Macht en machteloosheid in Den Haag

Veel hoefgetrappel, steeds minder wol

Veel traditie op prinsjesdag, vooral als het om uiterlijk vertoon gaat. Maar hoe verhoudt zich dat tot de inhoud? Heeft Den Haag nog invloed op het reilen en zeilen in het land?

Het jaarlijkse ritueel van prinsjesdag is weer achter de rug. De gouden koets is terug naar haar stalling, de pruik van de koetsier ligt weer in de mottenballen en de ceremoniële tenues met de bijbehorende berenmutsen, wandelsabels en andere traditionele attributen van de garde grenadiers en de garde fuseliers Prinses Irene hangen ook weer in de kast.

Dat het staatshoofd op de derde dinsdag van september, na een rijtoer met veel militair vertoon, het parlementaire jaar opent, was deze week precies honderdtwintig jaar een traditie. Ook het koffertje waarin de minister van Financiën de rijksbegroting aanbiedt aan de Tweede Kamer vierde zijn jubileum. Wouter Bos’ eerste keer komt precies zestig jaar nadat zijn voorganger partijgenoot Piet Lieftinck in 1947 de eerste naoorlogse begroting voor de eerste keer in een koffertje stopte.

Het meest in het oog springende verschil met de jaren van Lieftinck is de Europese Unie. In 1947 was er nog geen sprake van de voorloper van de EU, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, nu worstelt het kabinet intern met de vraag of het het nieuwe EU-verdrag in een referendum aan de bevolking moet voorleggen.

Maar hoe groot is de invloed van de Europese Unie eigenlijk op de Nederlandse wet- en regelgeving? Hoeveel wordt er tegenwoordig in Brussel en hoeveel nog in Den Haag bepaald? Antwoord: dat weten we niet.

De wildste cijfers doen daarover de ronde. Zo schatte de vroegere voorzitter van de Europese Commissie, de Fransman Jacques Delors, in dat zo’n tachtig procent van de wetgeving in EU-landen in Brussel wordt gemaakt. De vorige Nederlandse staatssecretaris voor Europese Zaken, de vvd’er Atzo Nicolaï, dacht dat het om ongeveer zestig procent zou gaan. Maar ook het percentage van zestien doet de ronde.

Om er zicht op te krijgen heeft het T.M.C. Asser-instituut er twee jaar geleden in opdracht van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Justitie onderzoek naar gedaan. Niet op alle beleidsterreinen, alleen als het ging om onderwijs en milieu. Ook is toen alleen gekeken naar de hoeveelheid regels, wetten en rechterlijke uitspraken, oftewel alleen de kwantiteit is gemeten. Dat zegt nog niets over de daadwerkelijke, kwalitatieve invloed.

Wat bleek: op milieuterrein wordt 66 procent van de wet- en regelgeving in Brussel bepaald, voor onderwijs ligt dat percentage op zes. Wie invloed wil uitoefenen op de milieuwetgeving doet er verstandig aan niet alleen in Den Haag maar toch ook vooral in Brussel te gaan lobbyen. Voor beter onderwijs is het Binnenhof nog wél de aangewezen plaats om aan te kloppen.

Maar niet alleen de EU heeft meer invloed gekregen. Ook de lagere overheden hebben meer bevoegdheden en beleidsvrijheid dan vroeger. Binnenlands is decentralisatie de trend, al ontbreken ook hier cijfers die een idee kunnen geven hoeveel macht vanuit Den Haag is weggevloeid naar beneden. Wel heeft het onderzoeksbureau sgbo geïnventariseerd welke taken de gemeenten er tussen 1980 en 2006 bij hebben gekregen, dan wel zijn kwijtgeraakt. Het eerste overheerst, de terreinen waarop variëren: van bijstand tot bordeelverbod, van de winkeltijdenwet tot het woonwagenbeleid. Wie over dit soort zaken klachten heeft, moet dus bij de gemeenteraad en niet op het Binnenhof zijn.

Ook de relatie tussen Den Haag en het bedrijfsleven is veranderd. Dan gaat het niet alleen om privatiseringen, waardoor in de huidige discussie over topinkomens ook de namen opduiken van ceo’s van ondernemingen die nog niet zo heel lang geleden staatsbedrijven waren, zoals kpn en tnt.

Ook de ideeën over staatsinterventie zijn veranderd. In 1983 kwam het nog voor dat de regering een miljoen gulden subsidie gaf aan een op de rand van faillissement staande schrijfmachinefabriek in Den Bosch. De subsidie was bedoeld om een nieuwe schrijfmachine te ontwikkelen. Deze subsidie wekt nu niet alleen bevreemding, omdat het van een weinig vooruitziende blik getuigt waar het de opkomst van de personal computer betreft. Maar ook omdat het op deze manier redden van bedrijven geen overheidstaak meer is en de EU daar scherp op let.

Werknemers die nu in Den Haag komen demonstreren omdat hun werkgever de productie wil verplaatsen naar lagelonenlanden zoals China of Polen worden nog wel aangehoord. Maar de parlementariërs kunnen weinig anders doen dan er bij het kabinet op aandringen mee te werken aan een goede begeleiding van de gedupeerden naar scholing of een andere baan.

Ook ons eigen veranderde gedrag heeft gevolgen voor de mate van invloed van Den Haag. Als het bij de Algemene Beschouwingen van deze week weer ging over de koopkracht, dan is dat steeds meer een ritueel dat steeds minder gaat over onze daadwerkelijke portemonnees.

Het modale gezin van vroeger met één kostwinner bestaat bijna niet meer, de gezinssamenstellingen zijn veel diverser geworden en steeds moeilijker in koopkrachtplaatjes te vangen. Altijd al hadden individuele gebeurtenissen, zoals de geboorte van een kind of het sterven van een partner, meer invloed op de koopkracht dan overheidsmaatregelen. Maar door ontwikkelingen als de toename van het aantal echtscheidingen en het sneller veranderen van baan is die invloed nóg kleiner geworden.

Met deze vier ontwikkelingen op het netvlies lijkt het prinsjesdagritueel een steeds leger gebeuren: veel hoefgetrappel, steeds minder wol. Toch blijven wij kijken naar Den Haag, niet alleen naar de feestelijke rijtoer op de derde dinsdag, maar ook als we gedurende de rest van het jaar ontevreden zijn, over drankmisbruik, stilstaande treinen, burka’s, plastische chirurgie bij jonge meiden of te weinig groen in Vinex-wijken.

Voor die blijvende focus op Den Haag is een aantal redenen aan te wijzen. De eerste is welhaast een open deur: Den Haag mag dan aan invloed hebben ingeboet, de landelijke politiek heeft nog wel degelijk een eigen speelveld. Zo overkomt ‘Brussel’ ons niet, maar heeft Den Haag daar invloed op. Op het gebied van accijnzen is Nederland weliswaar niet geheel vrij van EU-spelregels, maar kan de huidige verhoging van de accijns op drank wel worden gezien als een signaal van dit kabinet dat het iets wil doen aan het overmatige drankgebruik onder jongeren.

Nederlanders blijven ook naar Den Haag kijken om de eenvoudige reden dat het Brussel van de 27 aangesloten landen ver weg en ongrijpbaar is, het bedrijfsleven niet centraal is aan te spreken en de lagere overheden aan onbekendheid lijden. Dat alles wordt nog eens versterkt door de media: Haagse politici mogen de deur plat lopen in Hilversum – en doen dat ook gretig –, maar Brusselse en lokale politici zijn veel minder te gast aan de verschillende tv-tafels. Ook het gevecht om de kijkcijfers draagt er zo toe bij dat de ogen gericht blijven op een machtscentrum dat aan invloed heeft ingeboet.

Toch blijft Den Haag ook het focuspunt omdat veel mensen willen dat de politiek ingrijpt of de regie neemt. Die roep kan komen van ouders van pubers die willen dat de overheid de openingsuren van cafés aan banden legt, zodat zij geholpen worden bij het verminderen van het drankgebruik van hun kinderen. Maar ook van het Milieu- en Natuurplanbureau dat de overheid oproept de teugels in handen te nemen, omdat zonder regie de natuur de dupe dreigt te worden van de stijgende consumptie.

Het is aan Den Haag om aan te geven aan welke oproepen ze gehoor geeft. De politiek moet duidelijk maken waar ze nog wél een rol wil en kan spelen en waar niet. Daar hoort ook bij dat de politiek uitlegt dat haar rol is veranderd.