Interview met Guido van Driel

Veel gummen

Stripauteur Guido van Driel schildert verhalen waarin hij problemen van asielzoekers, onderwereldfiguren, ‘gewone mensen’ en potentiële natuurrampen moeiteloos met elkaar verknoopt. ‘Mijn werk mag raadselachtig zijn.’

‘We hebben toch volgende week afgesproken?’ Graphic novelist Guido van Driel (45) hangt uit het raam van zijn huis op de derde verdieping in Amsterdam. Het staat om de hoek van de Dappermarkt, uitkijkend op een pleintje – basketbalring, bankjes, vuilcontainers, bomen, auto’s – dat hij getekend heeft in zijn dit jaar verschenen boek De ondergang van Amsterdam. Een boek dat begint met de tekening van een man voor een raam die zegt: ‘Kijk, als de winst van dit jaar groter moet worden dan de winst van vorig jaar en dat ieder jaar opnieuw… dat is toch een hysterisch krankjorum uitgangspunt.’ Het is in elk geval een manier van denken die mijlenver afstaat van hoe Van Driel zijn dagen al jaren vult: met het maken van illustraties in opdracht voor kranten en tijdschriften, en met het werken aan zijn strips. Sinds 1994 zijn zes boeken van zijn hand verschenen en werden twee daarvan met prijzen bekroond. ‘Een critics’ darling ben ik; goede recensies, maar lage verkoopcijfers. Op Lowlands zat ik achter een tafeltje om m’n boeken te signeren. Na twee uur had ik er nog niet één verkocht.’ Leuk is anders, maar hij lacht er toch maar om. Want hij verdient zijn geld met wat hij het liefste doet, en is dat niet de grootste rijkdom?

Bovendien mag autodidact Van Driel, afgestudeerd historicus, zich sinds kort ook regisseur noemen; voor de vpro maakte hij de in maart uitgezonden film Groen is toch de mooiste kleur voor gras. En nu bereidt hij de verfilming voor van Om mekaar in Dokkum, zijn boek uit 2004. ‘Ik roep al tien jaar dat ik filmregisseur wil worden. In elk geval wilde ik het één keer in m’n leven heel serieus geprobeerd hebben. Als het dan mislukt, tja, daar valt mee te leven. Maar niet met het nooit gedaan hebben.’

Als Van Driel zich uit zijn huis omlaag heeft gehaast, pakt hij zijn agenda uit zijn tas. Ja, daar staat de afspraak. ‘Dus toch vandaag. Ik gebruik ’m eigenlijk ook verkeerd. Kijk.’ Van Driel bladert terug en toont pagina’s vol aantekeningen geschreven in een zeer regelmatig priegelhandschrift. ‘Al 25 jaar zijn het meer dagboeken dan agenda’s. Ik schrijf dingen op waar ik over nadenk, of die ik zie. Hier bijvoorbeeld, over een auto-inbraak recht voor m’n huis: “Pas als ze wegrennen met de tas, realiseer ik me dat ik al die tijd naar de daders heb gekeken. Niet alleen ben ik naïef, maar ook nog eens erg traag van begrip.”

Maar het leuke van naïviteit is dat dingen niet altijd alleen maar zijn of hoeven te zijn wat ze op het eerste gezicht lijken. Er is niet één werkelijkheid. Laat staan dé werkelijkheid. En de woorden waarmee we het proberen te hebben over alles wat we ervaren, zeggen niets over wat die dingen zelf uiteindelijk zijn. Taal is gereedschap. Handig gereedschap, dat wel, maar meer ook niet.’

Neem bijvoorbeeld een scène uit Om mekaar in Dokkum, Van Driels boek waarin hij de moord op Bonifatius, de problemen van asielzoekers, een afrekening binnen het criminele circuit en spirituele groei op bijna terloopse wijze volkomen geloofwaardig met elkaar weet te verknopen. Een zware jongen rijdt met zijn lijfwacht door Friesland, moet plassen en doet dat in de buurt van een Bereklauw. We zien de man op zijn achterhoofd, de in potentie gevaarlijke plant doemt daarboven dreigend op. ‘Bereklauw, bereklauw, bereklauw, bereklauw, bereklauw, bereklauw, bereklauw’, zegt de pissende gangster. Niet per se een gebruikelijk beeld, evenmin een gebruikelijke tekst. Laat staan voor een misdadiger.

‘Volgens mij doet hij dat’, zegt Van Driel, ‘omdat hij zich realiseert dat hij meer ziet dan wat dat woord is. We denken iets te begrijpen doordat we het een naam hebben gegeven. Maar in wezen kijken we naar iets wat een raadsel is.’

Meerdere lagen, altijd en overal. Als je maar de tijd neemt ergens naar te kijken, erover na te denken, of beter nog: erover te mijmeren. ‘Soms denk ik: we leven niet in het juiste tempo. Altijd haast. Maar voor, om, naar wat?’

Vaag denken is een groot geluk. Het werken aan een verhaal geeft Van Driel dat geluksgevoel ook. ‘Het is heerlijk om elke keer daarnaar terug te kunnen, je kunt er makkelijk in wegdromen. Echt een voorrecht vind ik dat. Als kind was ik behoorlijk dromerig. En eigenlijk heb ik daar mijn werk van kunnen maken.’

Een zondagskind noemen mensen Van Driel wel eens: lekker thuis een beetje tekenen, films maken; ja, dan valt er weinig te klagen. ‘Alsof ik er niks voor hoef te doen, of heb hoeven doen. Terwijl ik altijd hard heb gewerkt. Met plezier hoor, alleen is niks me komen aanwaaien. Als ik iets bedenk, ga ik gewoon recht op m’n doel af.’

Zo stapte Van Driel tijdens zijn studie geschiedenis bij Folia binnen. Of ze niet wat van zijn tekeningen wilden afdrukken. ‘Mannetjes met scherpe neuzen, idioot brede schouders, colberts aan. Nog steeds teken ik dat soort types het makkelijkst. Figuren die ik zelf absoluut niet wilde worden’, zegt Van Driel in zijn leren jack en met een brede zilveren ring om zijn vinger. ‘Mijn vader werkte voor een dochteronderneming van een staalgigant. Was de hele dag weg, had het nooit over zijn werk, viel thuis in slaap voor de buis. Zo zag het leven van een volwassene er voor mij uit, en dat wilde ik niet leiden. Ik had dus niet zo’n haast om in De Maatschappij te stappen. Wilde liever in de zandbak zitten.’

En Van Driel las strips. Veel strips. Suske en Wiske, Alex, Michel Vaillant, werk van Marten Toonder. En met zijn jeugdvriend Peter tekende hij zich helemaal suf. ‘We hebben het elkaar geleerd.’ Om en om maakten ze een poppetje: Wobbelob en Mobbesop. Later werden die vervangen door bloot poserende vriendinnen. ‘Heel kunstzinnig, vonden we. Maar toch ging ik geschiedenis studeren. Vond ik ook heel leuk.’

Maar de poppetjes bleven zich opdringen; in de randen van studieboeken, tussen de aantekeningen. En Folia zag er genoeg in om Van Driel te vragen een paar illustraties bij teksten te maken. ‘Ik dacht: als ik er nog een paar bladen bij zoek, kan ik ervan leven.’

Tot die tijd werkte Van Driel bij Pegasus, de voormalige communistische boekwinkel in de Amsterdamse Leidsestraat. ‘De eigenaar vroeg me op een dag een schilderijtje te maken voor in de etalage. Dat deed ik, toen kwam er een kunsthandelaar langs die het wilde kopen. Dat leidde tot een samenwerkingsverband van drie jaar waarin ik tientallen doeken schilderde, die hij allemaal verkocht. Maar mijn werk werd steeds somberder, en dat paste niet in wat hij wilde; een portret van een vleesgigant met allemaal vrolijke varkentjes eromheen bijvoorbeeld. Dat werd bij mij een geslacht, doorgesneden varken. Niet zo vrolijk, maar wel feitelijk.’

De wegen van Van Driel en de kunsthandelaar scheidden, maar de schilder in Van Driel was definitief ontwaakt. ‘En toen ik een jaar of dertig was, zag ik voor het eerst werk van de Italiaan Lorenzo Mattotti. Dat was een eye-opener; zó mooi had ik strips nog nooit gezien. Tot die tijd las ik vooral leuke avonturenverhalen, maar dat je met tekeningen ook poëzie kon treffen, was nieuw voor me. Ik wist direct: dat wil ik ook, in die hoek wil ik zitten.’

Melancholie, buitenstaanders, tekeningen met details uit vroeger tijden (een stoppenkast uit de jaren vijftig, telefoon met haak), nageschilderde krantenfoto’s en het gebruik van stemmige kleuren zijn terugkerende elementen in Van Driels werk. ‘Ik heb nooit van tevoren een idee voor een verhaal. Het begint met een scène. Bijvoorbeeld van iemand die een peepshow bezoekt en daar dan Abraham Lincoln ziet.’ Zo’n stapeltje tekeningen, geschilderd op A4-formaat of kleiner, kan jaren blijven liggen, tot het ineens ergens in past. ‘Eerst maak ik alle tekeningen. Voor een boek zo’n driehonderd in totaal. Daar ben ik lang mee bezig; ik kan niet snel en effectief tekenen. Ik moet heel erg zoeken, veel gummen. En de tekst komt er pas op het allerlaatst bij.’

De kracht zit dus vooral in de beelden, daarmee is het verhaal al voor een groot deel verteld. En dat maakt nieuwsgierig naar Van Driels ontwikkeling als filmmaker. In zijn debuut Groen is toch de mooiste kleur voor gras zaten al een paar opnamen als schilderijen. Zoekplaten, die lekker lang bleven staan zodat je er echt even in kon rondkijken. Wandelen met je ogen. ‘Ik vind het een heel goed teken dat niet iedereen die film begrepen heeft. Mijn werk mag op een bepaalde manier wel raadselachtig zijn. Ik houd zelf erg van David Lynch en wat hij allemaal durft. Of Andrej Tarkovski; zijn Andrei Rublev maakte echt een verpletterende indruk op me. Misschien haken de meeste mensen af bij mijn werk. Maar wat kunnen mij eigenlijk de meeste mensen schelen? Ik maak wat ik zelf mooi vind, doe dat met veel plezier, en er zijn vast nog wel wat anderen die daar ook van kunnen genieten. Veel meer heb ik niet nodig.’

www.deharmonie.nl