De Turkije-deal heeft de mensensmokkel niet gestopt

Vechten om vluchtelingen

Door de vluchtelingendeal tussen de EU en Turkije is het aantal bootjes met asielzoekers dat Griekenland wil bereiken drastisch afgenomen. Maar langs de Turkse kust gaan de mensenhandelaren door. ‘Iedereen pikt een graantje mee.’

Medium hh 54904215 2

Ondanks het prachtige weer – 36 graden, strakblauwe hemel, bijna geen wind – oogt de zee huiveringwekkend. Dit is niet de vriendelijke, turquoise-doorzichtige zee die ik zo goed ken tussen het Griekse eilandje Hydra en het Griekse vasteland. Hier tussen Mytilini, de hoofdstad van het grote Griekse eiland Lesbos, en Ayvalik, een Turks kustplaatsje aan de overkant, is de deining gigantisch. Soms is de bolling van het water zo hoog dat je vanuit een kleine dinghy onmogelijk welk land dan ook aan de horizon kunt zien. Het water is vervaarlijk zwart. En ijskoud, als je je hand in een emmer zeewater op het dek steekt.

Het is hartje zomer. Hoe moet het in de winter geweest zijn? Het lijkt al ondoenlijk om langer dan een uur in déze zeetemperatuur te kunnen overleven. Hoe is het mogelijk dat sinds vorig jaar honderdduizenden vluchtelingen in gammele bootjes deze overtocht, maar dan andersom, hebben gemaakt?

Sean (45) en ik zitten als stoute schoolkinderen op de voorplecht van de ferry naar Turkije. Van de kapitein mogen we vooralsnog niet bij de andere passagiers – veel Turken, een paar Grieken – vertoeven. De baas van de boot vreest voor ons welzijn. Vanwege ons is het schip anderhalf uur vertraagd. We waren nietsvermoedend door de Griekse paspoortcontrole gegaan, zachtjes pratend met andere reizigers over de coup die de vorige nacht in Turkije was gepleegd, over wat Erdogan allemaal aan het doen was, over de doden die in Istanbul waren gevallen.

De Griekse douane keek nauwelijks naar mijn paspoort, maar Seans document werd zorgvuldig onder de loep genomen. Na enige consternatie – mannen in uniform die opsprongen en naar een kennelijk verontrustend computerscherm staarden – werd Sean gearresteerd. Sean is een vrijwilliger uit Nieuw-Zeeland die maandenlang zonder salaris in diverse vluchtelingenkampen in Griekenland heeft gewerkt. Het is zijn levensbestemming. Wat bleek? Mensen uit Nieuw-Zeeland en Australië hebben geen visum nodig voor de EU, maar mogen er niet langer dan drie maanden verblijven. Sean was daar zestien dagen overheen. Hij kreeg een boete van zeshonderd euro, die hij niet kon betalen, en mocht de volgende zes maanden geen enkel EU-land bezoeken. Hij was de facto en ad hoc uit Europa verbannen. Sean móest op die boot, weg uit Hellas.

Toen we naar de loopplank renden, terwijl woedende passagiers ons gadesloegen, beseften we dat Seans bestaan in de Griekse vluchtelingenkampen voorbij was. Alles wat hij daar had opgebouwd was hem afgenomen. Sean was meegekomen als mijn bodyguard. Toen hij hoorde dat ik in m’n eentje naar Turkije wilde om te zoeken naar de mensensmokkelaars die nog steeds veel te kleine met vluchtelingen volgepropte bootjes de zee op sturen, besloot hij resoluut om mee te komen. Veel te gevaarlijk voor een vrouw alleen. Hij, een 150 kilo zware ex-politieagent, moest en zou me vergezellen. En door mij was hij nu alles kwijt, zélf een vluchteling geworden.

‘Dit wordt een heel andere reis dan je dacht’, zegt hij, ‘ik wil nu proberen zélf met zo’n bootje terug naar Griekenland te varen.’

Vorig jaar kwamen ruim een miljoen vluchtelingen over zee vanuit Turkije via Griekse eilanden naar Europa. Het overgrote deel via Lesbos (85.000 inwoners) dat nu eenmaal het dichtst bij de Turkse kust ligt. Vooral vanaf de noordkust, aan de andere kant van Mytilini, vanaf stranden rond de beeldschone dorpjes Molivos en Skala Sykaminia, is Turkije zo dichtbij dat je het bijna lijkt te kunnen aanraken. De ferry die één keer per dag gaat, doet er anderhalf uur over. De vluchtelingen in hun dodelijke bootjes, met te veel mensen, te zwakke buitenboordmotortjes en meestal te weinig benzine, doen er vier tot acht uur over. Soms twaalf of zestien, als het weer slecht is en de golven te hoog zijn.

Volgens de laatste officiële cijfers van de unhcr zijn sinds het begin van de vluchtelingenstroom naar Europa 3034 mensen verdronken, waarvan 1970 vorig jaar. Dit jaar zal het dodenaantal veel hoger zijn – het is nu nog maar augustus, de wintermaanden moeten nog komen. Dat is het directe gevolg van het akkoord dat de EU met Turkije sloot en dat op 18 maart dit jaar om twaalf uur ’s nachts inging. Vanaf dat moment wordt iedere vluchteling die in Griekenland aankomt onmiddellijk gearresteerd en na een procedure van een paar maanden naar Turkije teruggestuurd. In ruil daarvoor zou Turkije drie miljard euro krijgen en visumvrij verkeer door Europa voor Turkse burgers en zakenlui. De EU neemt voor iedere aldus teruggestuurde vluchteling één vluchteling op uit een van de Turkse kampen waar zo’n drie miljoen vluchtelingen in gruwelijke omstandigheden moeten zien te overleven. Tot nu toe is nog niet al het geld naar Erdogan overgemaakt en schijnen er slechts 48 vluchtelingen op basis van het akkoord terug naar Turkije te zijn gedeporteerd. Hoeveel er uit Turkije naar Europa zijn gehaald is onduidelijk.

Deze Turkije-deal mag dan in cijfers niet veel voorstellen, de afschrikfactor is groot. De meeste vluchtelingen hebben nu hun zeeroute verlegd van Turkije naar Libië en steken van daar niet meer over naar Griekenland, maar naar Italië, een veel langere, veel gevaarlijker en meer doden opleverende overtocht. De bootjes komen nooit in Italië zelf aan, zoals ooit op de Griekse stranden. Overlevers worden door Frontex en de Italiaanse kustwacht uit zee gevist. Op deze manier zijn al meer dan 95.000 geredde vluchtelingen naar Italiaanse havens gebracht.

De vluchtelingen worden in het onstabiele Libië soms maandenlang gevangen gehouden, tot dwangarbeid gedwongen om de overtocht ‘bij elkaar te verdienen’, mishandeld en verkracht. De Europese regeringen en Erdogan maken zich sinds 18 maart schuldig aan massale mishandeling en moord én aan ‘stimulering van mensensmokkelarij’, aldus Artsen zonder Grenzen dat zich daarom terugtrok uit de Griekse opvangkampen, die door de deal overnight in detentiecentra veranderden.

De Europese regeringen en Erdogan maken zich sinds 18 maart schuldig aan massale mishandeling en moord

Het was lange tijd stil op Lesbos en andere Griekse eilanden, die nog maar nauwelijks bekomen zijn van de grote vluchtelingenstroom van vorig jaar en zich met de grootste moeite proberen weer als een aantrekkelijke vakantiebestemming te presenteren, vechtend tegen een daling van het toerisme van negentig procent. Maar sinds eind juli komen er weer bootjes aan op Lesbos, zo’n twee per dag. En ook op Chios deze week. Er vaart een Navo-schip tussen de noordkust van Lesbos en Turkije en er zijn ook drie Frontex-schepen in de weer.

Het bericht is telkens dat wel tien of meer bootjes zijn vertrokken, dat het grootste deel op zee naar de Turkse kust is ‘teruggeduwd’, maar dat voortdurend één of twee bootjes door de patrouillerende schepen heen weten te glippen. Deze keer meer in het zuiden, in Mytilini, en minder aan de noordkust. Logisch, want de oversteek naar Mytilini is langer, de zee wijder, dus is er meer kans om de gevreesde ‘terugduwschepen’ te ontwijken.

Hoeveel vluchtelingen hangen er nu nog rond aan de Turkse kust? Van waar vertrekken die bootjes nu? Hoe staat het met de mensensmokkelaars? En met de Turkse en Bulgaarse maffia die vorig jaar miljarden verdiende? Twaalfhonderd dollar per volwassene of kind, twintig tot veertig passagiers per bootje. Meer dan een miljoen wanhopige vluchtelingen betaalden voor hun onzekere overtocht. En hoe gaat die ‘betaling’ eigenlijk in zijn werk? Krijgen vluchtelingen of hun familieleden hun geld terug wanneer ze sterven of ‘teruggeduwd’ worden?

Op de boot, eenmaal flink op weg, valt ons tussen de besnorde Turken en hun zwaarlijvige dames een aantrekkelijk stelletje op met een pas geboren baby’tje, veel te veel koffers vol vliegstickers en een Rolls-Royce van een kinderwagen. Dit echtpaar lijkt ergens uit Noord-Europa te komen en via Griekenland naar Turkije te reizen, hoogopgeleid, waarschijnlijk van plan de Turkse oma haar nieuwe kleinkind te tonen. Omdat Sean en ik nul contacten hebben aan de overkant pappen we met hen aan.

Yigit is sociaal werker en is al twee jaar voor de gemeente Hamburg met vluchtelingen in de weer, zijn vrouw Annet is daar bibliothecaresse. In het traditionele zomerhuis van de familie, dertig kilometer boven Ayvalik, wachten mama, schoolbuschauffeur in Istanbul, zus Firuze, ecologe, net terug van een jaar vrijwilligerswerk met vluchtelingenkinderen in Spanje, en de rest van de extended family op Rosa, zeven weken oud. Bingo. Als we vragen of ze ons willen helpen, is het antwoord volmondig ja.

We nemen op hun advies een hotel in het schilderachtige oude centrum. En we huren een auto, want we willen op zoek naar stranden die als vertrekplek dienen. Dat mislukt jammerlijk: overal waar we, afgaand op Google Maps, komen, treffen we commercieel uitgebate stranden aan, eindeloze rijen zonnebadende Turken, en alles geheel open, totaal in het zicht, volstrekt ongeschikt voor welke geheime operatie ook.

Ten slotte wandelen we door het stadje naar de smerigste hotelletjes die we maar kunnen vinden. In het Benaki Museum in Athene zag ik op de indrukwekkende tentoonstelling Routes of Refugees dat in Izmir veel vluchtelingen in dat soort krotten logeren, wachtend op transport. Weer bingo. De receptionist van het eerste vieze hostel trekt zo lijkbleek weg en begint zo overdreven te schreeuwen dat ‘he never never never accepts refugees as guests’ dat we in de lach schieten. We posten ’s avonds aan de overkant – waar een politiebureau is – en zien een groep magere mannen met gehoofddoekte en gesluierde vrouwen op de stoep in gesprek voor ze naar binnen gaan. Sean loopt erlangs en dankzij maanden ervaring in Griekse opvangkampen hoort hij dat het Afghanen en Syriërs zijn.

Medium gettyimages 587167816

Op weg naar huis komen we langs het dorpsplein. Twintig mannen zingen en zwaaien met grote vlaggen; de ijsjes likkende toeristen op de terrasjes keuren hun geen blik waardig. Erdogans lange arm reikt niet tot in Ayvalik.

De volgende dagen doen onze nieuwe Turkse vrienden ontzettend hun best ons van dienst te zijn. We krijgen te horen dat de smokkelarij niet meer vanuit hier, maar nu alleen nog vanuit Izmir wordt georganiseerd. Vorig jaar werd Ayvalik overstroomd door honderdduizenden vluchtelingen. Ze bevolkten de straten en pleinen, er waren geen chemische toiletten en nauwelijks wasplekken. Net als op Lesbos een ramp voor de locals. Vluchtelingen werden openlijk door smokkelaars aangesproken. Dat is nu veranderd.

Vluchtelingen bevolkten de straten en pleinen, er waren geen chemische toiletten en nauwelijks wasplekken

Per sms wordt de komst aangekondigd van Joost, een Nederlandse vrijwilliger die zich zeven maanden lang dag en nacht op Lesbos voor de vluchtelingen heeft ingezet. Hij gaat terug naar Amsterdam, maar voor hij vertrekt wil hij de Turkse kant zien. ‘Om het vluchtelingenverhaal voor mezelf af te sluiten’, zegt hij door de telefoon.

Joost heeft van alles wat wij niet hebben. Een nauwkeurige kaart van diverse vertrekplekken, screenshots van apps van vorig jaar waarop overal langs de Turkse en Griekse kustlijn en midden op zee blauwe ballonnetjes staan: pins van vluchtelingen in bootjes. We vertrekken met twee huurauto’s naar Dkili, halverwege het dorp Ayvalik en de stad Izmir, waar de enige Turkse kustwacht zit tot Izmir. Nee, na de coup mogen we niet één ambtenaar, laat staan iemand van de politie spreken.

In een winkeltje met visgerei en nog maar één kinderzwemvest aan de muur – ‘vorig jaar hing de hele winkel vol’ – wijzen ze ons naar een boot van twee jonge Turkse kapiteins (19 en 22). De kapiteintjes zijn moeilijk te vinden. Als we in een baai aankomen waar we door ondiep water naar het houten scheepje moeten lopen, snappen we waarom: deze plek, de bijna onbereikbare strandjes rond de baai, onder bomen en tussen struiken, is perfect voor clandestiene activiteiten. We vertellen de jongens niet dat ik journalist ben, we hangen overtuigend de ‘sentimentele vrijwilligers’ uit.

De twee gaan helemaal op in hun rol als onze gidsen. Ze brengen ons van de ene naar de andere plek waar nog een beetje rotzooi van vluchtelingen ligt, want het meeste afval is al lang opgeruimd. Ze springen in het water, zoeken tussen rotsen, houden triomfantelijk een legging, een T-shirt en een kinderschoen voor ons omhoog, wijzen opgewonden naar een wiel van een rolstoel, alsof het jachttrofeeën zijn. Het bootje wiebelt bij iedere rimpeling. Op ons dringende verzoek – ze willen liever niet – varen we even de lieflijke ‘geheime baai’ uit, de zee op, richting Lesbos dat in de heiige lucht recht tegenover ons ligt. Akelig dichtbij. De boot begint gevaarlijk te schommelen, dwars op een golf, we zullen kapseizen. Zware Sean moet voortdurend verzitten voor de gewichtsverdeling.

Joost, turend naar het eiland waar hij zeven maanden was: ‘Er zijn ooit twee vluchtelingen naar Lesbos gezwommen.’ We houden ons alle vijf stevig vast, het scheepje slingert nu gewelddadig van links naar rechts. Joost wijst naar het dakje dat beschutting geeft tegen de zon: ‘Dit soort bootjes kregen wij ook, die waren het ergst, er zaten zelfs mensen op het dak. Als ze niet waren gekapseisd op volle zee deden ze het wel vlak voor de Griekse kust.’ Niemand vraagt hoeveel mensen juist door dit soort boten verdronken zijn.

Joost heeft een kostbaar device bij zich waarmee je ook midden op het water op internet kunt. Op zijn computer laat hij zijn Vimeo-filmpjes zien. Als vrijwilliger die ’s zomers en ’s winters vluchtelingen opviste uit de branding van Lesbos droeg hij soms een jack met een schouderwebcam erop. We horen zijn gehijg, zijn plonzende stappen in het water, het gegil, gekrijs en gehuil uit aankomende rubberboten, we zien voortdurend zijn armen, zitten in zijn hoofd, voelen hoe zijn – ‘onze’ – verkleumde handen rillende kinderen en blauw aangelopen baby’s aanpakken en zwangere vrouwen en invalide opaatjes helpen. En we beleven hoe hij woedend en doodsbang onervaren ‘vrijwilligers’ die langs de kant staan te wuiven wegbonjourt, omdat ze arriverende boten regelrecht naar gevaarlijke rotsen in plaats van naar veilig zand wenken. Zodra zo’n boot op een rots stuit, zakt hij als een lekgeprikte ballon in elkaar en komt iedereen in het ijskoude water terecht.

Het is beeldmateriaal dat niemand van ons ooit eerder heeft gezien, dat nooit op tv is vertoond. De kapiteins huilen en krijgen ruzie. We hebben de indruk dat de een de ander uitscheldt, omdat de een waarschijnlijk met de mensensmokkel heeft meegedaan, daar geld mee heeft verdiend. Nu krijgt hij op zijn lazer als ‘handelaar in ellende’. Sean spitst zijn oren, zegt me dat hij de ene kapitein apart wil spreken over zijn eigen plan om per boot over te steken. Ik verbied hem voor de zoveelste keer over dit krankzinnige idee zelfs maar na te denken.

Dan zijn alle batterijen op, ook de draadloze extra oplaadaccu van Sean is leeg. De kapiteins fluisteren boos met elkaar, Sean en Joost pochen tegen elkaar over hoe moeilijk het is om met goedbedoelende maar soms oerdomme vrijwilligers te moeten werken, maandenlang, elke keer weer te moeten lijden onder die arbeidsintensieve nieuwkomers die eerst getraind moeten worden omdat er anders ongelukken gebeuren.

Medium hh 54932091

Yigit (30) en Firuze (32) hebben nieuwe informatie. Er is volgens hen een plein in Izmir waar veel vluchtelingen zitten: Basmane Gar. Mijn collega van de nos stuurt een nummer van een Syriër die daar woont. We gaan de volgende dag op weg.

‘Ik zorg ervoor dat vrouwen en kinderen niet geslagen worden, zoals vroeger door de Turken’

Drie uur rijden we langs de kust van een immens land dat de afgelopen dagen voor onze ogen is veranderd. De laatst nog miezerige bijeenkomst in Ayvalik is uitgegroeid tot een avondmanifestatie van duizenden gillende, vlaggen zwaaiende mensen, ook vrouwen en kinderen, geflankeerd door een fanfare in Ottomaanse kledij. Langzaam kleuren de straten rood: eerst hingen een paar mensen een rode vlag over hun balkon of een levensgroot portret van Erdogan achter hun raam. Nu zie je nauwelijks meer balkons, ramen, kantoorfaçades en supermarktdaken waar ze níet hangen. Na Erdogans zuiveringen van leger, politie, justitie en onderwijs zijn nu de media aan de beurt.

Onze Turkse vrienden worden met de dag banger, en bozer. Furieus op de EU, de VS en de VN die ijskoud blijven roepen dat ze de ‘democratisch gekozen regering van Erdogan steunen en de coup afkeuren’. Yigit wil dat zijn moeder en zuster nooit meer naar Istanbul gaan – niemand weet of de school van oma überhaupt nog open zal gaan –, dat ze alles achterlaten en direct met hem en Annet mee terugreizen naar Duitsland. Als dat nog kan, want van Erdogan mag geen Turk de grens meer over, dan ben je meteen verdacht, een mogelijke discipel van Gülen.

Vlak voor we weggaan fluistert Yigit schor: ‘Als je serieuze mensensmokkelaars treft, probeer dan uit te vinden hoeveel het kost om mijn hele familie eventueel naar Lesbos te verschepen.’

Basmane Gar is een station, daarachter ligt een kleurrijke wijk, een prachtige bazaar met steegjes vol groenten-, fruit- en kruidenwinkeltjes en barbierzaakjes, straten waarboven grote doeken tegen de zon wapperen of die overdekt zijn met door klimop begroeide ijzeren constructies. Als een oriëntaals filmdecor. We begrijpen dat in de hoofdstraat vol met morsige hotelletjes – inmiddels Syrian Street genoemd – en op het plein vorig jaar meer dan een half miljoen vluchtelingen zaten en sliepen. Het is moeilijk voor te stellen, alles oogt nu rustig en gezapig. Via-via spreken we in Antik Café af met Arif (45) uit Syrië, al een jaar in limbo te Izmir met vrouw en drie kinderen omdat hij de overtocht naar Griekenland niet aandurft en omdat de levensgevaarlijke onderneming, nu je daar onmiddellijk gearresteerd en later teruggestuurd wordt, nogal zinloos is geworden.

Hij heeft mazzel, wordt financieel gesteund door zijn twee broers in de VS en Saoedi-Arabië en woont in een riant huurappartement – tweehonderd euro per maand – aan de rand van Basmane Gar. Hij woont tenminste niet in een vreselijk Turks opvangkamp. Af en toe verdient hij wat bij als vertaler voor journalisten. Arif, mager, kalend, doodvermoeide ogen, gekromde schouders, spreekt goed Engels en zegt dat een smokkelaar ontmoeten onmogelijk is. Wel weet hij drie mannen die het liefst vanavond nog naar Lesbos oversteken.

Aan de waterkant, met uitzicht op de haven van Izmir, wachten Zakaria (25), Ata (44) en Mohamad (40). Hun verhalen gaan over dood en destructie in Aleppo en Damascus. Zakaria is de enige zonder familie, de andere twee zijn belast met zieke ouders en wat er nog van hun eigen gezin over is. Ze zijn al vier maanden in Izmir, wonen in gekraakte huizen in Basmane en wachten op geld van familie in Europa. Ja, ze zijn in contact met een smokkelaar, via Facebook. Nee, die krijg je niet te zien.

Dan grijpt Sean in: ‘Vergeet die dame, desnoods stuur ik haar weg, ik wil zelf oversteken en daarvoor betalen.’ Dat landt. Tot onze verbazing zonderen Mohamad en Arif zich af, ze gesticuleren opgewonden, af en toe naar ons kijkend. Als ze weer gaan zitten biecht Arif op: ‘Oké dan. Ik ben zelf coördinator voor een smokkelaar.’

Alsof hij op een waarheidsknop in zijn hoofd heeft gedrukt vertelt Arif hoe het vandaag de dag allemaal precies in zijn werk gaat. Heel anders dan een jaar geleden, toen de Turkse maffiabazen in Istanbul nog Túrkse ‘werknemers in het veld’ – coördinatoren ter plekke – hadden en betaalden. Het aantal vluchtelingen in Izmir was toen zo groot en het was zo moeilijk voor de Turkse politie om wat dan ook te ‘controleren’ dat handlangers van criminelen uit Istanbul open en bloot vluchtelingen op straat aanspraken, in cafés deals sloten en het transport naar de stranden zelf regelden. Nu vallen Turken die op de achtergebleven vluchtelingen afstappen te veel op. Daar komt bij dat veel Syriërs vanwege het gestegen dodenaantal niet meer durven, in Izmir blijven steken en daar tevergeefs naar werk zoeken. Ze zijn makkelijke prooien voor de maffia, die nu dankzij hén meer dan ooit buiten schot kan blijven.

‘Het is tegen mijn principes’, zegt Arif, ‘maar ik kan niet de hele tijd mijn hand bij m’n broers ophouden, en ik zorg er tenminste voor dat ze met slecht weer niet vertrekken, en dat vrouwen en kinderen niet geslagen worden, zoals vroeger door de Turken.’

Mannen als hij kenden al Turkse smokkelaars uit het verleden, toen ze nog van plan waren zelf met gezin en al over te steken. Als Turken merken dat huisvaders als Arif radeloos op zoek zijn naar werk, dat door discriminatie van vluchtelingen onmogelijk te verkrijgen is, benaderen ze die en doen hun een aanbod. Of ze dat nu aannemen of weigeren, het maakt niet uit, ze zien die Turk nooit meer. Communicatie gaat alleen nog via Facebook en de smartphone – hebben ze die niet, dan krijgen ze er een – en met iedere week andere prepaid pruttelefoontjes. Door de enorme afname van de vraag is de prijs per persoon tot vijfhonderd dollar gezakt. (Sean veert enthousiast op, ik druk hem streng neer.) Smokkelaars vechten hier nu om vluchtelingen, zoals aan de Griekse kant vrijwilligers vechten om bootjes, omdat er nog maar zo weinig van zijn. Allerlei diensten aan vluchtelingen doemen op, zoals sinds kort een gratis hotel waar je kunt wachten op de nacht van vertrek.

Smokkelaars vechten hier nu om vluchtelingen, zoals aan de Griekse kant vrijwilligers vechten om bootjes

Als Syriër kan Arif zich onopgemerkt tot andere Syriërs wenden. Gewoon, vluchtelingen onder elkaar die een praatje maken, toch? Op allerlei in het Arabisch geschreven Facebook-community-pagina’s, die eruitzien als reclame voor toeristen, staan nummers. Bel je die, dan krijg je Arif of een van zijn collega’s aan de lijn. Je spreekt af in een louche café. Daar kom je een prijs overeen. Hoe meer andere klanten een klant meebrengt, hoe lager de prijs voor hem, niet voor de anderen. Dan ga je als klant naar een winkeltje of naar een ander café, of je komt met een achterblijvende Syrische vriend, en daar geef je in het bijzijn van Arif, de coördinator, de hele som geld in beheer bij je vriend, of bij de winkel- of café-eigenaar, voor de overtocht van ‘jouw’ groep. En je krijgt een nummer waarop je moet doorgeven dat je goed bent aangekomen, en met hoeveel.

Arif: ‘Dan begint het eindeloze wachten, samen met de persoon die het geld in bewaring heeft, tot het verlossende telefoontje.’

Tijdens het wachten voeren anderen – steeds vaker gestrande Syriërs en Afghanen – Arifs bevelen uit. Mensen moeten zelf met de lijnbus naar een van de vele kustplaatsjes, de namen veranderen per week, deze week is het Akcay. (We zijn er drie keer dwars doorheen gereden.) Vanaf dat moment is alles in de prijs van vijfhonderd dollar inbegrepen. Ze krijgen een slechte hotelkamer en mogen zich niet meer laten zien. Normaal kosten die kamers tien lire per persoon, voor het aannemen van vluchtelingen krijgen hoteleigenaren vijftig lire. Zodra de kust veilig is en de zon onder, vervoeren taxi’s de mensen – ook voor het vijfvoudige van de normale prijs – naar de vertrekplekken, de laatste kilometers met de koplampen uit.

Daar moeten de mensen hun zwemvesten aantrekken en soms uren gehurkt in de bosjes wachten. Op het allerlaatst komt de vrachtwagen met nooit meer dan twee boten en bijbehorende motoren. Een goed geolied team van vijf mensen springt eruit, pompt in no time de rubberboten op, hangt de motoren eraan, tankt benzine, laadt de vluchtelingen in, duwt ze de zee op en verdwijnt even snel als het kwam.

Dan is het aan de vluchtelingen zelf om heelhuids de patrouilles op zee te omzeilen en in Griekenland aan te komen, dankzij Google Maps op een smartphone, want er is altijd wel een vluchteling die dat heeft. (Voor mensen in Noord-Europa die niet begrijpen waarom ‘arme vluchtelingen’ smartphones hebben, voilà, hier is het antwoord. Plus dat ze daarmee ook contact met hun familie houden.)

Als ze zijn aangekomen, moeten ze onmiddellijk bellen. Direct na het telefoontje krijgt Arif zijn geld van de vriend, of van de café- of winkeleigenaar, die daar ook weer een percentage van neemt. Doen die dat niet, dan kunnen ze vermoord worden door doodseskaders van de maffia in Istanbul, dus iedereen doet het. Komt er geen telefoontje, dan kan Arif fluiten naar zijn centen. De bedragen van eventueel verdronken personen worden van de eindbetaling afgetrokken. ‘Iedereen pikt een graantje mee’, zucht Arif, ‘van mijzelf, taxichauffeurs, hoteleigenaren en bootfabrikanten tot en met de big bosses in Istanbul aan toe.’

Het duizelt ons als we terugrijden. In het donker racen we door Akcay waar vannacht een transport is gepland.

Sean stuur ik naar Istanbul voor een visum van de Libanese ambassade, met de huurauto die hij nog drie dagen mag hebben. Ik geef hem weinig geld, stel je voor dat hij anders een overtocht koopt. Via vrienden organiseer ik een vliegticket naar Beiroet. Daar vangen andere vrijwilligers hem op. Die brengen hem naar Libanese vluchtelingenkampen, die nog veel erger zijn dan de kampen in Griekenland. Daar kan hij zijn levenswerk voortzetten.

Op de valreep lees ik op Twitter dat de hele Turkije-deal op springen staat. Daar is dus een bloedige onderdrukking van een mislukte coup voor nodig geweest. Ik wil nog antwoord op één vraag: heeft eurocommissaris Frans Timmermans gelijk wanneer hij roept – en dat doet hij voortdurend – dat het akkoord met Turkije werkt, omdát de Turkse politie en kustwacht als onderdeel van die deal sinds 18 maart vluchtelingen aan de kust tegenhouden, succesvol smokkelaars opsporen en arresteren?

Aan de vooravond van mijn vertrek spreek ik de burgemeester van een kustplaatsje in de buurt, geen Erdogan-aanhanger maar iemand van de oppositie. ‘Welnee’, zegt hij, ‘de Turkse politie en kustwacht doen helemaal niets, ze nemen alleen door Frontex en Navo teruggeduwde bootjes vol vluchtelingen op en leveren ze netjes hier aan land weer af.’

Dus Timmermans liegt?

De burgemeester: ‘Als hij dat zegt, ja dan liegt hij.’


Ingeborg Beugel schrijft voor De Groene Amsterdammer over de vluchtelingencrisis in Griekenland. Sean figureert ook in haar verhaal ‘Vanavond is het rustig, iedereen heeft diarree’, over de duizenden vluchtelingen die zijn blijven steken in de haven van Piraeus, in De Groene van 22 juni


Beeld: (1) Dikili, Izmir, april. Een rubberboot met vluchtelingen op de Aegeïsche zee richting Griekenland (Musab Yousef / AP / HH); (2) onderschepte vluchtelingen op de kade bij Cesme (Denizhan Guzel / Anadolu Agency / Getty Images); (3) Smokkelaars en vluchtelingen proberen te onderhandelen rond het Sinbad-restaurant op het Basmaneplein in Izmir, eind 2015. (Door de enorme afname van de vraag is de prijs per persoon nu gezakt tot vijfhonderd dollar) (Tyler Hicks / The New York Times / HH)