Van mercator sapiens tot homo economicus

Veel plezier voor weinig pijn

In de zeventiende eeuw werden spilzucht, ijdelheid en jaloezie opeens deugden omdat ze voor welvaart zorgden. Toch blijft tot verdriet van veel economen de homo economicus ook een moreel wezen.

Medium he

‘Pardon’, vraagt een meisje me. ‘Weet u waar het station is.’

‘Ja hoor’, zeg ik en wijs in de richting van het postkantoor. ‘O, en kun je onderweg nog even deze brief voor me op de post doen?’

‘Prima’, zegt het meisje, dat zodra ze de hoek om loopt de brief opent om te kijken of er iets van waarde in zit.

Hij werd ergens aan het eind van de negentiende eeuw geboren, die vreemde snuiter, de homo economicus. Berekenend, koelbloedig en egoïstisch. Een nieuwe school in de economie gaf voor het eerst een nauwe definitie aan het menselijk bestaan. Deze economische wetenschap, zo stelde William Stanley Jevons (1835-1882), een van haar grondleggers, ‘is gebaseerd op een rekensom van plezier en pijn; het doel van de economie is om geluk te maximaliseren door plezier te kopen, voor de laagst mogelijke hoeveelheid pijn’.

Economie werd een ‘sociale natuurkunde’. Zoals Philip Mirowski in zijn boek More Heat than Light (1989) laat zien was de ontdekking van de homo economicus niet zozeer een ontdekking als wel een toe-eigening van natuurkundige concepten – plezier was energie; het budget was potentiële energie en prijzen waren krachten.

Jevons schreef dat zijn wiskundige voorstelling van de wetten van het economisch verkeer ‘niet afwijkt van het algemene karakter van de natuurwetenschappen’. Zijn Franse tijdgenoot Léon Walras (1834-1910) was al even duidelijk. ‘De pure theorie van de economie (…) lijkt in alle aspecten op de fysisch-wiskundige wetenschappen’, stelde hij. De economie kon volgens Walras voorgesteld worden als een ‘spel van de blinde en onafwendbare natuurkrachten’ die losstaan van de menselijke wil.

Om een sociale natuurkunde te kunnen bouwen was het nodig om ethiek uit de economie te verbannen. Een pure wetenschappelijke economie had niks aan vaag ‘dagdromen’ over moraliteit. Zoals de Italiaanse econoom Vilfredo Pareto (1848-1923) het stelde: ‘Het incoherente gebazel over solidariteit toont dat de sociale wetenschappen zich nog niet bevrijd hebben van de dagdromen waar de natuurwetenschappen zich al lang van verlost hebben.’

De moderne homo economicus was moraalloos: een wandelende input-outputmachine die zoveel mogelijk contextloze eenheden plezier beoogde te verzamelen. Waar iemand zijn geluk vandaan haalt is om het even. Je kunt Dzjengis Khan zijn en je genot halen uit het platbranden van steden, of je bent een Martin Luther King en schept plezier in activisme voor de goede zaak.

Het belang van een wetenschappelijke discipline wordt vaak afgemeten aan hoeveel woorden dode Griekse filosofen aan het onderwerp gewijd hebben. Met dat als maatstaf is de economie zoals we die nu kennen onbeduidend. De verhandelingen over geld, handel en de klassieke economische vraagstukken zijn beperkt. Wanneer ze wel ter sprake komen, gaat het eigenlijk over ethiek, en niet over economie.

In de Ethica nicomachea maakt Aristoteles bijvoorbeeld een moreel onderscheid tussen twee soorten economische transacties: natuurlijke en onnatuurlijke. De natuurlijke transactie is er een waar iemand een product verkoopt om er vervolgens zelf ook weer een product mee te kopen. Neem de eenvoudige ambachtsman die zijn producten verkoopt om met de opbrengsten in de materiële behoeften van zijn eigen huishouden te voorzien.

De onnatuurlijke transactie is een transactie waarbij geld en niet de aankoop van een nieuw product het doel is. Neem de handelaar die spullen aanschaft om deze vervolgens met winst door te verkopen. Of de woekeraar die geld met rente uitleent om meer geld te verdienen. Hun motief is winst maken. Het gaat er bij hen niet om in noodzakelijkheden te voorzien. Binnen Aristoteles’ ethische systeem is dat kwalijk. ‘Rijkdom is duidelijk niet het goede wat we zoeken.’ Geld is uiteindelijk ‘een gebruiksgoed, een middel tot iets anders’ en niet een doel op zich.

Zulke ethische verhandelingen over de economie waren de norm in de Oudheid. Aristoteles kreeg bijval van de heilige schrift. ‘Wie rijk wil worden’, zo schrijft de apostel Paulus aan de jonge Timoteüs, ‘staat bloot aan verleiding, raakt in een valstrik en valt ten prooi aan dwaze en schadelijke begeerten die een mens in het verderf storten en ten onder doen gaan. Want de wortel van al het kwaad is de geldzucht.’

Zulke teksten gaven christelijke denkers aanleiding om oeverloos te discussiëren over de ethische dimensies van de commercie. Thomas van Aquino (1225-1274) kwam met een theorie van de ‘gerechtvaardigde prijs’. Enige winst voor de koopman was noodzakelijk, maar mocht de rechtvaardige orde niet verstoren. Een rechtvaardige prijs is een prijs die genoeg is om de kosten van productie te betalen, inclusief het geld benodigd om de producent en zijn familie te onderhouden. Maar niet meer dan dat. Hebzucht was en bleef een zonde.

Tot aan het eind van de Middeleeuwen had dit ethisch economische paradigma grote invloed. De Nederlandse historicus Johan Huizinga (1872-1945) schrijft in zijn Herfsttij der Middeleeuwen: ‘Het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft, in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en noodlottigste der zonden verdringt.’ Zoals een Nederlandse moraaldichter de tijdgeest samenvatte:

‘Waar de commercie wordt geïntroduceerd, vergezellen rechtschapenheid en punctualiteit haar’

Om dat men Rycke vlegels eert

Is ’t geldt by sotten meest begeert

Daarom ist Geldt zo hoogh in prys

’t maeckt schelmen vroom en buffels wys

De opkomst van het handelskapitalisme bracht nieuwe manieren om over de economie na te denken met zich mee. De koopman was tegen het eind van de zeventiende eeuw niet langer een boeman. Het kapitalisme geen eenduidig kwaad. De econoom Albert Hirschman beschrijft in zijn klassieker The Passions and the Interests (1977) hoe steeds meer economische denkers geloofden dat de commercie ‘de destructieve en desastreuze componenten in de menselijke natuur’ kon inkapselen. ‘Het is haast een wetmatigheid’, schreef bijvoorbeeld Charles de Montesquieu (1689-1755), ‘dat daar waar de mensen zachtaardig zijn er commercie bestaat; en daar waar commercie bestaat, de mensen zachtaardig zijn.’

Kooplieden zijn ‘door de meeste reedenen tot kennissen en deugden geprikkeld en van alle boosheden afgeschrikt’, meende ook de Nederlandse koopmansfilosoof Pieter de la Court (1618-1685). Adam Smith (1723-1790), de grondlegger van de economische wetenschap, onderschreef die these. ‘Waar de commercie wordt geïntroduceerd, vergezellen rechtschapenheid en punctualiteit haar.’ Als bewijs voerde hij aan dat de Nederlanders behalve het meest commerciële volk ook het meest trouw aan hun woord waren.

In de Nederlandse Republiek was er, niet geheel belangeloos, een sterk geloof in zo’n heilzame wisselwerking tussen de moraal en de koopmansgeest. De humanistische geleerde Caspar Barlaeus (1548-1648) gaf in 1632 een toespraak bij de opening van de Illustere School voor een publiek van schepenen, kooplieden, predikanten en andere prominenten. In de toespraak prees hij de stad Amsterdam, waar ‘het geoorloofd is dat de kooplieden filosoferen en de filosofen handel drijven’. Barlaeus pleitte voor een klasse van mercator sapiens, een klasse van wijze koopmannen. Geld verdienen was niet langer een zonde. ‘De wijsheid veracht de rijken niet maar staat positief tegenover hen, doch op één voorwaarde, namelijk, dat ze rijk zijn zonder iemand onrecht te doen.’ Mercator sapiens maakt dan ook ‘onderscheid tussen deugd en ondeugd, zoals hij onderscheid maakt tussen goede en slechte koopwaar’.

Barlaeus wijst de aanwezigen op de gevaren van de onverzadigbare geldlust. ‘Zij die bovenmatige rijkdommen najagen, verliezen ook dikwijls bovenmatig (…) Zo komen sommigen ten val door hun overdaad, anderen door hun eerzucht, en weer anderen door onberaden winstbejag, omdat de vermanende stem der wijsheid hun ontbreekt.’ Uiteindelijk, concludeert hij, ‘is niet degene die veel heeft rijk, maar die weinig begeert’.

De mercator sapiens is duidelijk een ander dier dan de homo economicus. De moraal moest ingebakken worden in zijn economische handelen. Er is, aldus Barlaeus, ‘geen verderfelijker mening het mensenleven binnengeslopen, dan die welke het eerlijke van het nuttige heeft gescheiden’. Om te vervolgen: ‘Vanwaar immers komen de contracten, die te kwader trouw zijn gesloten, de valse getuigen, de ongeoorloofde woeker, betalingen van schuld met geleend geld, de kunst om gouden munten te vervalsen, het komt alleen maar, omdat we bij het handeldrijven slechts letten op de voordelen, en dat we alles wat er gemeen, onrechtvaardig en vals in is, niet zien.’

De rijkdom, ‘de ontzagwekkende hoeveelheid koopwaar uit de vreemde’, ‘de uitgebreide havens’ en ‘de schoonheid der gebouwen’, moest aangevuld worden met de moraal en de wijsheid. Het was ‘hoognodig dat de stad, die de gehele wereld vervult met de roem van haar rijkdom, eindelijk ging denken aan middelen om onsterfelijke roem te vergaren’.

Gingen bij Barlaeus geld verdienen en een hoogstaande moraal moeiteloos met elkaar samen, in de daaropvolgende eeuwen groeide er een kloof tussen die twee. Een van de meest krachtige economische ideeën van de Verlichting was de ogenschijnlijke paradox dat ‘particuliere zondes’ tot ‘algemeen profijt’ konden leiden. In zijn beroemde politieke satire The Fable of the Bees beschreef de Anglo-Nederlandse filosoof Bernard Mandeville (1670-1733) hoe een kolonie van kwaadaardige bijen een welvarende bijenkorf kon onderhouden. Op eenzelfde manier zorgde de onmatige man die honderden nutteloze luxe-artikelen aanschafte er in al zijn spilzieke ijdelheid tevens voor dat tientallen mensen werk verkregen. Mandeville zette daarmee het morele stelsel op z’n kop: de spilzucht, ijdelheid en jaloezie werden opeens deugden:

Vast Numbers throng’d the fruitful Hive;

Yet those vast Numbers made ’em thrive;

Millions endeavouring to supply

Eigenbelang nastreven hoeft niet per se slecht te zijn, als het resultaat maar is dat de weelde toeneemt

Each other’s Lust and Vanity.

(…)

Thus, every Part was full of Vice,

Yet the whole Mass a Paradise

Nederland werd als voorbeeld gebruikt van een plek waar particuliere zondes tot publieke welvaart hadden geleid. ‘Als de Nederlanders dat willen’, schreef Mandeville, ‘mogen ze hun huidige grootsheid toeschrijven aan de deugd en zuinigheid van hun voorouders.’ Maar wat ons werkelijk rijk had gemaakt was de ‘wijze politiek om alles ondergeschikt te maken aan de handel’ en ‘de onbegrensde gewetensvrijheid‘ die de Nederlander genoot.

Mandeville’s doctrines werden slecht ontvangen. Hij leek te zeggen dat kwaadaardigheid aangemoedigd moest worden, en zo’n paradox was onverteerbaar. Het was Adam Smith die Mandeville’s heidense doctrines behapbaar maakte door een zachtere, minder paradoxale retoriek te gebruiken (Smith was overigens allerminst een bewonderaar van Mandeville). ‘Niet van de welwillendheid van de slager, brouwer of bakker verwachten wij ons eten, maar van hun weloverwogen eigenbelang’, stelde Smith in zijn beroemde frase.

De motivatie voor economisch winstbejag was niet langer de hebzucht, maar het veel kleurlozere eigenbelang (interest). In Smith’s Wealth of Nations verschijnt het woord avarice (hebzucht) nog maar zes keer en elke keer om specifieke wanpraktijken zoals diefstal of muntvervalsing te beschrijven. Het was deze de-moralisering van het economisch taalgebruik die door moderne economen in het extreme zou worden gebruikt om een homo economicus te verzinnen.

Smith’s doel was echter relatief onschuldig. Voor Aristoteles en de christelijke moralisten van weleer was een bepaalde handeling of drijfveer goed of slecht. Overmatige hebzucht was bijvoorbeeld per definitie slecht, ongeacht eventuele positieve economische effecten. Bij Mandeville en Smith daarentegen ging het niet langer om de handeling zelf, maar om het resultaat van de handeling. Eigenbelang nastreven hoeft niet per se slecht te zijn, als het resultaat maar is dat de weelde toeneemt.

Adam Smith was echter absoluut geen fan geweest van de homo economicus. Hij bekritiseerde juist ‘de neiging aanwezig in filosofen om alle verschijnselen uit zo weinig mogelijk principes te herleiden’. Zijn eigen versie van de economische man was zelfzuchtig, maar hij was ook sympathiek, redelijk, soms deugdelijk – en op andere momenten weer feilbaar en ondeugdelijk.

Een eendimensionale homo economicus was Smith een doorn in het oog geweest. In de openingszin van zijn boek The Theory of Moral Sentiments schrijft hij: ‘Hoe zelfzuchtig men ook moge denken dat de mens is, er zijn overduidelijk enkele principes in zijn natuur die hem zich doen bekommeren om het lot van anderen en hun welbehagen voor hem noodzakelijk maken, ook al brengt het hem niets anders dan het genoegen zulks te zien.’ Empathie, de mogelijkheid je in andermans situatie te verplaatsen, vormde de kern van zijn Theory of Moral Sentiments.

In menige passage in zijn economische werk geeft Smith dan ook blijk van een veel bredere visie op het menselijk welbehagen. Nadat hij in het eerste boek van The Wealth of Nations uit de doeken heeft gedaan hoe de weelde van een land kan toenemen door de specialisatie van werkzaamheden, stelt hij daar verderop in het beroemde werk de sociale gevolgen van zo’n steeds efficiëntere arbeidsverdeling tegenover. ‘De man wiens hele leven bestaat uit het uitvoeren van enkele simpele taken (…) heeft geen reden zijn kennis in te zetten of zijn ingenuïteit te gebruiken bij het oplossen van problemen die hij nooit heeft. Hij (…) wordt zo dom en onwetend als een mens kan zijn.’

De economie wil graag een waardenvrije wetenschap zijn. Maar de homo economicus kan onmogelijk waardenvrij zijn. Elke economische theorie heeft een theorie van waarde. Maar moderne economen hebben een theorie van waarde zonder waarden.

‘Zoveel mogelijk geluk voor zo weinig mogelijk pijn’, dat vereist een definitie van ‘geluk’. Maar geluk is een ongrijpbaar concept. Niemand weet hoe het te meten is. Economen meten het door simpelweg te kijken naar wat mensen doen, om er vervolgens maar vanuit te gaan dat ze hun geluk aan het maximaliseren zijn. Economisch-efficiënt is in die definitie eigenlijk datgene wat mensen zelf willen – en daar dan zo veel mogelijk van.

Maar is wat mensen zelf willen altijd moreel? De klassieke denkers in de economie zijn juist constant bezig met vragen als: hoe horen we ons te gedragen? Wat is van waarde en wat niet? Verandert onze omgeving – de commercie, de werkplaats – ons karakter ten goede of ten slechte? De veronderstelling dat de homo economicus bergen geluk – wat dat ook moge zijn – poogt te verzamelen is geen waardenvrije veronderstelling. Zoals Barlaeus in de zestiende eeuw al stelde: er is ‘geen verderfelijker mening het mensenleven binnengeslopen, dan die welke het eerlijke van het nuttige heeft gescheiden’.

Inmiddels is de kritiek op de homo economicus wijdverbreid. Nieuwe takken van economische sport als de gedragseconomie proberen met behulp van inzichten uit de psychologie een meer realistische homo economicus te bouwen. Economen als de onlangs overleden Nobelprijswinnaar Gary Becker, die er zijn beroep van maakte om alles, van drugsverslaving tot het huwelijk, van zelfmoord tot ouderschap, te verklaren vanuit economische logica, staan in andere sociale wetenschappen niet erg hoog meer aangeschreven.

De kritiek mist echter vaak een belangrijk punt. Het probleem is niet alleen dat de homo economicus onrealistisch is. Het probleem is en blijft de deterministische veronderstelling dat menselijk handelen bepaald wordt door wetmatigheden. De homo economicus mist de essentie van het mens-zijn: de vrije wil. Zijn waarden zijn niet een gegeven. Hij is geen berekenende gelukszoeker die vanuit zijn vaststaande voorkeuren als een machine reageert op zijn omgeving. De mens is een moreel wezen dat zich wil en kan verbeteren. Een wezen dat in staat is zichzelf en de wereld om hem heen te veranderen.

Als de economie relevant wil zijn, dan moet de wetenschap een expliciete ethische basis hebben, zoals eerdere economische denkers die hadden.