Het eclectische zootje van de antiglobalisten

Vechten voor vrijheid

Volgens de NRC zijn de anti-globalisten van Genua slechts «een eclectisch zootje zonder samenhangend programma». Ze zouden geen positieve boodschap hebben. Niets is minder waar.

De zogenoemde anti-globalisten halen vooral het nieuws vanwege het geweld dat steevast hun protesten tegen de neoliberale wereldorde begeleidt, van de WTO-top in Seattle 1999 tot en met de recente G8-top in Genua. Dat is jammer omdat het de aandacht afleidt van waar het eigenlijk om zou moeten gaan: de boodschap van het protest. Nu de traangasdampen zijn opgetrokken, is het meer dan nodig om inhoudelijk op het anti-globalisme in te gaan, zonder de helaas gangbare fixatie van de sensatiebeluste media op de zeer kleine groep van gewelddadige anarchisten. Laten we ons vooral richten op vragen als: waar is het protest van de anti-globalisten tegen gericht? Wat zijn hun argumenten? Zijn deze correct? Wat zijn hun idealen?
Het is met name in dit verband dat kritiek op het anti-globalisme valt te beluisteren, afgezien van de obligate veroordeling van geweld. Het is duidelijk waar de anti-globalisten tegen zijn, zeggen de meeste critici, namelijk tegen het mondiale kapitalisme dat het streven naar winst laat prevaleren boven respect voor mens en natuur. Wellicht zal men de anti-globalisten nageven dat ze daarin een punt hebben: vooral in Europa groeit de overtuiging dat het neoliberale geloof in de vrije markt te ver is doorgeschoten. Maar waar de anti-globalisten voor zijn, blijft onduidelijk: hun wordt verweten geen positieve boodschap te hebben. Zij zouden slechts «een eclectisch zootje zonder samenhangend programma» zijn (NRC, 21 juli). De beweging blijft een losse verzameling van NGO’s, belangengroepen en radicale politieke stromingen die slechts ver enigd zijn in hun verzet tegen het mondiale kapitalisme. De anti-globalisten bieden geen alternatief voor wat Bush Sr. de Nieuwe Wereldorde van het neoliberalisme noemde; zij bieden geen visie, geen uitzicht op een Nog Nieuwere Wereldorde. Daarom zou hun protest een gratuite geste blijven, ijdele woorden zonder praktische gevolgen.
Dit anti-globalistische gebrek aan visie schraagt het zogeheten Tina-argument — There Is No Alternative —, een van de argumenten waarmee de neoliberale globalisering van de vrije markt wordt verdedigd. Als je economisch wilt overleven, zo luidt de redenering, dan is er geen alternatief voor de vrije markt, voor het liberaliseren van de economie en het privatiseren van staatsbedrijven. «Globalisering is als een golf die onvermijdelijk over ons heen komt.» (Een Shell-woordvoerder in Trouw, 21 juli.)
Nadere beschouwing van het anti-globalistische protest leert echter dat deze kritiek haar doel niet raakt. Niet omdat zij onjuist is: het ontbreekt de anti-globalisten inderdaad aan een bindend, algemeen en samenhangend programma dat als alternatief voor de neoliberale wereldorde kan dienen. Waar de kritiek faalt, is dat zij dit gebrek als een zwakte ziet, terwijl het juist een van de sterke punten van de anti-globalisten is. Ook de beweging zelf ervaart het pluralistische karakter als uitermate waardevol. Immers, wat de anti-globalisten bindt, is de angst dat de vrijheid van lokale gemeenschappen steeds meer onder druk komt te staan, de economische en politieke druk die in naam van de vrije markt wordt uitgeoefend door mondiale organisaties als het WTO, het IMF en multinationals als Shell, Nike en Microsoft.
Zo omvat de anti-globaliseringsbeweging veel NGO’s, zoals het International Forum on Globalisation, de Globalisation Observatory en de Global Trade Watch, die in het mondiale kapitalisme een bedreiging zien voor democratie en arbeidersrechten. De Conféderation Paysanne van José Bové, een van de voormannen van het anti-globalisme, pleit voor een vorm van landbouw die — in tegenstelling tot de aan de vrije markt onderworpen landbouw — bescherming biedt aan lokale gemeenschappen en hun natuurlijke omgeving. De zogenoemde adbusters (die bestaande reclame-uitingen vervormen om deze een nieuwe, kritische betekenis te geven) en de Reclaim-the-Streets-groepen (die via ludieke feesten de straten tijdelijk willen heroveren op verkeer en commercie) richten zich met name tegen het verlies van de publieke ruimte door commercialisering en privatisering. Hun acties zijn mede ingegeven door de angst dat individuele burgers steeds minder te zeggen hebben over het aangezicht van hun alledaagse omgeving, terwijl multinationals deze omgeving wel ongestraft mogen volhangen met metershoge reclameborden. Ten slotte geeft het anti-globalistische protest ook uiting aan een zekere claustrofobie, de angst ingesloten te zijn door een systeem dat elk origineel en kritisch tegengeluid onmiddellijk onschadelijk kan maken door het in zich op te nemen en er geldelijk gewin uit te slaan, een lot dat nagenoeg alle van origine kritische tegen bewe gingen ten deel is gevallen — van de arbei dersbeweging tot en met de punk.
Misschien is deze culturele claustrofobie een van de belangrijkste voedingsbodems van het geweld dat steevast het anti-globalistische protest begeleidt. Alsof de gebivakmutste anarchisten willen zeggen: probeer dit maar eens te vercommercialiseren, de stenen waarmee ik de ruiten van deze McDonald’s ingooi en de loden pijp waarmee ik op deze agenten insla. Alsof geweld voor hen de enige manier is om te ontsnappen aan de assimilerende kracht van het kapitalisme. Dat is natuurlijk geen rechtvaardiging, maar maakt het geweld misschien wel iets begrijpelijker. Het is in ieder geval te simpel om, zoals premier Kok deed, het geweld af te doen als niets dan «georganiseerd rotzooi trappen».
Positief geformuleerd, kortom, is het de anti-globalisten te doen om de bescherming van lokale autonomie, de vrijheid van lokale gemeenschappen om hun eigen leven te leiden, hun eigen arbeidsomstandigheden te bepalen, hun eigen omgeving in te richten, los van de politieke en economische dwang van de vrije markt en instituties als het WTO. Het is daarom onjuist om het anti-globalistische verzet af te doen als louter een uiting van de Jihad vs. McWorld, zoals het verlangen naar zekerheid en geborgenheid tegenover de ontwortelende dynamiek van het mondiale kapitalisme in navolging van het boek van Benjamin Barber wordt genoemd.
«Het probleem van de mondialisering is in wezen het probleem van de menselijke psyche», zo stelt Arie Elshout in een pseudo-psychologische verklaring van het anti-globalisme. «Het heeft allemaal te maken met de tegenstelling in de mens tussen zijn drang naar vrijheid en zijn behoefte aan zekerheid en geborgenheid. De vrije markt wordt toegejuicht zolang we ervan profiteren. Dan betuigen we ons geloof in persoonlijke autonomie en willen we zo min mogelijk bemoeienis van de overheid. Zodra echter tegenwind opsteekt, de baan in gevaar komt, wordt de staat op slag weer omarmd als het instituut dat de kwetsbare burger moet beschermen tegen de risico’s van het vrije leven.» (de Volkskrant, 21 juli.) Alsof de anti-globalisten worden gedreven door een burgerlijke bezorgdheid om materiële zekerheid!
De meeste anti-globalisten, die grotendeels afkomstig zijn uit de welvarende middenklasse, begonnen hun protest eind jaren negentig, toen de groei van de vrijemarkteconomie op zijn hoogtepunt was. In materieel opzicht hadden de anti-globalisten weinig tot niets te winnen, veeleer een hoop te verliezen. Het is dus geenszins zo dat zij materiële zekerheid verkiezen boven vrijheid, zoals Elshout beweert, integendeel: ze offeren een deel van hun materiële zekerheid op om te kunnen vechten voor vrijheid — vrijheid van de dwang van de vrije markt. Analyses als die van Elshout trivialiseren het anti-globalisme. Het is bovendien niet het verlangen naar vrijheid, maar juist het burgerlijke verlangen naar materiële zekerheid, de idee-fixe dat je geen menswaardig leven kunt leiden als je niet kunt meekomen op de vrije markt, waar het kapitalisme van leeft. Want o jee, wat moet er van ons terechtkomen zonder nette kleding, eigen huis, tweede auto en drie busvakanties per jaar. Het is deze bekrompenheid van de electoraal zo belangrijke middenklasse, haar «vlucht voor vrijheid» (Erich Fromm), die ingrijpende politieke veranderingen tegenhoudt.
Omdat vrijheid de inzet van de anti-globalisten is, mag het niet verwonderen dat zij geen algemeen en samenhangend politiek programma hebben, een wereldomvattend politiek systeem dat kan dienen als alternatief voor de neoliberale wereldorde. Met zo'n algemeen geldend programma zouden zij immers hun diepste drijfveer verloochenen: het respecteren van lokale autonomie, het vrij laten van lokale gemeenschappen om zelf hun leven te leiden, zonder enige top-down-dwang van welke mondiale institutie dan ook. Het gebrek aan een omvattende politieke visie is dus geen zwakheid van het anti- globalisme, een zwakheid die door wat extra denkwerk en discussie binnen de anti-globaliseringsbeweging verholpen kan worden. Dit pluralisme is een logisch gevolg van het anti-globalisme als zodanig.
Met hun pluralisme geven de anti-globalisten aan geleerd te hebben van de politieke dwalingen uit de voorafgaande eeuw. Van het feit dat Grote Verhalen als het communisme, nationalisme en liberalisme zonder uitzondering tot totalitaire verschrikkingen hebben geleid, van Auschwitz en stalinisme tot en met de miljoenen aidsdoden die geofferd zijn aan het winststreven van de farmaceutische industrie. Het zijn vooral postmoderne filosofen geweest, zoals Michel Foucault en Jean-François Lyotard, die de logica van het totalitarisme hebben blootgelegd: door uit te gaan van de universele geldigheid van één politieke orde moesten de Grote Verhalen wel leiden tot onderdrukking van de reële diversiteit aan gemeenschapsvormen. De postmodernen pleitten dan ook voor ideologische openheid in plaats van een dichtgetimmerde ideologie. De anti-globalisten hebben deze les van het postmodernisme goed in zich opgenomen.
Het Tina-argument van de neoliberalen is in bepaald opzicht correct: er is niet één alternatief voor de neoliberale wereldorde. Maar niet in de zin die de neoliberalen er zelf aan toekennen, namelijk dat hun Nieuwe Wereldorde onvermijdelijk is. Het is correct in die zin dat er niet één, maar diverse alternatieven zijn, in de vorm van de vele alternatieve gemeenschapsvormen die de wereld rijk is en die door de neoliberale globalisering in hun voortbestaan worden bedreigd.
Bovendien gaat het Tina-argument mank aan een zekere circulariteit: economische overleving vereist inderdaad overgave aan de vrije markt, maar alleen wanneer de vrije markt the only game in town is. In een economie die anders functioneert, een waarin de vrije markt niet het alles bepalende principe is, is liberalisering geenszins een vereiste voor economische welvaart. Hoe zo'n alternatieve economie eruit moet zien, hoe een niet-kapitalistische wereld geordend moet worden, is niet aan de anti-globalisten om te bepalen, maar aan iedereen die op deze wereld leeft, elke gemeenschap op haar eigen manier. Dat is de vrijheid waar de anti-globalisten naar streven. Hun rol kan slechts zijn om voor deze vrijheid ruimte te maken door zich tegen de neoliberale wereldorde te verzetten.
Dit alles neemt niet weg dat het anti-globalistisch «gebrek» aan visie op een ander vlak wel een zwakheid betekent, namelijk op het vlak van de Realpolitik. Om een politieke vuist te kunnen maken moet de beweging als eenheid optreden, hetgeen een breed gedeelde visie op een betere wereldorde lijkt te vereisen. De anti-globalisten lijden daarmee aan het klassieke probleem van alle anarchisten: ze zijn tegen hiërarchie en centralisme, maar hebben wel een centrale leiding nodig om als politieke macht te kunnen overleven. Dat is de les van de Spaanse burgeroorlog, waar de anarchisten wegens een welbewust gebrek aan centrale organisatie geen weerstand konden bieden tegen de strak hiërarchisch georganiseerde fascisten. Het is te hopen dat het negatieve moment, het gedeelde verzet tegen de neoliberale wereldorde, voldoende is om de anti-globalisten samen te binden tot een politieke factor van betekenis.