Op zoek naar de ware jihad

Vechten op het pad van God

‘Het zwaard veegt de zonden weg’, schreef Abdallah ibn Mubarak al in de achtste eeuw. De strijder van de islam, de mujahid, zal in het hiernamaals worden beloond. Vanuit die traditie moeten we het begrip jihad bekijken. Het betekent meer dan oorlogvoering.

Medium jihadschut2

Weinig islamitische woorden zullen zo snel in de Nederlandse taal zijn ingeburgerd als ‘jihad’. De media staan vol met verhalen over de motieven van westerse jihadi’s, over de steun die zij zouden genieten onder de moslimbevolking, over processen tegen ronselaars en gruwelijke misdaden begaan door jihadisten in Syrië en Irak. Maar bestaat er wel consensus over wat jihad precies is? En waar vind je het antwoord op die vraag? In islamitische bronnen als koran of hadith? In de studeerkamers van islamitische rechtsgeleerden of Europese onderzoekers? In het gedrag van gematigde moslims in de Haagse Schilderswijk of in de denkbeelden van hun extremistische buurtgenoten? Of ligt het antwoord drieduizend kilometer van Nederland verwijderd op de slagvelden van Kobani, Aleppo, Mount Sinjar en Ramadi?

‘Jihad is een interne strijd om de regels van de islam in de praktijk te brengen. Regels over je band met God en over hoe je omgaat met je medemens.’ Aan het woord is Nazreen Sahebali, praktiserend moslim en student Middle Eastern Studies in Leiden: ‘Het gaat om jouw onderwerping aan God en het brengen van vrede in je omgeving. Want dat is wat islam betekent.’ Jihad als middel voor het brengen van vrede – voor wie dagelijks de krant openslaat, lijkt het een indrukwekkend voorbeeld van cognitieve dissonantie. Want hoe verenig je Sahebali’s streven naar vrede met de berichten die ons dagelijks bereiken vanuit de gebieden die over het algemeen met jihad worden geassocieerd: Syrië, Irak, Afghanistan?

Niet, vindt David Suurland, een rechtsfilosoof die in 2012 cum laude promoveerde op zijn vergelijking tussen islamisme, communisme en nationaal-socialisme: ‘Het mooie van de islam is dat deze voor tachtig procent juridisch van aard is. Je kunt dus vrij eenvoudig kijken naar wat zowel de soennitische als de sjiitische rechtsscholen zeggen over jihad en dat is vrij simpel: vechten voor Allah.’ Om er voor de duidelijkheid aan toe te voegen: ‘Fysiek vechten dus.’ Hij legt uit: ‘Als je de handboeken van de vier soennitische rechtsscholen, Shafi’i, Hanbali, Hanafi en Maliki, leest, beslaat de discussie over wat jihad is één of twee pagina’s. De overgrote meerderheid gaat over oorlogsrecht – wie mag je wanneer aanvallen – en over de verdeling van de buit. De discussie over wat jihad is binnen de rechtsscholen is opvallend klein.’

Nazreen Sahebali maakt onderscheid tussen twee vormen van jihad die het islamitische denken al duizend jaar verdeelt: de ‘grote’ (jihad al-akbar) tegenover de ‘kleine’ jihad (al-asghar). De grote bestaat uit de innerlijke strijd tegen het kwaad die elke moslim voert, de kleine uit het fysieke gevecht. Het onderscheid is gebaseerd op een ook door Sahebali aangehaalde hadith (spreuk of handeling van de Profeet) waarin Mohammed zou hebben gezegd: ‘Een groep strijders kwam bij de Boodschapper van Allah, en hij zei: “Jullie hebben er goed aan gedaan van de kleine naar de grote jihad te komen.” Zij vroegen: “Wat is de grote jihad?” Hij zei: “Voor de dienaar (van God) zijn lusten te bestrijden.”’

Het lijkt een duidelijke aanwijzing van de profeet Mohammed zelf dat Sahebali’s opvatting van jihad als innerlijke strijd wel degelijk merites heeft tegenover Suurlands strikte, juridische uitleg van vechten voor Allah. Maar zo gemakkelijk ligt het niet. Op zoek naar de ware jihad moet je zo ver mogelijk teruggaan in tijd en bronnen.

Een flink aantal verzen in de koran behandelt het leerstuk, al wordt, zoals de Amerikaanse islamoloog David Cook schrijft in zijn boek Understanding Jihad, het woord zelf maar tweemaal genoemd. Letterlijk vertaald betekent het ‘streven’ of ‘je inspannen’, waarachter in de context van de koran ‘met betrekking tot religie’ moet worden gedacht. Soera 9 (Al-Tauba, de boetedoening) gaat bijna in zijn geheel over jihad en heeft een nogal oorlogszuchtige toon. Dit is niet verwonderlijk, het hoofdstuk is geschreven in een periode van heftige strijd tussen de eerste volgelingen van Mohammed en de polytheïstische Mekkanen, onder wier druk zij naar de oase Yathrib (het latere Medina) waren gevlucht.

Er was behoefte aan een goddelijke grondslag voor deze strijd, een motivatie voor de troepen. Deze wordt gevonden in vers 111, in wat Cook het ‘salvific contract’ noemt. Allah belooft zijn strijders beloning in het paradijs voor hun opoffering op aarde: ‘God heeft van de gelovigen hun levens en rijkdom gekocht, in ruil voor het Paradijs; zij vechten op het pad van God, doden en worden gedood. (…) Verblijdt jullie over deze koop die jullie met Hem hebben gesloten; dat is de grote triomf.’ (9:111)

De zinsnede ‘doden en worden gedood’ maakt duidelijk wat voor jihad hier wordt bedoeld. De strijd van de vroege moslims was er een op leven en dood. Lange tijd zag het ernaar uit dat de kleine, monotheïstische sekte om Mohammed het niet zou redden tegen de overmacht van de Quraysh, de leidende stam in Mekka. Pas in 630, twee jaar voor zijn dood, slaagde de Profeet erin Mekka te veroveren en zijn positie veilig te stellen.

‘Een licht schijnt van de graven van de martelaren die in de strijd omkomen’

Nazreen Sahebali erkent dat deze vorm van ‘vechtjihad’ wel degelijk bestaat, maar meent dat dit niet meer is dan een kwestie van zelfverdediging. Haar lezing lijkt te worden ondersteund in Soera 22 (Al-Hadj, de bedevaart): ‘Aan hen die onrecht is aangedaan, is het toegestaan te strijden. Allah zal hen zeker de overwinning schenken. Zij die op onrechtvaardige wijze uit hun huizen zijn verdreven, slechts omdat zij zeiden: “Onze Heer is Allah.”’ (22:39/40)

Maar de koran laat het zeker niet bij deze lezing alleen, zoals blijkt uit een andere passage van Soera 9, bijgenaamd ‘het Vers van het Zwaard’: ‘Dan, wanneer de heilige maanden voorbij zijn, dood de afgodaanbidders waar jullie hen vinden, neem hen gevangen en beleger hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag. Als zij daarna berouw tonen, de salaat [het gebed] verrichten en de zakaat [aalmoezen] geven, laat hen dan vrij. Allah is waarachtig vergevend en barmhartig.’ (9:5)

Dit vers gaat duidelijk verder dan zelfverdediging, het is de basis van een oorlogvoering die niet slechts overleven tot doel heeft, maar het verspreiden van islam onder hen die ongelovig zijn. Nu zou je kunnen verdedigen dat de term ‘afgodaanbidders’ aangeeft dat het Vers van het Zwaard slechts de strijd tegen polytheïsten rechtvaardigt en geen algehele oorlog tegen niet-moslims. Maar Soera 9 beschrijft in Vers 29 ook de dominantie van islamieten over christenen en joden: ‘Bestrijd de Mensen van het Boek [Ahl al-Kitab] die niet in God en de Laatste Dag geloven, die niet verbieden wat God en Zijn gezant hebben verboden en die niet het ware geloof aanvaarden, totdat zij onderdanig de belasting [voor niet-gelovigen, de jizya] betalen.’ (9:29)

De conclusie uit Soera 9 is duidelijk: jihad is een verplichting voor moslims oorlog te voeren tegen ongelovigen totdat de heerschappij van islam over hen is gerealiseerd. In ruil hiervoor beloont Allah de mujahid met een plaats in het paradijs (afgezien van de meer wereldse buit waarop de strijder recht heeft, een niet onbelangrijke motivatie voor de vroegmiddeleeuwse Arabier). David Cook spreekt van een ‘zeer krijgszuchtig en goed ontwikkeld leerstuk’. Het is niet voor niets dat Al-Tauba de enige soera in de koran is die niet begint met de woorden ‘in de naam van God, de genadevolle, de barmhartige’. De meeste moslims geloven dat de koran als het directe woord van Allah geen tegenstrijdigheden kent, wat betekent dat naast jihad uit zelfverdediging (22:39/40) wel degelijk ook een aanvalsoorlog ter verspreiding van islam toegestaan en zelfs verplicht is. Veel (moslim)historici zien in Soera 9 een van de wortels van het ongekende succes van de islamitische veroveringen van de zevende en achtste eeuw.

Stellen dat de ‘grote’ jihad altijd de heersende uitleg van het begrip is geweest en meer uit koran en hadith is af te leiden dan de ‘kleine’ heilige oorlog, zoals gematigde moslims en westerse islamapologisten als Karen Armstrong, John Esposito en Carol Hillenbrand verkondigen, is – zoals Cook het noemt – ‘disingenuous’, oneerlijk. ‘Maar’, zegt Nazreen Sahebali, ‘la ikraha fid din, er is geen dwang in godsdienst.’ Zij citeert hier Soera 2, Vers 256. Er is iets voor te zeggen: de bekering van de volkeren van de door de vroege moslims veroverde gebieden gebeurde niet in strikte zin met het zwaard. Zelden was de keuze: ‘bekeer je of sterf’. Maar de verovering zelf geschiedde wel degelijk met het zwaard en schiep de voorwaarden waarbinnen massale bekering plaatsvond. Wilde je volwaardig burger zijn in het islamitische rijk, wilde je een openbaar ambt bekleden of niet de jizya betalen, dan had je eenvoudig geen andere keuze. Er zijn slechts weinig gebieden buiten het vroege moslimrijk waar de bevolking ervoor koos de islam te omarmen.

Waar de koran een algemeen beeld schetst van de jihad gaat de hadith(traditie) veel verder en geeft een uitgebreid kader waarin de oorlogshandelingen worden geplaatst. De ahadith (meervoud) zijn in de loop der eeuwen gecodificeerd in de sharia (weg of pad – tegenwoordig in de betekenis van wet) en geïnterpreteerd tot fiqh (jurisprudentie). Zoals David Suurland al aangaf gaan de ahadith over jihad nauwelijks over wat de term precies inhoudt, maar veel meer over de regels van oorlogsrecht, buitverdeling en de rol en beloning van de mujahid en de shahid (martelaar). Ook hier gaat jihad duidelijk om vechten en hoe belangrijk dat is in het leven van de gelovige.

‘Het zwaard veegt de zonden weg’, schreef Abdallah ibn Mubarak al in de achtste eeuw in zijn Kitab al-Jihad. En de negende-eeuwse hadithverzameling van Al-Bukhari – gezien als het meest heilige geschrift in de islam na de koran – beschrijft in grote details de beloning van de mujahid in het hiernamaals. Alles wat hij doet, zelfs de goede behandeling van zijn paard, telt mee bij het wegen van zijn goede daden op de dag des oordeels: op de weegschaal zullen de darmen, de ontlasting en de urine van zijn paard meewegen aan de kant van zijn goede daden, schrijft Bukhari. En: ‘Een licht schijnt van de graven van de martelaren die in de strijd omkomen.’

David Cook schrijft dat in de hadith niets wijst op de gedachte dat jihad iets anders zou betekenen dan oorlogvoering.

Elke moslim die niet voldoet aan de eisen van de fundamentalisten wordt gezien als afvallige

‘Als ik een tegenstrijdigheid zie tussen koran en hadith hecht ik meer waarde aan de koran’, zegt Nazreen Sahebali. Inderdaad, in de loop der eeuwen zijn vele ahadith betwist vanwege een gebrek aan authenticiteit. Een probleem voor de pleitbezorgers van de jihad al-akbar is dat de traditie van Bukhari praktisch onbetwist is binnen de islam en dat juist de authenticiteit van de eerdergenoemde hadith, waarin Mohammed de grote boven de kleine jihad lijkt te prefereren, in twijfel wordt getrokken en zeker geen plaats vindt binnen de zes onbetwiste hadithverzamelingen. Aan de theologische grondslag van de moderne jihad zoals terreurbewegingen als Jabhat al-Nusra in Syrië, Islamitische Staat in Irak of de Taliban in Afghanistan valt niet te twijfelen. Deze ligt stevig verankerd in dogma en traditie. De vraag lijkt wel gerechtvaardigd of de manier waarop zij hun oorlogen voeren in overeenstemming is met islamitisch recht en als dat niet zo is, hoe het zo ver heeft kunnen komen.

In de islamitische geschiedenis zien we een golfbeweging als het gaat om het jihadleerstuk. Nadat de eerste expansie haar grenzen had bereikt – ruwweg van Spanje tot India – bestond er minder behoefte aan strijders op het pad van God. Toch bleef de jihadverplichting uit de koran overeind, en dus zochten gelovigen naar een manier om eraan te voldoen zonder naar de verre fronten aan de grenzen van het rijk te hoeven reizen. De logische oplossing: een innerlijke jihad, een strijd tegen het kwaad, en de opoffering om aan de vereisten te voldoen die de islam stelt aan een goede moslim: de salaat (het vijfmaal daagse gebed), de zakaat (het afdragen van vermogen voor goede doelen), de hadj (de pelgrimstocht naar Mekka en Medina) en sawm (het vasten tijdens de heilige maand ramadan).

Ook de kaliefen en andere leiders van het immense islamitische rijk deelden ruwweg vanaf de negende eeuw deze lezing. Hun handelen werd niet meer bepaald door expansie, maar door dagelijks bestuur. De heilige oorlog verdween naar de achtergrond, maar niet voorgoed. Aan het einde van de elfde eeuw veroverden christelijke kruisvaarders uit Europa de Middellandse-Zeekust van wat nu Syrië, Libanon en Israël is, inclusief de hoofdprijs: Jeruzalem. De Eerste Kruistocht betekende een tot op dat moment in de islamitische wereld ongekende tegenslag die leidde tot een golf van wat wij nu jihadisme zouden noemen. Deze werd aangevoerd door de islamgeleerde Al-Sulami en zijn invloedrijke volgeling Ibn Asakir.

De aan de Yale-universiteit gepromoveerde Libanese islamhistoricus Suleiman Ali Mourad schrijft dat Al-Sulami het succes van de kruisvaarders ‘expliciet aan de zwakke spirituele gesteldheid van de moslims toeschreef’. Al-Sulami’s oproep tot jihad tegen de kruisvaarders vond nauwelijks gehoor in Damascus, waar hij predikte. Maar toen de stad tijdens de Tweede Kruistocht in 1148 door de kruisvaarders werd belegerd, had Ibn Asakir meer succes. Zijn hernieuwde nadruk op de militaire aspecten van jihad werd overgenomen door nieuwe machthebbers die vanaf het midden van de twaalfde eeuw de christenen langzaam maar zeker terugdrongen richting zee, culminerend in de herovering van Jeruzalem door Saladin in 1187. Opvallend was dat Al-Sulami en Ibn Asakir niet alleen een terugkeer naar de oorspronkelijke vorm van jihad predikten, maar ook een meer ‘zuivere’, soennitische islam, waarin in hun ogen geen ruimte was voor ‘afvalligen’. Hierbij doelden zij vooral op de sjiieten, die zij verantwoordelijk hielden voor het morele en spirituele verval binnen de islam.

Medium jihadshut1

Hetzelfde deed Ibn Taymiyya ruim een eeuw later en weer was de aanleiding militaire tegenslag. Ditmaal waren het de Mongolen die het islamitische rijk onder de voet liepen en in 1258 zelfs Bagdad (de hoofdstad van het Abbasidische kalifaat) belegerden, veroverden en plunderden – een gebeurtenis die door veel historici wordt gezien als het einde van het islamitische gouden tijdperk. Net als Al-Sulami zag Ibn Taymiyya de islamitische nederlagen tegen de Mongolen als een direct gevolg van het spirituele verval van zijn geloofsgenoten. Het opvallende hierbij was dat de Mongolen wel degelijk bekeerd waren tot de (soennitische) islam, maar dit weerhield Ibn Taymiyya er niet van een fatwa uit te spreken en tot jihad tegen hen op te roepen, omdat zij de regels van de sharia niet hoger achtten dan ‘door mensen gemaakte wetten’. Ibn Taymiyya ageerde tegen sjiieten, christenen en wat wij nu ‘gematigde’ soennieten zouden noemen, waarbij hij zo ver ging een lijst overtredingen van moslims te maken die andere islamieten het recht gaf hen aan te vallen.

Het is niet verwonderlijk dat Ibn Taymiyya’s filosofie uiterst populair was bij latere fundamentalistische stromingen als het salafisme (en vooral de agressieve Saoedische variant hiervan, het wahhabisme) en de Egyptische Moslimbroederschap, voortgekomen uit de leer van Sayid Qutb. Mohammed ibn Abd al-Wahhab (1703-1792) en Qutb (1906-1966) hadden op hun beurt weer veel invloed op de contemporaine leiders van de jihad: al-Qaeda-voormannen Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri, en de ‘kalief’ van Islamitische Staat (IS), Abubakr al-Baghdadi. In wezen verschilt de filosofie van de moderne jihadisten weinig van die van Al-Sulami en Ibn Taymiyya: het feit dat de islamitische wereld vandaag de dag zo weinig invloedrijk is, komt doordat ze niet zuiver genoeg is. Daarom wordt elke moslim die niet voldoet aan de eisen van de fundamentalisten gezien als afvallige en tot niet-moslim verklaard. Dit wordt takfir genoemd en is een zeer omstreden leerstuk binnen de islam omdat veel islamitische denkers vinden dat alleen Allah kan beslissen wie wel of geen echte moslim is. De term jihadi is door talloze bloedige uitwassen in het Nederlands een soort scheldwoord geworden, maar in de anti-jihadistische pers in het Midden-Oosten worden de jihadi’s vaak takfiri genoemd, een woord met een veel negatievere lading.

‘De huidige jihadideologie is volledig geradicaliseerd en gaat veel verder dan de oorspronkelijke militaire vorm die wij kennen uit de klassieke geschriften’, meent Joas Wagemakers, universitair docent en onderzoeker islamstudies aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. ‘Men is normen gaan hanteren over wie moslim is en wie niet, die heel erg strikt zijn. Een voorbeeld is het verhaal van Iraakse vrouwen die de was deden voor Amerikaanse soldaten. Zij werden vermoord omdat zij werkten voor de vijand, wat een enorme uitbreiding van het begrip legitieme vijand inhoudt. In Syrië en Irak stellen de terroristen vragen aan moslims over het geloof en als zij die niet kunnen beantwoorden, worden ze doodgeschoten. Als je de lat zo hoog legt, houd je een zeer kleine groep vrome moslims over en is de stap naar het vermoorden van alle anderen nog maar heel klein. IS gaat bij het legitimeren van haar misdaden verder dan we ooit in de islamitische geschiedenis hebben gezien, zelfs tien jaar geleden nog niet.’

‘IS gaat bij het legitimeren van haar misdaden verder dan we ooit in de islamitische geschiedenis hebben gezien’

‘Het is logisch dat de strijd in Syrië en Irak er vooral een is tussen moslims onderling’, vindt rechtsfilosoof Suurland. ‘In de koran staat dat je eerst de nabije vijand moet aanvallen en later pas de vijand die verder van je af staat. Al-Qaeda kreeg na 9/11 kritiek vanuit de moslimwereld dat het wel de Amerikanen aanviel, maar niet de sjiieten in Iran en Irak of de seculiere Arabische regimes.’ Van die situatie is met de komst van Islamitische Staat geen sprake meer. De aanvallen van de IS-extremisten richten zich vooral op sjiieten, alawieten en gematigde soennieten. Het eigen huis, dar al-islam, wordt eerst ‘gereinigd’, voordat het ongelovige Westen aan de beurt is. Suurland wijst op parallellen met de nazi’s (de Nacht van de Lange Messen) en de communisten, die tijdens de Spaanse Burgeroorlog feller hun ‘bondgenoten’ in het republikeinse kamp – trotskisten, anarchisten en liberalen – bestreden dan de nationalistische vijand.

Bestaat er een kans dat de eindeloos lijkende reeks uitwassen van jihadisten in het Midden-Oosten, Centraal-Azië en islamitisch Afrika zal leiden tot een tegenbeweging binnen de oemma, de moslimgemeenschap? Leidt het bloedvergieten in Syrië en Irak eindelijk tot de door islamcritici zo vurig gewenste reformatie? David Suurland betwijfelt dat: ‘De progressieve moslim is met handen en voeten gebonden aan veertienhonderd jaar islamitische rechtsinterpretatie. Hans Jansen zei ooit dat als je uit wilt komen bij jihad als innerlijke strijd dat alleen via “juridische acrobatiek” lukt. Wanneer je van de gewelddadige jihad af wilt, moet je de hele sharia afzweren. Als je aan één draadje trekt, rafelt het hele systeem uit elkaar.’

Ook Joas Wagemakers ziet in de uitgewerkte juridische doctrine van de jihad een obstakel op de weg naar een islam waarbinnen religieuze oorlogvoering geen plaats meer heeft. De Nijmeegse onderzoeker ziet nog een tweede reden waarom het leerstuk nog zo leeft binnen de moslimwereld: ‘Na de Middeleeuwen is er nooit meer een periode geweest die zo vreedzaam en zo rustig was en waarin de moslimwereld het zo goed had dat die jihaddoctrine in vergetelheid kon raken, zoals dat ook gebeurde in de tijd tussen de grote veroveringen en de kruistochten.’

Toch ziet Wagemakers nu wel degelijk een reactie op wat hij de ‘takfir gone wild’ van IS noemt: ‘Je ziet de afgelopen tien jaar steeds meer kritiek op dit soort geweldspraktijken, ook onder radicale moslims. Je ziet nu op grote schaal satire, IS wordt bespot. En je ziet het in de mate waarin moslims de hand in eigen boezem steken en zeggen: “Sorry, het zijn toch echt moslims die andere moslims aan het doodmaken zijn. We kunnen niet meer volhouden dat IS een Amerikaanse of een zionistische creatie is. Deze groep vertegenwoordigt weliswaar niet de zuivere islam, maar komt wel voort uit ons midden.”’

Columnist Thomas Friedman schreef vorige week in The New York Times een artikel getiteld ‘How ISIS Drives Muslims from Islam’, waarin hij erop wijst dat de media hun focus vooral richten op de aantrekkingskracht van Islamitische Staat op jonge moslims, maar dat er tegelijkertijd een ‘minder zichtbare tegenbeweging is. (…) Jonge moslims verklaren openlijk hun weerstand tegen islamitische wetten en geven zelfs trots toe atheïst te zijn.’ Friedman beschrijft hoe op YouTube de Marokkaan ‘Broeder Rachid’ in een vijfhonderdduizend maal bekeken video Barack Obama terechtwijst over zijn uitspraak dat Islamitische Staat niets met islam te maken heeft: ‘Ik ben een voormalig moslim. Mijn vader is een imam. Ik heb twintig jaar lang de islam bestudeerd. Ik kan u met zekerheid zeggen dat IS voor de islam spreekt. Alle IS-leden zijn moslims. Zij komen uit verschillende landen met één grootste gemene deler: islam. Zij volgen de profeet Mohammed in ieder detail.’

Het is niet te ontkennen dat een aantal van IS’ walgelijkste misdaden direct uit koran en hadith is overgenomen. In Vers 33 van Soera 5 wordt kruisiging bevolen als straf voor ‘hen die tegen Allah en zijn Boodschapper oorlog voeren’. Onthoofding van ongelovigen wordt opgedragen in Soera 47 (genoemd naar Mohammed zelf) Vers 4 en wordt ook wel gerechtvaardigd met verwijzing naar het bloedbad van de Beni Qurayza, een joodse stam in Medina waarvan de Profeet in het jaar 627 alle mannen liet onthoofden. De slavernij en massale verkrachting van vrouwelijke yazidi’s door zijn strijders rechtvaardigt Islamitische Staat door de eerste zes verzen van Soera 23 (Al-Muninun, de gelovigen) te citeren: ‘Succesvol zijn de gelovigen die (…) hun kuisheid bewaren, behalve bij hun echtgenoten en slavinnen, dan valt hun niets te verwijten.’ Islamkenners als Joas Wagemakers wijzen er terecht op dat bij de IS-interpretatie van al deze teksten uiteraard geen enkele sprake is van plaatsing in historische of juridische context.

David Suurland is sceptisch over de mate van zelfkritiek binnen de islamitische wereld en verwijst naar de vele pogingen IS als onislamitisch af te schilderen. Hij erkent dat de uitwassen van Islamitische Staat ‘niet in overeenstemming met sharia en fiqh, dus in die zin anti-islamitisch’ zijn, maar wijst erop dat de basis van IS’ jihad dat zeker niet is. En: ‘Er heerst een absoluut complotdenken, negatieve aspecten aan de islam zijn altijd de schuld van een ander. Kijk maar naar wat Yasmina Haifi over Islamitische Staat zei.’ Suurland doelt op de ambtenaar van justitie die in augustus tweette dat IS een ‘zionistisch complot’ is, bedoeld ‘om de islam in een kwaad daglicht te stellen’.

Het zijn zeker niet alleen moslims die langs deze lijnen denken, ook westerse politici doen hun uiterste best de jihad van IS en al-Qaeda als onislamitisch te typeren. ‘Zolang wij in het Westen – Cameron, Rutte, Merkel, Obama – blijven zeggen dat jihad niets met religie te maken heeft of dat het misbruik van religie is’, zegt Suurland, ‘verraad je juist die gematigde krachten binnen de islam die je nodig hebt, die zeggen: “Het is onze schuld, we moeten naar onszelf kijken. Wij zijn de vader en moeder van deze slachtpartijen.”’


Beeld: (1) Salafistische jihadisten roepen in gaza op tot de gewa pende strijd tegen de onge- lovigen in Syrië. Op een bord staat dat Allah de geduldigen zal belonen (Paolo pellegrin / Magnum / HH). (2) Een Egyptische vrouw toont met de koran in haar hand haar sympathie voor de Moslim-broederschap (Getty Images).