Zomerlezen: De mannenleeslijst (6)

Veel liefs aan Ann!

Hij werd niet alleen bedrogen door zijn vrouw, hij pikte het ook nog: George Smiley, John le Carré’s anti-Bond, was de halve man die niemand serieus nam. Maar precies vanuit zo’n positie kan een underdog zegevieren.

John le Carré in 1980 © Evening Standard / Getty Images

De Britse muzikant Rupert Holmes zal op de dag van zijn overlijden herinnerd worden als de man van Escape‘If you like piña coladas/ and getting caught in the rain’ – maar hij had ooit nog een hitje. Het is van redelijk voor mijn tijd en in Him klinkt dan ook een intieme wereld door die je nu amper nog zal tegenkomen in de Top 40. Hij zingt:

Over by the window, there’s a pack of cigarettes.
Not my brand you understand,
Sometimes the girl forgets.

Het is niet meer van deze tijd vanwege die sigaretten, zou je denken, maar vooral vanwege de kalmte waarmee Holmes zingt over hoe hij wordt bedrogen. Ze zal moeten kiezen, zingt hij, it’s me or it’s him. Dat klinkt als een ultimatum, maar zo zingt hij het niet. Zoals hij ook niet zingt over zijn pijn of bedrog. Eerder is het een volwassen, ingehouden droefenis die rust op de wijsheid dat het nu eenmaal zo kan gaan in relaties.

Him is uit 1980 en geeft een blik op relaties die een passiviteit hebben die je nog zelden ziet, lijkt het. Tegenwoordig verwachten we van onze geliefde dat ze alles is. We willen dat onze partner ons maatje is, onze soulmate, onze intellectuele sparring partner, de ideale ouder. Ik parafraseer nu uit de losse pols het laatste decennium aan therapeuten, vrouwenglossycolumnisten en andere relatie-experts die de publieke ruimte vullen. We willen dat we na al die jaren nog steeds mateloos door onze partner opgewonden raken – en omgekeerd. De begeerte mag niet doven, de honger moet blijven. Onze partner ruimt de vaatwasser uit – en je hoeft er niet eens om te vragen.

Maar mocht hij of zij dat nu eens niet doen: trouble in paradise. De relatietherapeut Esther Perel legt het in haar boeken, TED Talks en haar immens populaire podcast Where Should We Begin? keer op keer uit. We zijn onze relatie als een prestatie gaan zien en hebben er daarmee een geweldige druk op gezet. Alles moet kloppen en als het dat niet doet, vinden we het aan onszelf verplicht er een punt achter te zetten. Want op scheiden drukt geen sociaal stigma meer. Het taboe is niet bij je partner weggaan als hij of zij is vreemdgegaan, constateert Perel, maar bij je partner blijven.

Precies het tegenovergestelde krijgt George Smiley te horen in John le Carré’s Tinker, Tailor, Soldier, Spy. Maar Smiley leeft dan ook begin jaren zeventig, in een permanent regenachtig Londen, waar hij in zijn vroege pensioen van boekhandel naar herenclub schuiert. Op de tweede bladzijde dat de lezer hem tegenkomt belt hij zijn advocaat, die prompt tegen hem zegt: ‘George, hoe kan je zo vulgair zijn? Nobody divorces Ann. Stuur haar bloemen en kom lunchen.’

Op de derde bladzijde komt Smiley een oude bekende tegen en zo’n beetje het eerste wat die tegen hem zegt is: ‘How’s the delicious Ann?’ Als de bekende een paar bladzijdes later – en een X aantal flessen wijn verder – afscheid van hem neemt, is het laatste wat hij tegen hem zegt: ‘Niet vergeten, veel liefs aan Ann!’ en begin je als lezer te begrijpen dat er iets met die delicious Ann aan de hand is.

Al eerder gebruikte John le Carré zijn Smiley als personage – al in zijn doorbraakthriller The Spy Who Came in from the Cold (1963) bijvoorbeeld. Maar toen was Smiley nog een bijfiguur, de kwade zo niet moreel-ambigue genius die aan de touwtjes trekt en de hoofdpersonen hun dood in stuurt. In Tinker, Tailor, Soldier, Spy (1974) treedt hij op de voorgrond. En hoe. Le Carré geeft hem een van de meest memorabele introducties uit de Britse literatuur:

‘Small, podgy, and at best middle-aged, he was by appearance one of London’s meek who do not inherit the earth. His legs were short, his gait anything but agile, his dress costly, ill-fitting, and extremely wet.’

In elk opzicht is Smiley als bedrogen man een gebroken man. Zo ziet de gemeenschap hem

Le Carré gaat dan nog even door over hoe natgeregend Smiley is, en hoe slecht zijn doorlekkende regenjas zit: ofwel de mouwen zijn te lang of zijn armen zijn te kort. Dat introductiehoofdstuk eindigt ook weer in de regen, als Smiley doorweekt is en het lijkt alsof ‘God voor straf’ alle taxi’s uit Londen heeft laten verdwijnen.

Waar dient hij voor gestraft te worden dan? Allereerst voor zijn rol als vastgelopen spion. Zijn carrière is morsdood. Zijn baas, Control, was ervan overtuigd dat er op ‘het circus’ een ‘mol’ rondliep en stuurde een van zijn meest gewaardeerde spionnen naar Tsjechoslowakije om informatie te zoeken. Een fiasco; de spion werd neergeschoten, voorpaginanieuws aan beide kanten van het IJzeren Gordijn. Control werd een vervroegd pensioen opgelegd – net als zijn loyale rechterhand Smiley, die niets van Controls mollenjacht afwist maar alsnog met hem wordt weggestuurd alsof hij nooit heel veel meer was dan Controls schoothondje.

Maar Smiley’s straf lijkt vooral uit zijn huwelijk voortgekomen. Iedereen, blijkt langzaam maar zeker, weet het van Ann. Van haar affaires, van de weken waarin ze spoorloos verdween. En iedereen weet hoe Smiley haar steeds weer terugnam, dankbaar. Door de verschillende Smiley-boeken heen begrijp je dat Smiley eigenlijk boven zijn gewicht vocht; hij was ‘maar’ een grijze ambtenaar bij de geheime dienst, zij was een society-figuur uit de lagere adel. Lady Ann. Het soort vrouw waarvoor je altijd zal moeten vechten om haar waard te zijn – en Smiley was dat duidelijk niet. In het spionnenwereldje, waarin sowieso met roddel en achterklap als kleingeld wordt gestrooid, is dat het bepalende beeld van Smiley: niet zozeer de bedrogen echtgenoot, maar de bedrogen echtgenoot die het pikt.

David Dencik als Toby Esterhase (l) en Gary Oldman als George Smiley in Tinker, Tailor, Soldier, Spy, 2011 © The Ronald Grant Archive / Mary Evans / HH

Toen de Smiley-boeken uitkwamen (Tinker, Tailor vormt samen The Honourable Schoolboy (1977) en Smiley’s People (1979) de ‘Karla-trilogie’, vernoemd naar Smiley’s kgb-tegenstrever, codenaam Karla) werden ze gezien als de anti-Bond. Vanaf de jaren zestig werden Ian Flemings James Bond-boeken met furore verfilmd, met Bond als oerman en übermacho die nooit echt om toestemming van Het Meisje leek te vragen, of een klap in zijn gezicht als deel van het voorspel zag. Bond kwam bovendien in de belichaming van de hoekige, harige Sean Connery – een man uit één stuk.

Toen Smiley eenmaal werd verfilmd in 1979 was hij een man uit één stuk verdriet: de pensioengerechtigde Alec Guiness kon weinig sex appeal overleggen. Je hoefde maar één blik op hem te werpen om te denken: ‘Natúúrlijk gaat zijn vrouw vreemd.’ Je gunde het haar bijna – waarmee je precies hetzelfde dacht als al die collega’s en concurrenten van Smiley op ‘het circus’.

Tegenover Smiley staat Bill Haydon, niet een Bond, maar iets soortgelijks. Een jongen van middelbare leeftijd, die bij de best and brightest van zijn generatie op Oxford hoorde, daarna ‘een goede oorlog’ had (lees: een spannende oorlog op exotische locaties) en nu een van de laatste levende herinneringen aan het groot-imperiale Brittannië is. Als Smiley het werk van de inmiddels overleden Control overneemt en op mollenjacht gaat, zegt een van zijn bronnen dat als Haydon de mol is, ze het niet wil weten. Ze onthoudt hem liever zoals hij was.

Lady Ann daarentegen krijgt de lezer niet mee. Op de laatste bladzijde ziet Smiley haar uit een auto stappen, die ze – uiteraard – parkeert op een plek waar ‘Busses Only’ staat. De metafoor voor het huwelijk: iedereen parkeert hem wel eens op de verkeerde plek. Ook mooi symbolisch: ze laat haar knipperlicht aan staan. Smiley staat perplex hoe mooi hij haar na al die jaren nog steeds vindt. Verder krijgt de lezer niets van haar te zien of te horen. Haar bestaan wordt gedefinieerd door haar afwezigheid.

In de verfilming die Tomas Alfredson in 2011 van Tinker, Tailor maakte zit een flashbackscène die niet in het boek zit: Smiley (Gary Oldman) komt thuis en treft daar Bill Haydon aan (Colin Firth). Hij was in de buurt, kwam even langs om hoi te zeggen en Ann een cadeautje te geven – een zelfgemaakt, abstract schilderijtje. Hij vertelt het casual. Natuurlijk, natuurlijk, knikt Smiley, maar hij ziet heel goed dat Haydon onder tafel krampachtig zijn schoenen probeert aan te trekken. Maanden later heeft Smiley nog steeds dat schilderijtje aan de muur hangen, als herinnering.

In elk opzicht is Smiley als bedrogen man een gebroken man. Zo ziet de gemeenschap hem. Als halve man, bedrogen en dus niet serieus te nemen. Wat juist zo bijzonder is, is dat Le Carré van deze zwakte Smiley’s kracht maakt. Want de gemeenschap ziet het bedrog van Ann als zo groot dat ze Smiley op geen enkele andere manier nog kan zien. In de helft van de gesprekken refereren mensen eraan, subtiel maar dwangmatig, bijna verlekkerd. (‘Ja, je was zulke goede vrienden met Haydon. Ik hoorde dat jullie alles deelden.’) Smiley blijft stoïcijns, misschien omdat hij beseft dat in de wereld van spionnen er niets zo gevaarlijk is als iemand onderschatten. Zodoende spint hij zijn web en laat de verrader erin lopen. Haydon natuurlijk. Als de onthulling plaatsvindt en Haydon wordt opgepakt is dat bijna een herhaling van de scène van Alfredsons verfilming: Haydon doet alsof zijn neus bloedt, Smiley is afgeleid. Later zegt Haydon hem dat hij zijn affaire met Ann aanknoopte omdat het Smiley zou afleiden, en dat als Smiley zou zeggen hem te verdenken, men zou denken dat Smiley dat alleen uit jaloezie zei.

De werkelijkheid is waarschijnlijk het omgekeerde: vanuit zijn gebroken wereldbeeld is Smiley altijd op het verraad voorbereid. Als enige kon hij het zich voorstellen. Hij, wiens begeerte naar zijn eigen vrouw nooit gedoofd is, heeft geen enkele illusies over trouw. En ondanks dat cynisme houdt hij van Ann, de voorbeeldige echtgenoot.