Syrië na vier jaar burgeroorlog

Vechten op alle fronten

De kopstukken van het regime van Assad en de vechtende generaals aan het front lijken hun zelfvertrouwen te hebben herwonnen. We reizen achter de linies in een verwoest land. Maandag beginnen in Moskou vredesonderhandelingen, maar de wrede strijd gaat door. ‘We maken geen krijgsgevangenen.’

Medium syria 2014 12 30 dam 0323

‘Alles is geregeld, jullie moeten nu naar de generaal!’ Damascus, eind december. Het heeft regeringsperschef Reem Haddad acht maanden gekost om het Syrische leger ervan te overtuigen westerse journalisten op sleeptouw te nemen. Het is al bijna een jaar geleden, januari 2014, dat we Syrië bezochten. Een jaar waarin volgens min of meer betrouwbare cijfers 76.000 doden vielen. Een kwart van de slachtoffers burgers. Waaronder meer dan drieduizend kinderen.

Nu zijn we terug. Syrië gaat in 2015 het vijfde jaar van oorlog in. Onze tolk-van-regeringswege, Bacel, heeft zich vrijwillig aangemeld om met ons mee te reizen. Hij heeft een droge humor, doet aan yoga en rookt veertig sigaretten per dag. Op lange autoritten mediteert hij en bidt tot God voor het veilig verlopen van de reis.

In een zwaarbewaakte kazerne drie generaals. Ze zitten klaar in rangvolgorde. De hoogste generaal draagt een trainingspak: ‘Het is mijn vrije dag.’ Niet zo lang geleden, zegt hij, heeft hij de proef op de som genomen met de westerse pers. ‘En we zijn bedonderd. Zit ik hier twee uur met Der Spiegel te praten, schrijven ze een totaal ander stuk!’ Een tirade over Amerika en hoe de Golfstaten de rebellen steunen, volgt. ‘Wij zijn Amerika niet’, zeggen we. ‘We willen zonder vooroordeel beschrijven wat we zien.’ De generaal kijkt ons recht in de ogen. Fiat! ‘Ik zal alle legerposten inlichten over jullie komst.’

Dan bellen we met het presidentiële paleis en Hamsa Al-Kassir, perschef en naaste medewerker van Assad, stuurt een auto om ons op te halen. Een beleefdheidsbezoek, voor de goede banden. Het anderhalf jaar geleden aangevraagde interview met president Assad zit er ook nu niet in, zegt Hamsa Al- Kassir. Al staan we hoog op de lijst. Het paleis, een gigantische granieten kolos die hoog boven de stad uit torent, is leeg en donker, op een paar verlichte werkkamers na. ‘We hebben een steeds nijpender stroomtekort’, verklaart ze. ‘En de internationale sancties doen zich voelen. Het is niet zozeer dat de prijzen stijgen, maar de pakken melk in de supermarkt worden kleiner en kleiner.’

In de nacht klinken in de verte houwitsers en luchtafweergeschut; Damascus is nog allesbehalve veilig: stadswijken in het noordoosten en het oosten zijn in handen van rebellengroepen van uiteenlopend pluimage en, op iets grotere afstand, op het zuidelijke front, woedt een ware uitputtingsslag. De volgende ochtend scheren Mig-straaljagers van de Syrische luchtmacht over de stad en klinken een paar zware dreunen van vliegtuigbommen. ‘Op de grond is weinig beweging. De fronten zitten al maanden vast’, zegt een toevallig passerende soldaat. ‘We moeten het nu van luchtaanvallen hebben.’

Oudjaarsdag. Om kwart voor zeven enorme dreunen – de ruiten van ons logement in de historische binnenstad trillen ervan. Kanonnen bulderen. Iedereen staat op z’n balkon. Op het dak geklommen, zien we boven de wijk Jobar, twee kilometer verderop, grote rookwolken opstijgen en raketten inslaan. Het is het zwaarste offensief sinds bijna een jaar, zeggen de buren. Achteraf pas zal blijken: Assad bezoekt die Oudjaarsavond de troepen aan het front.

Maar wij moeten weg, naar Aleppo, de grootste stad van Syrië, een dikke driehonderd kilometer naar het noorden. De driehonderd dollar voor een huurauto hebben we niet; we nemen de lijnbus. Langs het geknal in Jobar en dan langs kilometers van totaal verwoeste buitenwijken.

Het wordt een tocht van acht uur; de bus maakt een enorme omweg via het oosten – want de doorgaande snelweg ligt in rebellengebied. ‘Hoe ver zit IS eigenlijk?’ vragen we onze tolk bij een tussenstop bij een wachtpost annex koffiehuis. ‘Een kilometer of vijftig hiervandaan’, schat Bacel. ‘Nee hoor’, zegt de soldaat die koffie komt brengen vrolijk, ‘ze zitten hier pal achter de heuvel, een meter of driehonderd van ons vandaan. En aan de andere kant van de weg, iets verderop, zit Al Nusra. Bijna iedere nacht legt IS hier mijnen op de weg, die wij dan ’s ochtends weer opruimen.’ Een niet ongevaarlijke klus: ‘De afgelopen maand verloren we twee officieren en drie soldaten.’ Nieuwsgierig loop ik richting heuvel. Maar de zwarte vlag van de jihad is niet te zien.

‘This is your escort.’ In het Pullman Hotel in Aleppo komt een jonge politieluitenant ons tegemoet. Buiten staat een pick-uptruck met drie soldaten gewapend met kalasjnikovs al op ons te wachten. ‘Voor jullie eigen veiligheid’, zegt de luitenant. ‘In Aleppo wordt zwaar gevochten en grote delen van de stad zijn nog steeds in handen van de terroristen.’ We weten het; daarom zijn we hier. In Aleppo zal het komend jaar wel eens de beslissende slag kunnen worden geleverd.

In de zomer van 2012 was de stad goeddeels in handen van de opstandelingen, maar sinds een half jaar is het tij gekeerd. Door luchtaanvallen, al dan niet met de beruchte barrel bombs, olievaten gevuld met tnt en allerhande schrootmetaal, en door uithongering van hele stadswijken, probeert de Syrische regering met steeds meer succes de stad in handen te krijgen en de aanvoerlijnen van de jihadistische strijders naar het achterland af te snijden. Want gematigde rebellen zijn er nauwelijks nog in Aleppo. Het Islamitisch Front, een coalitie van allerhande jihadistische brigades, en anderzijds Al Nusra hebben die al lang geleden verdreven of ingelijfd. ‘Gematigde oppositie in de seculiere, westerse betekenis van het woord bestaat niet in Syrië, en heeft ook nooit bestaan’, constateert de Nederlandse denktank Clingendael in haar Syrië-rapport van 2014.

‘En dit is Lama, jullie gids in Aleppo.’ Een jonge vrouw met hoofddoek wordt voorgesteld. Ze is van de plaatselijke afdeling van het ministerie van Informatie. Ze is goedlachs, maakt constant grappen met Bacel en spreekt geen woord Engels. ‘Ze is van de plaatselijke afdeling van mi5’, zal later een officier ons toevertrouwen.

‘Het is Oudjaarsavond’, zegt de politieluitenant. ‘In de kerken wordt vanavond gebeden voor de vrede. Willen jullie dat zien?’ We zijn eigenlijk niet voor kerken gekomen, maar de luitenant dringt aan. Dus rijden we in een taxi richting kerk. Met achter ons de pick-up, met in de laadbak een man met een zware mitrailleur. Omringd door drie met kalasjnikovs bewapende soldaten bezoeken we de mis.

Eten, feest, geknal. Middernacht. 2015. Syrië gaat het vierde oorlogsjaar in met, volgens de exacte cijfers van de unhcr, 6.520.800 binnenlandse vluchtelingen en 3.029.465 vluchtelingen buitenslands. Samen iets meer dan de helft van de bevolking van achttien miljoen zielen. Op Nieuwjaarsochtend drie mannen in de lobby met opvallend-onopvallende leren jasjes. Zonder twijfel geheime dienst. Ons escorte is daarmee uitgedijd tot negen. We willen naar het oostelijke front, richting Raqqa, de hoofdstad van het kalifaat. Dat kan. Met achter ons aan een extra pick-up waar we in geval van nood allemaal in kunnen springen. Langs de weg een lint van tientallen verwoeste dorpen. We lezen het landschap: in sommige plaatsen hebben duidelijk tankslagen gewoed, met horizontale, ronde gaten in de muren. Andere dorpen zijn bestookt met houwitsers en mortieren (kapotgeschoten daken, sterren op het wegdek) of vliegtuigbommen (platgegooide huizen en gapende gaten groot als kleine zwembaden). Tienduizenden kogelgaten wijzen op huis-aan-huis-gevechten.

Maar in sommige dorpen is nauwelijks collateral damage. Alle huizen plat, maar geen ontwortelde bomen, geen gaten in de weg: sommige dorpen lijken simpelweg opgeblazen. Dan verder zuidwaarts, de woestijn in. Om de tien kilometer rijzen burchten op van dertig meter hoge aarden wallen met ingegraven tanks en kanonnen, die de vlakte bestieren, de lopen gericht naar oost en west en noord en zuid.

Dan, op een driesprong een Pipo de Clown-woonwagen en een oude ijssalon op wielen. Een potkacheltje snort. De generaal-te-velde, gekleed in battle-dress, heet ons van harte welkom. De generaal laat rijst en kip aanrukken. Sinds kort geldt er in Syrië een wet die officieren verbiedt met de pers te praten, maar geen officier die zich daaraan houdt. Maar de recorder laten we uit en naar zijn naam vraag ik niet – dat alles spreekt voor zich. ‘Het vuur dat in Syrië is ontstoken, zal het Westen doen branden’, zegt de generaal, ondertussen in de schotel zoekend naar de dikste kippenbout voor zijn gasten.

Hij vormt, zegt hij, de eerste verdedigingslinie tegen de jihadisten: ‘De dag zal komen dat de hele wereld Syrië dankbaar is omdat ze de extremisten verslaan. Terroristen, getraind door het Westen, zullen als een boemerang terugslaan op westerse landen.’ Het is zes dagen voor de aanslag op Charlie Hebdo. ‘De gewone Europeanen en Amerikanen verdienen dat niet. Hun regeringen wel. Ik wens die alles toe wat slecht is.’

Heeft hij onlangs nog gevochten? ‘Ja, een paar weken geleden, een zwaar gevecht tegen Al Nusra. Veertig doden. Er hing hier toen zware mist. Ze hebben niet de moed om ons in de ogen te zien, het zijn lafaards. Dat is de aard van het gevecht hier: hit and run. We vechten aan alle kanten, onze kanonnen staan gericht naar alle windrichtingen. In het westen zit Al Nusra, hier veertien kilometer vandaan, maar enkel in de dorpen. In het oosten en in het zuiden IS.’

Heeft hij krijgsgevangenen gemaakt? Met gevangen genomen jihadisten willen we graag praten, bij voorkeur die uit Nederland. ‘Nee. We maken geen gevangenen. Óf ze vluchten, óf we doden ze terstond. We schieten ze ter plaatse af en schoffelen ze met de graafmachine onder de grond. Ik beschouw ze niet als mensen, ze zijn voor mij minder dan dieren. Langs de weg waar jullie van kwamen, liggen er negentien in een massagraf, ga straks maar even kijken: terroristen uit Egypte, Soedan, Algerije en Saoedi-Arabië.’ Hij legt een paar ID’s op tafel.

Medium syria 2015 01 02 alp 0992

En die verwoeste dorpen langs de weg, heeft hij die opgeblazen? ‘De dorpelingen werkten samen met het Vrije Syrische Leger. En sommigen werden gebruikt als menselijk schild. We hadden geen andere keus.’

‘Wanneer zal de oorlog over zijn?’

‘Wanneer de hele wereld ervan overtuigd is dat wij gelijk hebben.’

‘Dan wordt het een lange oorlog…’

‘Ja.’

De generaal zet zich achter het stuur van zijn suv en we rijden de woestijn in, naar het uiterste front met IS. Achter ons twee trucks met zware mitrailleurs. ‘Onze laatste stelling is hier.’ Aan het front is niets te zien: een aarden wal, luchtgeschut, een rafelige Syrische vlag boven een lege vlakte. Twintig kilometer niemandsland. Achter de horizon het kalifaat, maar het is veel te ver om de zwarte vlag te zien. Hier, vijftig kilometer ten westen van Raqqa, is het front tot stilstand gekomen. Leeg woestijngebied kun je erbij pakken, maar dat heeft geen zin. Als IS niet verder optrekt naar het westen is de grens grosso modo getrokken: een de facto tweedeling van Syrië tussen het kalifaat in het oosten en het Assad-regime in het westen. ‘Maar dat de internationale gemeenschap een de jure opdeling van Syrië in verschillende nieuwe staten accepteert, is onwaarschijnlijk’, analyseert Clingendael in een recente schets voor een vredesvoorstel. ‘Noch de VS, noch Rusland, noch Turkije zal dat accepteren.’

Daarom zal in een toekomstig vredesoverleg een overgangsdeal naar de een of andere federale of confederale constructie welhaast de enige weg zijn, concludeert de Haagse denktank. Mét een rol voor Assad. ‘De huidige mate van controle en steun voor het regime maakt het hoogst waarschijnlijk dat er een rol voor hem is weggelegd, mogelijk als heerser van een van de constituerende delen van een toekomstig Syrië.’

‘De dag zal komen dat de hele wereld Syrië dankbaar is omdat ze de extremisten verslaan’

Maar een opdeling van Syrië is allerminst de inzet van de Syrische regering in de onderhandelingen die maandag in Moskou beginnen. En ook niet van de generaal.

‘Gaat het regeringsleger Raqqa heroveren?’

‘Binnenkort. Nog in 2015.’

Hoe weet hij dat?

‘Ik weet wat mogelijk is. Ik ken onze kracht. Ik ken onze voorbereidingen. Die zijn Militair Geheim. Maar meneer de president heeft gezegd dat we Raqqa gaan bevrijden.’

Nieuwjaarsnacht. Terug in Aleppo. In de verduisterde straten met een veiligheidsagent op zoek naar ‘de beste shoarmatent van de stad’. Het stortregent. Opeens hoor ik zacht gesnik. Twee kinderen, twee zusjes zo te zien, van een jaar of drie en vijf, tegen elkaar aan, tegen een muurtje, bijna geluidloos huilend. ‘Wat scheelt eraan, kinderen?’ vraag ik, op m’n hurken zittend, ‘Bacel, kom hier! Vertaal!’

Het oudste meisje vertelt schokschouderend: het blikje bonen dat ze vandaag probeerden te verkopen, is van ze gestolen. Hun ouders, vluchtelingen, wonen hier in het opvanghuis. Ze durven niet naar binnen. Zitten hier waarschijnlijk al uren in de regen. In veel te dunne hemdjes. Ik pak vijftig Syrische pond, een kwartje, en dan honderd. Dan vijfhonderd pond, twee euro; een dagloon. Het oudste kind pakt de vijftig pond uit de hand van haar zusje. Dan neemt ze haar zusje bij de hand. Samen steken ze de straat over en verdwijnen in de nacht.

Vier mortieren zijn die eerste dag van 2015 in de door de regering beheerste wijken van Aleppo ingeslagen, meldt het staatspersbureau sana. Dertien doden, waaronder vijf kinderen, en 32 gewonden. Die cijfers worden even later door het oppositie-gezinde Syrian Observatory for Human Rights vanuit Londen bevestigd. Buiten de stad bestookt de Syrische luchtmacht de rebellen.

We gaan met het leger de binnenstad in. Naar het beroemde Baron Hotel, waar Agatha Christie Murder on the Orient Express schreef, en we dwalen in de lege zalen, en rijden dan verder de Oude Stad in. Die is zo goed als uitgestorven. Plukjes soldaten met zwarte hoofddoeken en woeste baarden staan bij make-shift bunkertjes van zandzakken op het grote plein bij de stukgeschoten nationale bibliotheek. Het lijken jihadisten, maar het blijken speciale troepen uit Latakia, de thuisbasis van Assad. Bij een tunnel onder de oude stad, die drie dagen geleden door de rebellen is opgeblazen, doet de politieluitenant z’n epauletten af. Sluipschutters. Op naar een andere hot spot, waar een gasfles met propeller te zien is die de rebellen in elkaar geknutseld hebben. Ingenieus, wil de commandant ter plaatse wel toegeven, en het ding geeft enorme klappen. ‘Tot voor kort waren de rebellen in het offensief, maar sinds een maand of drie zijn wij aan de winnende hand’, zegt de commandant. ‘Wij zijn nu in de aanval.’ Gaat hij de oorlog winnen? ‘Daar ben ik zo zeker van als dat ik jou zie.’ Door een militaire overwinning? ‘Uiteraard.’

De gouverneur van Aleppo is een machtig man. Het is op afstand de rijkste provincie. Hij staat dan ook dicht bij Assad. In een door granaten gehavend gouvernementsgebouw een houtbetimmerde en warmgestookte zaal. Omstandig schetst gouverneur Marwan Olabi de glorie van stad en provincie en hoe hij de salarissen doorbetaalt van de ambtenaren die leven in de rebellengebieden. In het vredesplan van VN-gezant De Mistura, dat zou moeten beginnen met een staakt-het-vuren met de rebellen, ziet hij weinig. ‘Het zijn moordenaars – en ze moeten worden gedood. Dat is een menselijke wet overal ter wereld: wie doodt moet worden gedood. Meneer de president heeft verschillende amnestie-decreten uitgevaardigd: burgers die niet gemoord hebben, gaan vrijuit, ook al droegen ze een wapen. Ze kunnen weer naar hun huizen terugkeren en als gewone burgers leven, met al hun rechten. Maar voor de moordenaars en terroristen is er geen ander antwoord dan de overwinning.’

‘Ten koste van alles, ook met gebruik van barrel bombs? Is het waar dat de regering barrel bombs gebruikt?’

‘Dat wordt in de westerse media erg overdreven. Gisteren werd aan onze kant nog een bakkerij getroffen door vier mortieren en onder de burgers waren dertien doden…’

‘Weest u alstublieft eerlijk: u zegt dat het overdreven wordt, maar wórden ze gebruikt?’

‘Ieder land heeft het recht om zijn middelen te gebruiken als het in oorlog is met gangsters. Maar wij als staat vallen nimmer burgers aan.’

Tot nu toe heeft de Syrische regering in alle toonaarden het gebruik van barrel bombs ontkend. Van de weeromstuit stoot ik met mijn tas de kostbare kristallen glazen met vruchtensap om. De gouverneur kan er wel om lachen. ‘Een glas breken, is het kwaad breken’, zegt de politieluitenant.

Medium syria 2015 01 04 homs 1477

In Homs heeft het gewerkt, de strategie van het regime om de stad te omsingelen, één voor één de toevoerwegen af te snijden, uit te hongeren en door aanhoudende bombardementen de rebellen steeds meer in het defensief te dwingen. In mei vorig jaar bood de Syrische regering de overgebleven negentienhonderd rebellen, teruggedrongen in de Oude Stad van Homs, een vrije aftocht aan. Voorafgegaan door een wit VN-busje en begeleid door een jezuïetenpater – de achtergebleven collega van de in april vermoorde Nederlandse pater Frans van der Lugt – vertrokken in bussen de laatste rebellen uit de stad waar in 2011 de opstand tegen Assad begon. Ongehinderd en met medeneming van hun eigen geweren en pistolen bereikten ze het door het Vrije Syrische Leger beheerste gebied. We reizen door naar Homs.

Via een alternatieve weg – we willen kijken – rijden we naar het zuiden, richting Homs, maar de verwoesting langs de route is er niet minder om. Onderweg buurten we even bij de generaal-te-velde. Buiten staat een lege kooi. Toch gevangenen? Hij lacht, hartelijk als altijd. ‘Je weet: die maak ik niet.’ Hij pakt een smartphone met foto’s en video’s van lijken van gedode IS-strijders. ‘Die wilde ik je nog laten zien. Ze zijn soms twaalf, dertien jaar. Ze worden deels gedwongen. Maar ook die behandel ik als strijders.’

‘Komaan, het zijn nog kinderen!’ Ik weet dat de generaal me graag mag: ‘Kunt u me beloven dat u ze niet doodt?’ Hij lacht: ‘I still consider them as fighters.’

‘Kunt u ze niet beter naar school sturen?’

‘Misschien zou dat beter zijn.’

Hij heeft zelf drie kinderen. ‘Dus belooft u dat?’ Hij lacht. Deze generaal spreekt frank en vrij en zonder over de schokkende waarheid te liegen. Geeft een schouderklop in plaats van een belofte te doen en geeft de fotograaf een appel. Die stopt er stiekem nog twee in z’n jaszak. De generaal heeft het door en geeft hem een vrolijke pets.

Onze chauffeur luistert niet. We weten niet goed wat er aan de hand is. Soldaten springen uit de berm midden op de weg en gebaren ons te stoppen. Een grote man in gevechtstenue brult van de pijn. Het portier moet open, gebaren zijn maten. De chauffeur drukt met de centrale vergrendeling de autodeuren op slot. De gewonde soldaat schreeuwt woedend en grijpt naar z’n pistool. Z’n maten houden ’m tegen. Doorrijden, doorrijden! gebaart een soldaat. De chauffeur draait z’n raampje open en gaat uitgebreid in discussie. ‘Klootzak, rij door!’ roepen wij, ‘weg van hier!’ Door stommiteiten sneuvelen journalisten.

Heb je alles gezien, kom je in Homs. Voor het Safir Hotel in een redelijk intacte buitenwijk van Homs staan drie jeeps van het VN World Food Program. Dat drijft de prijzen op: 250 dollar per persoon voor een kamer kunnen we niet betalen. Het is koud en het is donker en het regent. We bellen Ziad, de overgebleven collega van de vermoorde pater Frans. Het kost een uur om een taxi te vinden die ons naar de Oude Stad wil brengen. ‘O nee, daar gaan we niet heen!’ roepen alle chauffeurs. Een verkeersagent houdt er uiteindelijk een tegen en reist met ons mee. Soldaten bij oliedrums met vuren. De donkere skeletten van gebouwen. Dan ineens led-kerstverlichting, de jezuïetenresidentie, het huis van pater Frans. Op de binnenplaats in een hoekje het graf. Gemetseld van vloertegels, met kaarsstompjes erop. ‘Pater Frans was een ware heilige’, zegt een man in een opvallend-onopvallend leren jasje die uit het niets opduikt. Ik geef de man van de geheime dienst m’n paspoort – en krijg een glas wijn. Wijn gemaakt door pater Frans; hij financierde zijn tehuis voor geestelijk gehandicapte kinderen met de opbrengst van de wijngaard die het regime hem schonk. De wijn is niet te drinken. ‘Pater Frans is een grotere heilige dan wijnmaker’, grap ik. Lik op stuk; voor mij een steenkoud hok met alleen een dekentje onder een betonnen trap, voor Teun een echte kamer. Met twee kogelgaten in de spiegel.

We lopen de volgende ochtend vier uur lang door de Oude Stad. We komen welgeteld elf mensen tegen en een paar plukjes hele en halve soldaten; 99 procent van de stad is weer in handen van de regering, zegt de regering. De vluchtelingen kunnen terugkeren – en doen dat ook, in de buitenwijken. Over de binnenstad valt niet veel te zeggen: een maanlandschap.


De weg terug naar Damascus. Een lappendeken van versnipperde gebiedjes in handen van Assad of van de oppositie. Tussen regering en rebellen zit soms maar vijftig meter. Maar dan ineens, tussen de duizenden ruïnes in de wijde omtrek, een dorpje of een buitenwijk waar het gewone leven aarzelend lijkt te zijn teruggekeerd, vrouwen en kinderen lopen op straat en tomaten en bananen worden verkocht.

‘Ik denk dat die stomme politici in Nederland en daarbuiten nooit begrepen hebben hoe Syrië in elkaar zit’

‘Verzoening’ is het modewoord van de regering-Assad, de gouverneur van Aleppo hintte er al op: met de clans en plaatselijke leiders in dorpjes die ooit de kant van de rebellen kozen – en met meer gematigde rebellen die de hete adem van IS en Al Nusra in de nek voelen – wordt op microniveau onderhandeld over een plaatselijk bestand. Grassroots. Iets wat wordt vergemakkelijkt doordat het staande leger van Assad, de Syrian Arab Army, in vier jaar tijd is afgekalfd van 325.000 man tot een kleine 150.000, door desertie of simpelweg omdat veel soennitische soldaten in IS-gebied eieren voor hun geld kozen en het uniform uittrokken.

Het regime leunt in toenemende mate op de in 2013 opgerichte National Defense Force, een potpourri van honderdduizend plaatselijk georganiseerde en hoog gemotiveerde vrijwilligers – al ontvangen ze tegenwoordig salaris – gerekruteerd uit de lokale gemeenschap. We hadden het al gezien, de twaalf dagen waarin we dertienhonderd kilometer kriskras door het land reden: afgezien van de speciale troepen in Aleppo kwamen we nauwelijks het reguliere leger tegen. Grote troepenverplaatsingen hebben we niet gezien. Van een alom opererend regeringsleger lijkt geen sprake. De losse plukjes soldaten bij de roadbloks, in Homs en in het centrum van Damascus, komen meestal uit de omgeving zelf – en kennen de clanleiders in rebellengebied vaak persoonlijk.

De door omsingeling en gevechten uitgeputte fiefs en warlords kunnen kiezen voor vrede of in de pan worden gehakt door de regeringstroepen, die in het westen van het land, zij het uiterst langzaam, de overhand krijgen. Filmpjes van handen schuddende Assad-officieren met rebellenleiders duiken op in de staatsmedia, maar de grassroots-benadering blijkt soms goed te werken. Met nadruk op soms. ‘Het zijn geen officiële verdragen’, zegt regeringsperschef Reem Haddad, ‘maar kleine probeersels, opdat beide partijen een beetje kunnen afkoelen. Het zijn soms flinterdunne bestanden, die ieder moment weer verbroken kunnen worden. Maar toch.’

Grassroots. Het zou een perspectief kunnen zijn voor de vredesonderhandelingen die maandag in Moskou beginnen. We vragen het Faisal Migdad, de plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken van het regime. Migdad wordt beschouwd als de sterke man van het buitenlandbeleid, zeker nu er geruchten gaan dat minister van Buitenlandse Zaken Walid Muallem opnieuw lijdt aan hartproblemen.

Damascus ligt intussen onder een dik pak sneeuw en al het verkeer ligt stil. De minister excuseert zich voor het lange wachten: ‘Ik ben speciaal voor dit gesprek vanmorgen om acht uur al van huis gegaan.’

De laatste vredesbesprekingen, Genève II, op de kop af een jaar geleden, waren een complete mislukking. Oppositie en Verenigde Staten eisten het aftreden van Assad, voor het regime was zoiets onbespreekbaar. Een onoverbrugbare patstelling vanaf de allereerste dag. Dus wat gaat hij, de minister, een jaar en 76.000 doden later, maandag voorstellen, in Moskou?

‘Er is geen agenda. Zoals je weet, waren de onderhandelingen in Genève gebaseerd op een VN-document dat het resultaat was van onderhandelingen tussen tal van staten. Dit Russische initiatief is een oproep tot preliminaire consultaties; een beginnend aftasten tussen individuen van oppositiezijde en van de regering. Er is geen agenda, er worden geen schriftelijke verklaringen verwacht. We mikken op een open overleg, waarin verwacht wordt dat mensen bespreken hoe ze in een later stadium een nationale dialoog kunnen voeren. We gaan zitten om te overleggen hoe we gaan overleggen.’

‘Kan het vertrek van president Assad deel uitmaken van een vredesverdrag?’

‘Laat ik klip en klaar zijn: Europa en de Verenigde Staten zullen nooit een president van Syrië kunnen maken. De Syrische president wordt alleen aangewezen door het Syrische volk. En hij zal alleen vertrekken wanneer het Syrische volk hem dat zegt. Ze kunnen in Parijs, Londen of Washington praten tot ze een ons wegen, maar het zal ze niet lukken. Ik denk dat die stomme politici in Nederland en daarbuiten nooit begrepen hebben hoe Syrië in elkaar zit. Ze denken dat ze de goden van deze wereld zijn en naar believen staatshoofden de laan uit kunnen sturen. En met hetzelfde gemak presidenten kunnen benoemen om andere landen te regeren. We hebben gezien wat ervan kwam, kijk naar Irak, kijk naar Afghanistan. Kijk naar Egypte, waar de Moslimbroederschap en andere extremisten aan de macht kwamen en waar uiteindelijk een man als generaal Sisi aan de touwtjes trekt.’

Medium syria 2015 01 04 homs 1446

‘Wordt deze eerste ontmoeting in Moskou een succes?’

‘Eh… Ik ben alleen verantwoordelijk voor de regeringskant, maar ik kan je beloven dat we zeer constructief zullen zijn. Zoals gewoonlijk.’

‘Eh… Misschien een beetje meer dan gewoonlijk?’

‘We zullen ons best doen. Maar je moet weten: zonder de bemoeienis van landen als Turkije, Saoedi-Arabië, sommige Europese landen en de VS zal dit hele conflict in Syrië, in een paar dagen, nee, laat ik niet overdrijven, in een paar weken zijn opgelost.’

‘U gelooft niet in een militaire oplossing?’

‘Nee, ik geloof niet in een militaire oplossing voor de conflicten tussen de Syriërs onderling. Maar we vechten óók tegen terroristische organisaties. IS, Al Nusra, al-Qaeda of het zogenaamde Vrije Syrische Leger. Met terroristen onderhandelen we niet, nooit of te nimmer. We kunnen Syrië niet overleveren aan de jihadisten.’

‘Nederland vecht nu met acht F-16’s tegen IS. Is dat een steun in de rug voor het regime?’

‘De strijd tegen terrorisme is een internationale verantwoordelijkheid. Die moet gedragen worden door iedereen. Terrorisme bedreigt de wereldvrede. Maar de huidige coalitie, geleid door de Verenigde Staten, is meer een parade dan dat het zoden aan de dijk zet. Het is niet de weg om terrorisme met succes te stoppen. Om echt effectief te zijn, zouden ze moeten coördineren met de Syrische regering. En met Rusland, China, Brazilië enzovoort.’

‘Zijn er dan geen contacten tussen de westerse inlichtingendiensten en de Syrische regering?’

‘Nee, de zaak is dat ze niet willen coördineren.’

‘En nu?’

‘Het idee van VN-gezant De Mistura van een freeze, een pas op de plaats, staat niet haaks op onze intenties in Moskou. Hij stelt voor dat we beginnen met Aleppo, en we hebben zijn plan geaccepteerd en bespreken op dit moment de details.’

‘Dus binnenkort een staakt-het-vuren in Aleppo?’

‘Ik hoop het. Maar zoiets neemt tijd. We vechten dit conflict uit volgens onze eigen prioriteiten. Als de terroristen, gesteund door Turkije, Aleppo willen innemen, ligt daar onze prioriteit. Als terroristische groepen in het zuiden doorstoten, dan is dat onze prioriteit. Geen enkel leger kan overal tegelijk zijn. Maar, voor de goede orde: De Mistura spreekt niet zozeer van een staakt-het-vuren, want wapenstilstanden kunnen op ieder moment gebroken worden, maar over een pas op de plaats, een freeze. Een freeze is meer solide; het kan af en toe geschonden worden, maar toch beklijven. Van daaruit kunnen we plaatselijk, van plek tot plek, misschien tot een verzoening komen. Dat is nu regeringsbeleid. Wat meer kun je willen? Maar met IS zullen we ons nooit verzoenen.’

‘Gaat het regeringsleger dit jaar nog een aanval op Raqqa doen?’

‘Dat zie ik wel gebeuren, ja.’

Dan, niet ver van het ministerie, een enorme knal. ‘Wat denkt u: is dit inkomend of uitgaand vuur?’ De minister lacht: ‘Ik denk dat dit uitgaand vuur is.’