering of al te veel dramatisering. Je kunt je voorstellen dat de keuze voor zo’n sotto voce-register niet al te bewust verloopt. Bij zulk evident leed is esthetisering ongepast. De schrijver zet vanzelf een pas opzij of achteruit. Hij maakt zich klein om dat kolossale leed des te sterker aanwezig te laten zijn. Het sterkste werkt dat in kleine details. Een schitterend beeld is één enkele citroen die ineens in het water drijft – van boord gevallen – en waar een heel gevecht om ontstaat, waarbij het schip haast kapseist.

‘Meneer Chris, het spijt me dat ik niet op de afspraak was. Ik lijd al dertig jaar’

De Stoop interviewt overlevenden, reist naar de beslissende locaties af, diept het scheepsjournaal op van het vrachtschip dat ze uiteindelijk redde uit het dobberende vissersbootje, en hij laat sommigen zelf hun verhaal in een paar pagina’s optekenen, die hij dan weer parafraseert of herschrijft.

De Stoop is een groot vakman in dit mooie genre waar literatuur en journalistiek elkaar raken, dat wortelt in het ‘New Journalism’ van Truman Capote en dat wij vooral kennen van auteurs als Frank Westerman en Lieve Joris.

Op die manier schreef hij eerder over bijvoorbeeld de Hedwigepolder, in Dit is mijn hof. Daarin was hij zelf veel meer aanwezig, omdat het over het landschap van zijn jeugd gaat, en een hartroerende geschiedenis bevatte over zijn eigen broer. In dit boek over de Vietnamese vluchtelingen blijft hij zelf veel meer op de achtergrond. Soms miste ik hierdoor iets, een reflectie naast de barre feiten, een extra laag. Of misschien zocht ik naar iets waardoor je een ander beeld krijgt van vluchtelingen dan je al hebt gekregen van al die andere gefilmde en geschreven reportages.

Daar zijn genoeg aanzetten toe. Bijvoorbeeld als de overlevenden, zoals elk jaar op Allerzielen, naar het graf van de kapitein gaan die hen redde. Dan komen er twee anderen, Quyen begroet ze lachend en zwaaiend, maar de twee ‘blijven stilstaan, praten kort tegen elkaar, draaien zich plotseling om en lopen terug. (…) Quyen is geschokt. Haar stemming slaat om als een blad aan de boom. Is het omdat het afbreuk doet aan het sprookje dat ze zo graag wilde geloven?’

Antwoord komt er niet. Er is iets aangestipt, er zijn barsten ontstaan – en daar begint wat mij betreft de literatuur – maar het blijft een glimp. Sterker gebeurt het in een van de kortste hoofdstukjes, amper anderhalve bladzijde, met het verhaal van ‘Ding’. Tweemaal komt hij niet opdagen op een interviewafspraak en dan stuurt hij een sms: ‘Meneer Chris, het spijt me dat ik niet op de afspraak was. Ik lijd al meer dan dertig jaar omdat ik op zo’n bruuske manier wees geworden ben, door de scheiding van mijn dierbare familie.’ Daarop stuurt de schrijver Ding een foto van de boot, genomen vanuit het reddende vrachtschip. Er volgt een lang telefoongesprek op, waarbij Ding in tranen is. ‘Ik weet niet wat ik met mijn leven aan moet. Weet u waar ik soms nog aan denk? Dat ik op die boot gevochten heb met de broer van Dat om die citroen. En dat hij me daarna toch een partje gegeven heeft. Ik vocht met hem om een citroen en die jongen was zo aardig. Dat kan ik nooit vergeten.’

De weigering van Ding om aan het boek mee te werken is weer zo’n barst, een diepe ook, want ze raakt het fundament van deze onderneming. Gaat dit boek die mensen troosten, helpt het iets? In elk geval helpt het ons lezers om ons in het lot van vluchtelingen te verplaatsen. Het is een indringend, empathisch boek, waaruit allerlei beelden en zinnen je bijblijven. Niet in de laatste plaats het gesprekje met de man die niet wil praten: ‘Gaat u het voor mij oplossen? Gaat u me mijn leven teruggeven? Nee? Dan zwijg ik liever.’