#5: Khalid Benhaddou

‘Veel imams kunnen radicale jongeren niet aan’

De Gentse imam Khalid Benhaddou zoekt naar een islam die past in het Westen zonder zijn eigenheid te verliezen. In 2017 werd hij bekroond met de Belgische Prijs voor de Mensenrechten.

Khalid Benhaddou in de El Fath-moskee in Gent © Jef Boes

‘Ik heb tot dusver bewust Nederland wat links laten liggen’, zegt Khalid Benhaddou (30) resoluut. De jonge imam van de grootste moskee van Gent is in Vlaanderen een fenomeen. Als deradicaliseringsexpert is hij een sleutelfiguur in het terreurdossier van de Vlaamse overheid. Tegelijk weet hij als uitgesproken islamdenker en voorzitter van het Platform Vlaamse Imams nauwe banden met zijn eigen gemeenschap te onderhouden. Gevierd en gevreesd, zo zou Benhaddou kunnen worden genoemd. Hij werd in 2017 bekroond met de Belgische Prijs voor de Mensenrechten. ‘Ik ben de eerste moslim die deze prijs won. Dat dit kon, juist met mijn profiel als imam, bewijst dat mijn verhaal groter is dan dat van moslimrechten alleen. Ik sta voor mensenrechten in brede zin, met inachtneming van de rechten van moslims die in deze tijd sterk onder druk staan.’

Benhaddou laat niet na te vermelden dat hij bij een rondgang van De Morgen langs 120 prominente Vlamingen, met de vraag wie nu beschouwd kan worden als de meest intellectuele Vlaming, op de zesde plek eindigde. ‘Dit maakt mij tot de eerste moslim die beschouwd wordt als een intellectuele Vlaming.’ Eind 2016 publiceerde hij zijn boek Is dit nu de islam? Hoe ik als moslim voor nieuwe tijden ga: rationeel, Europees en verzoenend. Met atheïst Paul Cliteur en christen Rik Torfs voerde hij een debat over religie in de samenleving voor het boek Mag God nog van Lisbeth Imbo, dat onlangs verscheen.

Maar in Nederland wil het sinds de aanslagen van 9/11 van een deugdelijk intellectueel islamdebat maar niet komen. Er zijn hier ook geen breed gerespecteerde intellectuele moslims. ‘Ik heb recent weer een rondgang door Nederland gemaakt naar aanleiding van de verschijning van Mag God nog’, zegt Benhaddou, ‘maar ik vind het niveau van het islamdebat in Nederland zo deplorabel laag dat ik me er liever verre van houd. Nederland kent wel moslimintellectuelen, maar zij zetten zich eerder tegen de gemeenschap af dan dat ze vanuit de geloofsgemeenschap politici op niveau van een weerwoord voorzien.’

Spreken met Khalid Benhaddou is een vreugde voor de kritische geest – en een hersenkraker soms. Hij is welbespraakt. Scherp. Uitgesproken. Bekend met de grote politieke filosofen. Maar ook niet gevrijwaard van tegenstrijdigheden. ‘Meestal praat ik niet met uw Nederlandse media’, merkt hij aan het begin van het gesprek op. Ook dat heeft alles te maken met de genadeloze toon en betreurenswaardige inhoud van het islamdebat zoals dat in onze media gevoerd wordt.

28 mei in Pakhuis de Zwijger:
De Groene Live #14 Hervormingsfundamentalisten

Met o.a. Mounir Samuel, Abid Tounssi & Fatima Elatik

Benhaddou weet waarover hij het heeft. Aan het begin van zijn vroege carrière werkte hij drie jaar als imam in Rozendaal. ‘Ik ken de gemeenschap daar goed en mocht veel voor de jongeren betekenen. Ik kwam vroeger vaak in Nederland. In mijn vorige leven, toen ik nog niet de rationele islam verkondigde en mijn denken nog sterk verankerd was in de traditionele islam, kwam ik vaak op bezoek in de verschillende conservatieve centra in Nederland. Ik was vertrouwd met de salafistische kringen en bijeenkomsten van de Moslimbroederschap. Toen ik zeventien, achttien jaar oud was, gaf ik daar al lezingen. Achteraf gezien hebben deze ervaringen me gesterkt en mijn denken gevormd. Want hoewel ik die lezingen gaf, zat ik zelf vol vragen en was ik ergens niet overtuigd van mijn eigen verhaal. Dit heeft gezorgd dat ik een zoektocht ben gaan maken en ben uitgekomen waar ik nu sta.’

De visie die hij vandaag uitdraagt ligt in het midden, zegt hij. Hij is kritisch op de nalatenschap van het koloniale Westen in de Arabische wereld, een uitgesproken tegenstander van de corrupte Arabische regimes (‘de leiders zijn een reflectie van hoe het volk zelf is, als je ander leiderschap wil moet je het eerst in jezelf zoeken’), maar ook een hervormingsgezinde denker in eigen kring die terug wil naar de bron en een islamitisch discours hoopt te ontwikkelen dat niet tegen het Westen ageert, maar een eigen autonoom geluid vertegenwoordigt.

‘Ik ben niet een persoon die kiest voor een conservatieve islam, als religie van morele bewapening tegen de westerse samenleving’, licht hij toe. ‘Nochtans pleit ik niet voor een islam die helemaal verwesterd is en een reproductie vormt van het westerse denken en daarmee niet vertrekt vanuit eigenheid. Zo’n islam heeft ook weinig kans van slagen omdat het de eigen kern en achterban tot nul reduceert. Een verwesterde islam is een islam die maar meegolft op de sentimenten van de tijd. Zo had je in de jaren vijftig in de Arabische wereld een reeks islamgeleerden die uitgebreid schreef over het communisme in de islam, terwijl ze in de jaren zeventig de kapitalistische wortels in de islam opeens onderstreepten.

Het probleem met het kapitalisme is dat hoe meer je er de strijd mee aanbindt, hoe meer je er onderdeel van wordt. Kijk bijvoorbeeld naar de hippie van de jaren zestig die met zijn pacifistische uitgangspunten extreem antikapitalistisch was. Die identiteit is nu volledig gecommercialiseerd en hip. Datzelfde gebeurt ook met de islam die steeds meer een product van de vrije markt is geworden. Als je iets wil verkopen moet je er gewoon “islam” op plakken. Dat wordt door moslims gedaan met een kapitalistisch verhaal, bedekt met de mantel van de islam en de schil van de koran. Tegelijk verkopen de rechts-populisten hun agenda met dezelfde islam als predikaat. Ook zij verdienen als het ware op de islam als politiek marktproduct.’

Benhaddou heeft zichzelf een moeilijke taak gesteld. ‘Ik wil recht doen aan de grieven en de sentimenten binnen de islamitische gemeenschap, maar wil niet meegaan in het slachtofferdenken.’

Wanneer hij naar het islamitisch discours kijkt zoals dit in het Midden-Oosten en als gevolg daarvan in Europa vandaag de dag dominant is, ziet hij twee bewegingen. ‘De ondergang van het Ottomaanse Rijk in 1923 is nog steeds niet verwerkt. Enerzijds heb je de modernisten die de succesformule van het Westen pogen te kopiëren, zie de opkomst van het nationalisme, communisme en later liberalisme. En dan was daar de antikoloniale tegenbeweging van de Moslimbroederschap en later de anti-imperialistische bewegingen van het wahabisme en salafisme. De centrale vraag die al die verschillende islamitische denkers bezighield was: “Waarom is het Westen vooruit gegaan en zijn wij achteruit gegaan?” Die vraag is een verkeerd vertrekpunt.

Het betekende dat vanaf dat moment niet op basis van het eigen ik de identiteit werd bepaald, maar op basis van het Westen. De antwoorden die beide stromingen proberen te formuleren zijn een islamitische reactie op westerse vraagstukken zoals burgerschap, economie, democratie of tolerantie. Dat laatste is een westers product bij uitstek. In de Arabische wereld werd daar tot voor kort nooit over geschreven, omdat de diversiteit van bevolkingsgroepen als een vanzelfsprekend feit werd beschouwd. Islamisten verwijten secularisten dat zij het Westen leidend laten zijn, maar zij doen impliciet hetzelfde door niet van de dichotomie van islam versus het Westen af te stappen en constant reactionair te zijn.

‘Ik vind het niveau van het islamdebat in Nederland zo deplorabel laag dat ik me er liever verre van houd’

Dit heeft tot de komst van een conservatieve islam geleid, die nauwelijks terug te leiden is tot de vroegere tradities. De islam van vandaag maakt zelfs een breuk met de islam zoals we die eeuwenlang hebben gekend. Als ik kijk naar taboes die leven rond seksualiteit bijvoorbeeld, dan zijn die niet terug te brengen tot de oorspronkelijke islam. De islamgeleerden in de achtste eeuw schreven zonder schroom en moralisme over seksualiteit, daarin vrijelijk details verwerkend over hoe je intiem dient te zijn. Toen deze teksten in de Middeleeuwen en Renaissance werden vertaald naar Europa werden ze als subversief en pornografisch beschouwd.’

De islamitische wereld – die zich uitstrekte van China tot Marokko, grote delen van Afrika en Centraal-Azië – wist eeuwenlang een mate van welvaart, beschaving en ontwikkeling vol te houden waar Europa slechts van kon dromen. Pas in de vijftiende eeuw kwam het definitieve omslagpunt en begonnen de Europese verlichting en koloniale expansiedrift. Terwijl moslims met weemoed terugverlangen naar de gloriedagen van Al-Andalus, leren westerse geschiedenisboeken weinig tot niets over deze lange islamitische bloeiperiode die de wereld onder meer de gitaar, astronomie, medische wetenschap, kalligrafie, het rekenstelsel, algebra en overlevering van de grote Griekse filosofen en beroemde Arabische denkers schonk.

Het waren de pluriformiteit van opvattingen en ideeën, het actief aanmoedigen van wetenschap, filosofie en de rede, religieuze coëxistentie en de zeer diverse bevolkingssamenstelling die de verschillende islamitische rijken tot bloei brachten. ‘Terwijl het Westen heel lang weinig tot geen verschillen erkende en een strikte monocultuur had, kende de vroege islam een sterke periode van wat een cultuur van ambiguïteit wordt genoemd’, zegt Benhaddou. ‘Na die cultuur van grote pluriformiteit van ideeën kwam plots een periode van sterke eenvormigheid.’

Gods woord was altijd al heilig en onfeilbaar maar er viel, anders dan nu, wel over te twisten. In de hoogtijdagen van Al-Andalus ging vrijheid samen met gebed. Iedere persoon die de moeite deed kritisch te denken en via het stellen van vragen tot nieuwe inzichten en interpretaties te komen, had als zodanig gelijk – zelfs wanneer hij technisch gezien een onjuiste conclusie had getrokken, zo schrijft de islam-geleerde Umar Faruq Abd-Allah in zijn research paper Innovation and Creativity in Islam (2006). Iedere nieuwe vondst leidde tot hevig debat onder geleerden en juristen. Was het misschien mogelijk dat er op een vraag meer dan één antwoord zou kunnen bestaan? zo vroeg men zich openlijk af.

In de tiende eeuw kwam daar resoluut een einde aan toen binnen de soennitische islam de ‘poorten van de ijtihad’, de herinterpretatie, werden gesloten. De geleerden stelden dat alle regels en principes voor het dagelijks leven, de samenleving en het bestuur die aan de koran en ahadith (overleveringen over het doen en laten van de profeet Mohammed) konden worden ontleend, nu bekend waren. Dit betekende dat rechtstreekse (her)interpretatie van de belangrijkste grondteksten niet langer mogelijk was. Wie hedendaagse vraagstukken zoals homorechten, alleenstaand moederschap, interreligieuze relaties, maar ook het kopen van een huis met een hypotheek met rente wil onderzoeken, kan zich dus uitsluitend richten op de korancommentaren zoals opgesteld door de geleerden tot de tiende eeuw en latere jurisprudentie. Hierdoor zijn nieuwe zienswijzen uitgesloten.

De soennitische islam verloor na de tiende eeuw veel aanhang. In een vergeefse poging de uitgestrekte kalifaten bijeen te houden, legden de verschillende politieke gezagdragers telkens één geloofsinterpretatie op. Uniformiteit in naam van eenheid leidt uiteindelijk niet alleen tot moreel maar ook tot cultureel verval. Van de ruim 135 rechtsscholen die tijdens de hoogtijdagen van Al-Andalus binnen de soennitische islam bestonden, zijn er vandaag de dag vier over. Alle orthodox.

Binnen de sjiitische islam bleven de poorten naar de ijtihad echter wel geopend. Niet geheel toevallig kwamen, in de latere islamitische bloeiperiode tussen de tiende en veertiende eeuw, verschillende grote sjiitische kalifaten op zoals de Fatimiden in Caïro die de Azhar-universiteit openden. Ooit een hoogstaand centrum van religieus denken en vernieuwing is de Azhar nu een rigide, conservatief soennitisch bolwerk. Hervormingsgezinde geestelijken proberen sinds de achttiende eeuw de herinterpretatie van de oorspronkelijke grondteksten weer mogelijk te maken. Iedere oproep daartoe roept echter grote weerstand, bedreiging en geweld op.

Op de vraag of Benhaddou de roep om herintroductie van ijtihad ondersteunt volgt een korte stilte. ‘Ijtihad moet er altijd zijn. Het feit dat die deuren zijn gesloten was geen religieuze keuze, maar een politieke. De antwoorden van de madhaib, de rechtsscholen, werden als voldoende geacht om de politieke status quo vol te kunnen houden. Opening van de deuren zou het gezag ondermijnen. God heeft nooit gezegd dat mensen niet meer zouden mogen nadenken, dat druist juist in tegen de geest en de letter van de heilige tekst. Maar elke poging tot herinvoering van ijtihad wordt door politieke machthebbers in de kiem gesmoord. Zo zie je dat de islamgeleerden die daar pleitbezorger van zijn sterk worden gemarginaliseerd. De islam die hierdoor is ontstaan is niet politiek en maatschappelijk bewust en durft niet tegen het bestaande systeem op te staan.’

‘Ik wil niet meegaan in het slachtoffer­denken’ © Jef Boes

Belangrijk kantelpunt in de islamitische geschiedenis was de botsing tussen de aanhangers van de islamgeleerde Al-Ghazali (1058-1111) en de filosoof Ibn Rushd (1126-1198), hier beter bekend als Avaroës. ‘Al-Ghazali stelde dat er geen noodzakelijk verband is tussen oorzaak en gevolg’, vertelt Benhaddou en geeft de volgende illustratie: ‘Als ik tegen een bal schop gaat hij niet vooruit vanwege de trap die ik gaf, maar omdat Allah het zo wil. Ik ben in deze denkwijze dus niet meer dan een tussenstap. Hiermee haalde Al-Ghazali de grondslag van de natuurwetenschappen volledig onderuit.’

Al-Ghazali’s denken drukte niet alleen een enorme stempel op de islam, maar ook op de denkwijze van veel moslims, benadrukt Benhaddou. ‘Als je van kinds af aan hebt gehoord dat alles wat gebeurt de wil van God is, zal dat je niet uitdagen om wetenschap te bestuderen. Ibn Rushd pleitte er juist voor dat als je God wil ontdekken je aan wetenschap moet doen en de verbanden die God heeft gecreëerd moet onderzoeken. Meer nog, de gedachte dat alles is zoals God het wil leidt tot een zeker fatalisme. Dit werkt heel ontmoedigend. Jongeren zijn een product van een islamitisch denken dat generaties lang teruggaat. Allah wordt een bepaalde verantwoordelijkheid toegeschreven die de mens zelf toekomt. Probleem is dat degenen die zich wel vrijvechten van een dergelijk religieus denken, vaak kiezen voor een marxistische linkse zienswijze die eigenlijk hetzelfde resultaat geeft. “Het is niet de schuld van God, maar het is de schuld van het systeem.”’

Opnieuw omschrijft Benhaddou twee stromingen waartussen de huidige islamitische wereld gevangen zit: ‘Het fatalistische denken en de meer intellectuele stroming die zich heeft kunnen bevrijden van het conservatisme, maar allemaal marxistische analyses reproduceert waarbij de schuld nog altijd buiten henzelf ligt en ruimte ontstaat voor allerlei complottheorieën.’ De imam ziet hoeveel jonge moslims in Europa gevangen zitten in een vreemde kruisbestuiving van beide stromingen.

‘Allah wordt een verantwoordelijkheid toegeschreven die de mens zelf toekomt’

‘Zaak is om aan beide kanten te gaan sleutelen. We hebben een veel rationelere islam nodig. Een islamitisch discours dat noch een reactie is op het Westen, noch een reproductie van het westerse denken. De moslims in Europa moeten zich losmaken van de islam in het Midden-Oosten en een islamitisch discours ontwikkelen dat vertrekt uit de Europese cultuur en traditie en daarmee verder schrijft aan de geschiedenis. Dan kom je tot een islam die zich niet afzet tegen Europa, maar deelneemt aan het debat in Europa en stevig verankerd is in het Westen. De meeste tweede en derde generaties moslim zijn onderdeel van de Europese cultuur, maar in hun islambeleving zetten ze zich tegen diezelfde cultuur af. De vraag is: hoe kunnen wij als moslims de democratische middelen, de mechanismen en principes van de rechtsstaat, de waarden die hier gelden omarmen en constructief deelnemen aan het debat.’

Groot voorbeeld in die hervorming vormt voor hem de Marokkaanse denker Mohammed Abed Al Jabri (1935-2010), ‘de bekendste islamitische denker van de afgelopen eeuw’, die volgens Benhaddou veel te weinig aandacht krijgt bij moslims in Europa. ‘Hij is een van de weinige denkers die geprobeerd heeft te komen tot een nieuw concept – ietwat neigend richting het marxisme – waarin de islamitische teksten en geschiedenis opnieuw worden bestudeerd, niet alleen op de religieuze inspiratie, maar ook vanuit een sociaal-culturele, politieke, economische en antropologische context. Door de geest van de tijd eruit te halen en toe te passen op de werkelijkheid van deze tijd wint de religie aan nieuwe zeggingskracht.’ Benhaddou wil de verantwoordelijkheid terug van het eigen individu. ‘Denk aan de Franse filosoof Jean-Paul Sartre. Soms moet je als individu aan het ik denken, los van gemeenschap en systeem, om zo te ontdekken welke krachten je hebt en welke talenten je kunt inzetten.’

Of de imam zich gefrustreerd voelt over het gebrek aan kennis en kritische reflecties van veel Europese moslims, vraag ik me hardop af. ‘Het is een heel grote frustratie als je dagelijks te maken hebt met het deplorabel lage intellectuele niveau van moslims. De beleving van de islam bij veel moslims is niet doordacht. Het is een mix van enerzijds de islam die ze mee hebben gekregen van de ouders – vaak gastarbeiders die zelf niet uit grote steden kwamen en geen grote opleiding hebben genoten –, een praktische islam, weinig inhoudelijk, en anderzijds een oerconservatieve islam uit Saoedi-Arabië die overigens ook zeer simplistisch is, weinig contextualisering en nuancering toelaat en die vertrekt uit een binaire logica, alles is zwart of wit. Veel jongeren schipperen tussen beide polen. Maar om dat te doorbreken is niet eenvoudig’, verzucht hij. ‘Hun religieuze opvattingen zitten ingebakken in tradities en generaties van opvoeding, dus moet een nieuw concept worden ontwikkeld dat vervolgens kan doorsijpelen naar alle lagen van de samenleving: de moskee, onderwijsinstanties, sociale media. Eigenlijk moet de jonge generatie opnieuw worden opgevoed en een veel doordachtere versie van de islam meekrijgen.’

Het is de groei van de oerconservatieve islam die het fundamentalisme bij jonge generaties moslims in Europa heeft aangewakkerd. Ooit zelf flirtend met het salafistische gedachtegoed is Khaled Benhaddou nu een fervent tegenstander daarvan. Het ultraorthodoxe salafisme is de verzamelnaam van soennitische bewegingen die terugverlangen naar een ‘zuivere’ en ‘pure’ islam waarvoor de voorouders, de Salaf, als rolmodel fungeren. Met deze voorouders worden de eerste drie generaties van moslims bedoeld: de metgezellen van Mohammed en de twee daaropvolgende generaties.

Het salafisme oefent ook in Europa speciale aantrekkingskracht uit op een kleine, maar vaak geradicaliseerde groep jonge gelovigen. Hun aanhang groeit wel snel. In 2017 onderzocht NRC Handelsblad de inhoud van preken, online uitingen en bronnen binnen de Marokkaans-Nederlandse gemeenschap en concludeerde dat ‘bijna de helft van de 22 Amsterdamse moskeeën van Marokkaanse origine onder invloed van salafisten staat’. Zeven van de Amsterdamse Marokkaanse moskeeën zouden rechtstreeks in handen zijn van salafisten. Nog eens vier hebben te maken met sterke salafistische fracties binnen het gebedshuis. Een minderheid van de salafisten staat geweld voor als rechtmatige methode om de islam te verspreiden. Zij worden jihadisten genoemd.

‘Tot voor kort zag ik het salafisme groeien’, zegt Benhaddou, ‘maar de nieuwe Saoedische vorst streeft naar een veel modernere versie van de islam. Ik zie dit terug in het beleid naar Europa toe, waarin Saoedi-Arabië geleidelijk het salafisme als de propagandamachine voor het koninkrijk los begint te laten. Zo was de grote moskee in Brussel sinds de jaren zeventig in bezit van Saoedi-Arabië, maar met alle heisa die hierover na de aanslagen ontstond, bleek het koninkrijk tot ieders verbazing opeens bereid de moskee uit handen te geven. Het was voor hen een belangrijk centrum in Europa, het hoofdkwartier van de wereldliga van moslims. Dus dat betekent dat er misschien wel een nieuwe koers aankomt, waarbij Saoedi-Arabië de conservatieve politieke ideologie niet langer gebruikt om de eigen belangen te beschermen en haar bondgenootschappen gaat herzien.’

Maar het salafisme heeft al een flinke voet aan de grond gekregen. ‘Je ziet dat in Nederland de financiering van het salafisme al jarenlang aan het verminderen is’, zegt Benhaddou, ‘maar dat dit weinig tot geen gevolgen had voor het voortbestaan van salafistische organisaties, omdat deze ondertussen al zelfbedruipend zijn en op eigen kracht verder kunnen. Toch denk ik dat, als Saoedi-Arabië ervoor kiest de islam in deze vorm als politieke ideologie los te laten, het salafisme flink zal draaien. Onderschat niet de loyaliteit die de salafisten hebben aan het Saoedische koningshuis en de prominente geleerden. Voor de groep jongeren die onbewust beïnvloed zijn, omdat het salafisme online heel wijdverspreid is, zul je zien dat als Saoedi-Arabië met financiering van online propaganda stopt, moslims eindelijk met andere richtingen binnen de islam in aanraking komen.’

Zelf richtte Khalid Benhaddou in de nasleep van de Brusselse aanslagen een anti-terreurlijn op. Volgens de imam komen er maandelijks tientallen tot honderden telefoontjes binnen. ‘Ik krijg heel veel vragen over op welke signalen moet worden gelet, bezorgde ouders die bellen, maar ook moslims die discriminatie ervaren of angst hebben voor rechts-extremisme of boze Vlamingen die de islam liever kwijt dan rijk zijn.’

Daarnaast is de imam werkzaam voor de minister van Onderwijs als adviseur op het dossier preventie en radicalisering. Tijdens zijn veldwerk bezocht hij meer dan vijfhonderd scholen in Vlaanderen. Ook stuurt hij als coördinator tien mensen aan in een groot deradicaliseringsproject voor scholen. ‘Ik krijg tal van vragen, zoals wat te doen met leerlingen die geen handdruk willen geven, willen bidden op school, niet gemengd willen zwemmen, die halal-voeding eisen, de hoofddoek willen dragen. Ik word ook gevraagd om interventies te doen.’

Hij vervolgt: ‘Ik heb veel gesprekken gehad met geradicaliseerde jongeren. Mensen die in Syrië zijn geweest, op het punt staan om te vertrekken, in Turkije zijn opgepakt of nog willen gaan. Ik probeer hun het extremere denken uit het hoofd te praten. Soms lukt dat, soms niet.’

De imam heeft daarvoor een speciale methode uitgewerkt op basis van de psychologie. ‘De methode bestaat uit verschillende fases. In de eerste fase ga ik heel geïnteresseerd luisteren, daarmee creëer ik een vertrouwensband. Ik focus niet op het verhaal rond islam en radicalisme, maar zoek naar andere facetten van gemeenschappelijke identiteit, voetbal bijvoorbeeld. Het gaat om het tonen van interesse. Aandachtig luisteren. Waarom ziet deze persoon het kalifaat als utopie?

In de tweede fase stel ik enkel kritische vragen. Ik geef niet aan het oneens te zijn met de opvattingen. In de derde fase ga ik de discussie aan en breng ik het vaste denkpatroon aan het wankelen. Dus als de geradicaliseerde jongere een aya of koranvers aanhaalt waarin hij het heeft over joden en christenen als vijand, leg ik daar een aya tegenover die daarmee in contradictie is. In de vierde fase zet ik een contra-narratief in; dan ga ik zijn hele ideologie stuk voor stuk nalopen en zijn denkbeelden onderuit halen. De meesten denken dat dit het eindpunt is. Maar wanneer dat is gebeurd ben je nog niet klaar, want dan heb je wel argumenten gegeven waarom de persoon ongelijk heeft, maar hij zit nog steeds met de voedingsbodem van frustraties over de samenleving en al datgene wat hem tot zijn radicale gedachtegoed heeft gebracht. Het is dan zaak om een alternatief narratief te bieden zodat hij leert hoe je op democratische wijze het ongenoegen kunt kanaliseren. Veel imams kunnen dit soort jongeren niet aan. Je moet de salafistische jihadistische ideologie van kaft tot kaft kennen.’

Benhaddou haalt een lange reeks radicale islamgeleerden uit de twintigste eeuw aan, zoals Sayyid Qutb maar ook het werk van Osama bin Laden. ‘Als je de inhoud van deze geschriften kent, word je gerespecteerd in dergelijke kringen. Omdat je voor hen dan een instituut bent dat er iets van weet. Tegelijk ervaren ze kennis als erkenning van hun eigen denken, wat waardering oplevert. Dit bewustzijn mis je vaak bij deradicaliseringsexperts. Ze willen direct het verhaal van jihadisten onderuit halen, zonder eerst het vertrouwen en het respect te winnen.’


Of zijn werk en zienswijze niet veel spanning oproepen, wil ik ten slotte weten. ‘Ik ben niet de persoon die de weerstand opzoekt. Ik gebruik de stelling van Nietzsche – dat de beste manier om je tegenstander te verslaan niet is om hem te slaan maar jezelf zo groot te maken dat hij vanzelf klein wordt. In het begin lagen mijn standpunten bijvoorbeeld zeer gevoelig bij traditionele imams die me met argwaan volgden. Naarmate ik meer erkenning kreeg bij de achterban – omdat het me lukt veel jongeren te bereiken – als ook bij de Vlaamse overheid en het establishment, sluiten steeds meer imams zich bij mij aan. Die prijzen heb ik daarbij wel nodig. Het is niet altijd eenvoudig voor mij om de moed te hebben door te gaan. Ik zie veel conflicten en polarisering. Soms vraag ik me af: levert het wel iets op? Als dergelijke gerespecteerde organisaties je daarvoor erkennen is dat meer dan een schouderklop.’


Dit voorjaar verschijnt Mounir Samuels nieuwe boek God is groot: Eten, bidden en beminnen met moslims (uitgeverij Jurgen Maas)