Het slavernijdebat in Amerika

Veertig are en een ezel

In Amerika groeit de roep om herstelbetalingen voor de slavernij. Wint de morele opdracht het van praktische bezwaren?

Herdenkingsdienst van de aankomst van de eerste Afrikaanse slaven in Noord-Amerika 400 jaar geleden in 1619, Hampton, Virginia, 24 augustus © Zach Gibson / Getty Images

Dat Oluale Kossala in 1860 een geketende voet aan land zette in de klamme delta van Alabama was het resultaat van een grimmige weddenschap. In 1807 had het Congres in Washington een wet aangenomen die verbood slaven naar Amerika te halen. Het was, in de woorden van de vooraanstaande Amerikaanse historicus Eric Foner, een moment waarop Amerika ‘in ieder geval één aspect van de slavernij bestempelde als immoreel en illegitiem’.

Timothy Meaher, een telg uit een ondernemersfamilie in Mobile, een havenstad in het zuidoosten van Alabama, was er destijds van overtuigd dat hij zich kon onttrekken aan de nieuwe juridische en morele orde die ontstond in de VS (en, een jaar na Kossala’s aankomst, aanleiding gaf tot de burgeroorlog). Met een bevriende zakenman wedde Meaher om duizend dollar dat hij binnen twee jaar ‘een scheepslading negers zou binnenhalen in de baai van Mobile, onder de neus van de autoriteiten’.

Een schoener uit Meahers vloot, de Clotilda, bracht inderdaad meer dan honderd gevangenen aan land, die gekocht waren op een slavenmarkt in wat tegenwoordig Benin is. Het was het laatste slaventransport naar Amerika dat bekend is geworden, ondanks Meahers poging zijn smokkelpraktijk te verhullen. Na aankomst liet hij de Clotilda in brand steken en afzinken in de modderige baai van Mobile.

Het verhaal van de Clotilda wordt me verteld door Eric Finley tijdens een bezoek aan Mobile. Finley, van Creoolse afkomst en een onvermoeibare prater, leidt mensen in een busje langs de Mobile’s African American Heritage Trail, dat de verborgen geografie van de stad blootlegt: de barakken en het veilinghuis waar slaven werden verhandeld, de straat waar in de jaren zestig de burgerrechtenbeweging doorheen trok, de plek waar in 1981 een van de laatste lynchpartijen van de VS plaatsvond. Het is onmogelijk een blik te werpen over de straten van Mobile zonder iets te zien dat op geen enkele manier is terug te leiden naar de 250 jaar waarin Amerika rijk werd dankzij gratis arbeid.

Terwijl we de stadsgrenzen van Mobile achter ons laten vertelt Finley hoe in 1860 de illegale menselijke vracht van de Clotilda onderdeel werd van de Amerikaanse slavernij-economie die nog wel juridisch gesanctioneerd was: zwarte personen bezitten en verhandelen. Slaven zelf waren behalve arbeidskracht ook een kapitaalgoed en vormden de basis voor een afgeleide economie van verzekeringen, leningen en obligaties. Op het hoogtepunt van de slaafgedreven economie vertegenwoordigden slaven een waarde die groter was dan alle Amerikaanse fabrieken en spoorwegen bij elkaar opgeteld. Ouale Kossala werd gekocht door Timothy Meahers broer die moeite had een Afrikaanse naam uit te spreken. Oluale Kossala werd Cudjoe Lewis.

Een deel van de slaven die op de Clotilda naar Amerika waren vervoerd woonde ten noorden van Mobile, in een stuk moerasland vlak bij de scheepswerf en papierfabriek van de familie Meaher. In 1865, na het einde van de Amerikaanse burgeroorlog en de formele afschaffing van de slavernij, stichtten ze op die plek een gemeenschap die ze Africatown noemden. De hoop van Africatown was teruggaan naar het continent van herkomst, maar niemand slaagde erin de middelen voor de omgekeerde reis bij elkaar te krijgen. Wie stierf in Africatown werd daar begraven.

De begraafplaats van Africatown is nu een met gras overwoekerd stukje land langs een drukke autoweg die uitkomt op een brug waarvan de pilaren en kabels doen denken aan een tweemaster. Volgens Eric Finley is het een verwijzing naar de Clotilda. Langs de weg staat een geluidswal waar een afbeelding van het schip als mozaïek is ingelegd. ‘Kijk goed naar de richting waarin de grafstenen staan’, zegt hij. ‘Je kunt precies zien wanneer de hoop op terugkeer werd verruild voor acceptatie dat de bewoners van Africatown bij Amerika hoorden.’ Inderdaad blijken de zerken tot 1935, het jaar waarin Cudjoe Lewis overleed, oostwaarts te kijken, de oceaan over. Alles wat daarna kwam, staat landinwaarts gekeerd.

Tegenover de begraafplaats, in zijn kantoor in de Union Baptist Church, een bruin bakstenen gebouw met een grote betonnen parkeerplaats, spreek ik pastor Derek Tucker, een lange man met gedragen stem en vorsende blik. Hij vertelt over de crackepidemie die zijn gemeenschap in de jaren tachtig in de greep had. En over hoe begin jaren tweeduizend in de grond een hoge concentratie chemische stoffen werd ontdekt, afval van de papierfabriek die in 1997 dichtging en zowel werkloosheid als vervuiling achterliet. Een rechtszaak over de lozingen loopt nog, maar volgens Tucker is dat de verklaring voor het hoge aantal kankergevallen in Africatown. ‘Africatown is stervende’, zegt hij. ‘De meeste bewoners hier zijn oud. Jonge mensen trekken weg.’ Van de twaalfduizend inwoners die Africatown ooit had zijn er nog tweeduizend over. Het doorsnee inkomen ligt er rond de zeventienduizend dollar, ten opzichte van veertigduizend in Mobile als geheel en zestigduizend voor de gehele VS.

Een rit door de straten van Africatown, vernoemd naar Lincoln en naar Jonathan Edwards, een achttiende-eeuwse predikant die antislavernijpamfletten schreef, bevestigt wat pastor Tucker vertelde. Veel van de houten bungalows met hun brede veranda’s zijn een tafereel van afbladderende verf en rottend hout. Ik zie diverse borden waarop een gedwongen verkoop wordt aangekondigd. Veel commercieel vastgoed rond Africatown staat ook leeg. Op de bordjes met ‘Te huur aangeboden’ prijkt dezelfde naam als van de eigenaar van de Clotilda: Meaher.

‘De Meahers zijn nog steeds een prominente familie hier’, zegt Eric Finley. ‘Ze zijn de eigenaar van allerlei gebouwen in deze omgeving.’ Over de Clotilda hebben ze zich nooit in het openbaar uitgelaten, vertelt hij. ‘Ze zijn rijk geworden dankzij de slavernij, en ze zijn angstig dat ze aansprakelijk worden gesteld en compensatie moeten betalen.’

Cudjoe Lewis in Africatown. Hij werd vanuit Benin als slaaf illegaal naar Amerika afgevoerd op het schip Clotilda, Alabama, circa 1925 © Erik Overbey Collection, Doy Leale McCall Rare Book and Manuscript Library, University of South Alabama

De tastbare verbintenissen met de slavernijgeschiedenis, gecombineerd met armoede en achterstand in het heden, maken Africatown tot een canvas om een vraag op te projecteren die steeds vaker gesteld wordt in de VS: moet de federale overheid de Afro-Amerikaanse bevolking schadeloos stellen, als compensatie voor de gestolen vrijheid van hun voorouders, voor de langdurige discriminatie en achterstelling na de afschaffing van de slavernij en voor de overgeërfde armoede die uit alle statistieken blijkt?

Die vraag is niet nieuw. In 1810, kort nadat internationale slavenhandel verboden werd, reflecteerde Timothy Dwight, president van Yale University, op het vraagstuk en concludeerde dat aangezien de VS winst hadden gemaakt dankzij slavernij enkel afschaffing niet genoeg was. ‘Vrijheid verschaffen, en het daarbij laten, betekent ze opzadelen met een vloek’, schreef Dwight.

In 1890 stuurde de pamflettist en activist Frederick Douglass een brief naar het Congres waarin hij zijn verontwaardiging uitsprak over het uitblijven van compensatie. Hij deed een beroep op de geschiedenis: ‘De Egyptische lijfeigenen gingen op pad met de buit van hun meester en de Russische horige kreeg landbouwwerktuigen en drie hectare grond om aan het leven te beginnen, maar de neger kreeg geen buit, werktuigen of land, en vandaag is hij praktisch een slaaf op dezelfde plantage waar hij vroeger werd gedreven om te zwoegen onder de zweep.’

‘Een meerderheid van de millennials in Amerika is voor herstelbetalingen. Dat geeft hoop’

In de decennia tussen Dwights reflectie en Douglass’ constatering van onrecht hadden de Verenigde Staten hun burgeroorlog gevochten, de slavernij afgeschaft en was de poort richting herstelbetalingen opengegaan en weer gesloten. Nadat Lincoln het veertiende amendement doorvoerde dat alle burgers gelijke rechten gaf, nam het Congres twee wetten aan die iedere in vrijheid gestelde slaaf veertig are land toezegde (later kwam daar nog een ezel bij). ‘Dit is de oorspronkelijke belofte die nooit is nagekomen’, zegt William A. Darity, econoom en hoogleraar aan Duke University in een telefonisch interview. ‘Het is de basis waarop wij die afstammen van slaven compensatie kunnen eisen.’

Het plan om vrijgemaakte slaven schadeloos te stellen liep stuk op een veto van Andrew Johnson, Lincolns vicepresident, die na diens moord het Witte Huis betrok. Impeachment maakte een einde aan Johnsons presidentschap, maar voor de vier miljoen zwarte Amerikanen verdween de kans op compensatie daarmee net zo snel als die zich had voorgedaan. Het toekennen van land bleef beperkt tot vierhonderdduizend are, 0,2 procent van het land in de zuidelijke staten. Een fractie van de Afro-Amerikaanse bevolking verzekerde zich van een veiliger economische toekomst als zakenman of in een van de vrije beroepen. Voor een veel groter deel maakte slavernij plaats voor sharecropping: land dat in eigendom was van een ander bewerken in ruil voor een deel van de opbrengst. Die zogenoemde Reconstructie mislukte, waarmee de basis werd gelegd voor wat Darity de ‘raciale welvaartskloof’ noemt: in het Amerika van nu hebben witte huishoudens een vermogen dat gemiddeld twintig keer zo groot is als dat van Afro-Amerikaanse.

H et is niet zo dat de VS het idee van schadeloosstelling categorisch afwijzen. Ronald Reagan betaalde in 1988 twintigduizend dollar compensatie aan Japanse Amerikanen die in de Tweede Wereldoorlog in detentiekampen zaten. In 1995 betaalde Florida twee miljoen dollar compensatiegeld aan zwarte bewoners van Rosewood, een stadje waar in 1923 rassenrellen plaatsvonden. In alle gevallen ging het geld direct naar individuen die schade hadden geleden. Nu de roep om herstelbetalingen groeit, moeten de VS de vraag beantwoorden of recht op compensatie overerfbaar is of dat het vervliegt met de tijd.

Verschillende Amerikaanse universiteiten hebben deze vraag al beantwoord. In oktober richtte het Virginia Theological Seminary een fonds op van 1,7 miljoen dollar om uit te keren aan de nazaten van de slaven die werkten op de campus. Princeton volgde met een fonds van 27 miljoen voor beurzen om te compenseren voor slavernij. Georgetown University in Washington D.C. deed onlangs een toezegging om jaarlijks vierhonderdduizend dollar op te halen voor wie afstamt van de 272 slaven die de universiteit in 1838 had verkocht. Studenten stemden voor een verhoging van hun collegegeld om de compensatiegelden bijeen te brengen.

Maar de hoofdvraag blijft wat het Congres, als vertegenwoordiger van het Amerikaanse volk, besluit. De afgelopen decennia kwam het pleit voor landelijke herstelbetalingen vooral van een kleine groep activisten. De National Coalition of Blacks for Reparations in America voert sinds eind jaren tachtig actie voor financiële genoegdoening, die ze schatten op 205.000 dollar per Afro-Amerikaan. In 2015 publiceerde The Atlantic een baanbrekend essay van schrijver Ta-Nehesi Coates dat een nieuwe ronde inluidde van het debat over herstelbetalingen. Coates’ pleidooi voor compensatie werd deels gedreven uit frustratie over de constatering dat de raciale welvaartskloof niet vanzelf wordt gedicht. Het verschil in inkomen tussen zwart en wit is hetzelfde gebleven sinds 1970, schreef hij. Coates legde ook een collectieve hypocrisie bloot: van Washington tot Obama, Amerika laaft zich graag aan de geschiedenis als bron van trots. Het verleden wel opvoeren in positieve zin, maar tegelijk verantwoordelijkheid voor de duistere kanten ontlopen is ‘patriottisme à la carte’, aldus Coates.

Afgelopen voorjaar herhaalde Coates zijn pleidooi op Capitol Hill, tijdens een discussie over H.R.40, een wet die een commissie in het leven zou roepen die de mogelijkheden van herstelbetalingen gaat onderzoeken. De geschiedenis van dit wetsvoorstel laat zien hoe moeizaam dit debat voortkruipt: H.R.40, een verwijzing naar de veertig are die Lincoln in het vooruitzicht stelde, is voor het Amerikaanse Congres wat de oproep om Carthago te verwoesten was voor de Romeinse senaat. Sinds 1987 heeft Congreslid John Conyers het voorstel elk jaar ingediend aan het begin van het politieke seizoen. Elk jaar is het afgewezen.

Wat er verder met H.R.40 gebeurt maakt Conyers zelf niet meer mee. Hij overleed op 27 oktober op tachtigjarige leeftijd. Wel heeft de wet zich genesteld in de Democratische presidentscampagne. Elizabeth Warren is voorstander van financiële compensatie voor slavernij door de federale overheid. Ze is medeondertekenaar van een senaatsequivalent van H.R.40, ingediend door Cory Booker, de senator uit New Jersey die ook in de race is voor het presidentskandidaatschap. Bernie Sanders’ handtekening staat ook onder het plan, maar in debatten heeft hij zich aarzelend uitgelaten. ‘Onze taak is om de crises waar het Amerikaanse volk mee te maken heeft aan te pakken, en ik denk dat er betere manieren zijn om dat te doen dan gewoon een cheque uit te schrijven’, zei Sanders eerder dit jaar in het interviewprogramma The View.

Daarmee loopt Sanders in de pas met de Amerikaanse consensus. Uit een peiling van Gallup bleek dat 67 procent van de Amerikanen vindt dat de federale overheid geen compensatiegelden ter beschikking moet stellen. Maar deel deze respondenten op in aparte categorieën en andere verdeeldheden tekenen zich af: 16 procent van de witte Amerikanen is voorstander van geldelijke genoegdoening, tegenover 73 procent van de Afro-Amerikanen. William Darity leest de statistieken met een oog op de toekomst. ‘Een meerderheid van de millennials is voor herstelbetalingen. Dat geeft hoop’, zegt hij.

De vraag of zwart Amerika recht heeft op financiële compensatie leidt onvermijdelijk tot een vlechtwerk aan vragen. Het vergt doorrekeningen over het aandeel van de slaafgedreven economie niet alleen op de momenten dat plantages werden bewerkt, maar ook in Amerika’s langdurige welvaart. Het vergt een geschiedkundig oordeel over de vraag wanneer de slavernij precies begon om vervolgens te kunnen vaststellen hoe de erfelijke lijnen zich vertakken in de huidige bevolking. En het leidt onvermijdelijk tot in- en uitsluiting. Wordt alleen de Afrikaanse slavernij als basis genomen, of ook de Caribische?

Dit soort heikele kwesties zijn voor sommigen reden om te bepleiten dat de omgang met onrecht beperkt moet blijven tot erkenning en excuses, zoals die de afgelopen jaren zijn gemaakt door verschillende zuidelijke staten. In een artikel dat onlangs verscheen in Politico Magazine tekende Stuart E. Eizenstat bezwaar aan tegen herstelbetalingen. Eizenstat vorderde als advocaat miljoenen terug voor slachtoffers van het naziregime en adviseerde Bill Clinton en Barack Obama over de omgang met de geschiedenis van de holocaust. Hoewel hij vindt dat de verschrikkingen van de slavernij niet groter of kleiner zijn dan die van jodenvervolging, ziet hij geen heil in herstelbetalingen. ‘Pogingen om de afstammelingen van slaven te betalen kan meer problemen veroorzaken dan oplossen’, schreef Eizenstat, die meer verwacht van een verzoeningscommissie dan van financiële compensatie.

Het contraperspectief komt van iemand als Thomas Craemer, professor van de University of Connecticut, die voor herstelbetalingen pleit. ‘Praktische bezwaren worden vaak aangevoerd om morele kwesties uit de weg te gaan’, stelt hij in een gesprek. Craemer zegt dat je vragen moet omdraaien: duw de conclusie dat compensatie gerechtvaardigd is niet weg vanwege praktische bezwaren, maar omarm eerst de morele noodzaak om vervolgens de hoe-vraag te beantwoorden.

In een artikel dat in 2015 verscheen in Social Science Quarterly bood Craemer een bandbreedte aan waarbinnen de VS aan herstelbetalingen zouden kunnen doen. Zijn methodologie is gebaseerd op inschattingen van hoeveel uren de tot slaaf gemaakte bevolking werkte in Amerika vanaf het moment dat het land officieel werd gevestigd in 1776, tot aan de afschaffing van de slavernij in 1865. Het aantal uren vermenigvuldigde hij met het gemiddelde loon in die periode en daar telde hij jaarlijks drie procent rente bij vanwege inflatie. Bepalen wie dat geld krijgt, kan volgens hem op basis van census-data over wie als Afro-Amerikaan geregistreerd staat.

Het bedrag waar Craemer op uitkomt, tussen 5900 miljard en 14.200 miljard, is wat mensen zoals Eizenstat doet terugdeinzen. De bovengrens van Craemer gaat richting drie keer de jaarlijkse uitgaven van de Amerikaanse overheid. ‘Wie gaat dit betalen?’ schrijft Eizenstat. ‘Alle Amerikaanse belastingbetalers zouden dan de last van herstelbetalingen op zich moeten nemen, pervers genoeg ook de beoogde begunstigden ervan.’

Wie de blik breder werpt dan enkel op de VS vindt historische tegenargumenten voor elk bezwaar. In 1833, toen de Britten de slavernij afschaften, werd besloten om eigenaren van de tot slaaf gemaakten schadeloos te stellen. De twintig miljoen pond die Westminster daarvoor uittrok bedroeg veertig procent van de jaarlijkse overheidsuitgaven. Groot-Brittannië leende hiervoor geld op de kapitaalmarkt en betaalde de laatste aflossing af in 2015. Dit voorbeeld laat zien dat langdurige financiële verplichtingen kunnen worden uitgesmeerd over vele jaren – en dat vergoedingen voor wie van slavernij profiteerde tegen een stuk minder bezwaren aanliepen.

‘Het hout en de spijkers van de teruggevonden Clotilda zijn het bewijs dat we niets verzonnen hebben’

Net zo min is het zeker of er gewacht moet worden tot een meerderheid van de bevolking zich achter de overtuiging schaart dat financiële genoegdoening gerechtvaardigd is. Toen Konrad Adenauer in de jaren vijftig besloot dat Duitsland ook in geldelijke zin verantwoordelijkheid moest nemen voor de jodenvervolging, was het grootste deel van de West-Duitsers tegen.

In Learning from the Germans: Race and the Memory of Evil staat filosoof Susan Neiman uitgebreid stil bij de parallellen tussen de Duitse herstelbetalingen voor de holocaust en de Amerikaanse voor de slavernij. Haar doel is niet om aan leedvergelijkingen te doen of om de verschillende donkere passages uit de geschiedenis van hun historische specificiteit te beroven, maar om door vergelijking tussen die twee episodes de vraag te beantwoorden waarom Amerika de herstelkwestie tot nu toe op armlengte afstand heeft gehouden.

Neimans boek laat zien dat herstelkwesties niet te reduceren zijn tot louter financiële vraagstukken (wie moet hoeveel krijgen?) of kunnen worden gezien als enkel morele puzzels (draagt een natie verantwoordelijkheid of zelfs schuld voor misdaden uit het verleden?) waar het juiste handelen logisch uit volgt. Een belangrijke verklaring waarom Duitsland beter in staat is gebleken om het verleden in de ogen te kijken dan de VS is dat Duitsland de blik heen en weer laat gaan tussen wat er in het verleden gebeurd is en nu. Zoals Neiman aantoont is dat werk in uitvoering, waar een krachtige Duitse tongbreker voor bestaat: Vergangenheitsaufarbeitung, die zich laat vertalen als ‘door het verleden heen werken’.

Neiman beschrijft het als een collectief proces, dat zich afspeelt in de wereld van kennis en ideeën, zoals schoolcurricula en universitaire onderzoeksprogramma’s. Om de tastbare wereld van monumenten, gebouwen en landschap. Om het economische domein waarin de historische koppeling tussen roof en winst moet worden gelegd en waarin, uiteindelijk, wordt uitgedokterd welke vorm van financiële compensatie geëigend is. De Duitse Vergangenheitsaufarbeitung kwam pas wezenlijk op gang in de jaren zestig en is nog altijd bezig.

Amerika, het land dat de blik bij voorkeur op de volgende horizon werpt, is pas recent begonnen aan een serieuze poging om het moeras van het verleden door te waden. En omdat daar lang mee is gewacht is de weg misschien ook langer. Om bij de slavernij uit te komen moet Amerika eerst door een recente golf van politiegeweld heen werken, door het disproportionele aandeel van de Afro-Amerikaanse bevolking in de gevangenispopulatie, door de ‘equal but separate’-doctrine, door lynchpartijen, door de Jim Crow-wetten, door de mislukte Reconstructie.

Maar dat de Amerikaanse Vergangenheitsaufarbeitung op stoom begint te komen is helder. In 2016 opende pal achter het Witte Huis het Museum of African American History and Culture de deuren, en wie in de weekenden of zomermaanden naar binnen wil moet ruim van tevoren zijn toegangsbewijs reserveren. In Montgomery, Alabama, destijds de hoofdstad van de geconfedereerde staten, is een monument ingericht dat past in de hedendaagse herinneringscultuur: imposant, manifest, immersive. Bezoekers lopen langs tientallen roestige stalen blokken waarop de plaats en de namen van slachtoffers staan vermeld van alle lynchpartijen die zijn gedocumenteerd.

Ook de historiografie is in beweging, zoals blijkt uit de recente boeken die de slavernij en zwarte onderdrukking verweven met de integrale geschiedschrijving van de VS, en niet benaderen als apart hoofdstuk. Een voorbeeld daarvan is These Truths van Harvard-historicus Jill Lepore, die in haar boek met een enkele anekdote afrekent met een van de overtuigingen die compensatie voor het slavernijverleden tegenhouden: dat de Amerikaanse burgeroorlog werd gevochten om iets anders dan het behoud van slavernij. Ze citeert een brief, geschreven door een soldaat uit het geconfedereerde leger voor zijn regimentskrant: ‘Iedereen die doet alsof dit geen oorlog is voor de emancipatie van de zwarten is gek of liegt.’ Ook Susan Neiman zet in Learning from the Germans deze hoofdvraag van de Amerikaanse Vergangenheitsaufarbeitung in helder perspectief. In antwoord op de verzachtende poging om de afscheiding van het zuiden te verklaren vanuit ‘rechten van staten’ stelt Neiman de vraag: ‘Het recht om wat te doen, precies?’

Thelma Maiben-Owens bij een familiegraf op de begraafplaats van Africatown, Alabama, 24 mei © Emily kask / NYT / HH

In Africatown kreeg de verwerking van het slavernijverleden voor het eerst monumentaal gestalte in 1959. Toen werd bij de Union Baptist Church een borstbeeld neergezet van Cudjoe Lewis, Africatowns ‘founding father’. Lewis en de andere oprichter van deze kerk staan vermeld op een gietijzeren bord met hun Amerikaanse naam, hun Afrikaanse naam en hun geboorteplaats aan de Afrikaanse westkust.

Toen Africatown in 1865 hoorde van de emancipatie en de veertig are, besloten de bewoners te vragen om eigen grondgebied. Cudjoe Lewis werd aangewezen als vertegenwoordiger. In Dreams of Africa in Alabama beschrijft de historicus Sylviane. A. Diouf hoe Lewis Timothy Meaher aansprak op zijn verantwoordelijkheid voor het naar de VS halen van mensen. Meaher zou woedend hebben gereageerd, maar bood de overlevenden van de Clotilda gelegenheid om een nederzetting te stichten in ruil voor betaling in natura. Africatown werd een gratis bron van gewassen en goederen voor de Meahers, en uiteindelijk een permanent thuis voor de opvarenden van de Clotilda en hun nakomelingen.

Lewis’ levensverhaal werd in 1928 vastgelegd door de antropoloog en Pulitzer Prize-winnaar Zora Neale Hurston, die in hem de laatste overlevende van het laatste slaventransport dacht te hebben gevonden (later bleek er nog een oudere te zijn, Redoshi, later Sally Smith, die werkte op een plantage in Dallas County, Alabama). Neale Hurstons boek, Barracoon: The Story of the LastBlack Cargo’, heeft zijn eigen bijzondere geschiedenis. Het haalde nooit de boekhandel, deels vanwege het geringe animo bij uitgevers om een illegaal slaventransport in de kijker te zetten, deels vanwege Neale Hurstons keuze om Lewis’ verhaal fonetisch op te tekenen. Hurston wilde Lewis in zijn eigen woorden laten spreken, de uitgevers wilden gepolijst Engels. Neale Hurston stierf berooid in 1960. In 2018 verscheen Barracoon alsnog, nadat het manuscript was ontdekt in de archieven van Howard University in Washington D.C.

De plotselinge vondst van Neale Hurstons manuscript is een bewijs dat een wonder zelden alleen komt. Dit voorjaar werden de restanten van de Clotilda teruggevonden op de bodem van de Mobile River. De zoektocht naar het wrak werd opgevoerd nadat een amateur-archeoloog vorig jaar een ander schip ontdekte, waarvan hij dacht dat het Meahers slavenschoener was. De Alabama Historical Commission, verantwoordelijk voor het erfgoed in de staat, begon vervolgens met het gericht uitkammen van de Mobile River, geholpen door National Geographic. In mei, tijdens een persconferentie in het buurthuis van Africatown, stelde de commissie officieel vast dat de Clotilda terecht was.

Ik ontmoet Lorna Gail Woods, wier over-overgrootvader met de Clotilda naar Alabama was gebracht. ‘Onze geschiedenis is uit modder omhoog gerezen, om te worden gezien door de hele wereld’, zegt ze. Gail Woods groeide op in Africatown en verhuisde als twintiger naar Detroit. Eind jaren zestig keerde ze terug naar Mobile. ‘Iedereen hier kende het verhaal van de Clotilda. We wisten dat de restanten van het schip ergens onder water moesten liggen. Nu zijn het hout en de spijkers het bewijs dat we niets verzonnen hebben.’

Gail Woods vertelt haar verhaal aan een tafeltje in het buurthuis van Africatown. Ze gaat gekleed in een zwarte jurk. Na ons gesprek moet ze door naar een begrafenisdienst in de Union Baptist Church. Gail Woods is 71 en heeft, zoals ze het noemt, een ‘late carrière als curator’. In het buurthuis heeft ze een privémuseum ingericht dat de Afro-Amerikaanse geschiedenis vertelt en waar schoolklassen uit de omgeving worden rondgeleid. Het bevat onder andere houten beelden uit Afrika, de quilts die moeders in Africatown maakten voor hun kinderen en een ingelijst omslag van Time Magazine van toen Obama de presidentsverkiezingen won. Gail Woods laat een krantenknipsel zien over Cudjoe Lewis, die ze ‘Oom Cudjoe’ noemt. Het komt uit 1935, uit een lokale krant: ‘Famous Ex-Slave Dies with Ambitions Unfulfilled’.

Een belangrijk museumstuk ligt in haar auto. Ze neemt het elke keer mee naar huis, uit vrees dat het gestolen wordt. Ik volg haar naar de parkeerplaats, waar ze haar gemakkelijke schoenen omwisselt voor een paar met hakken van zwart lakleer. Uit de achterbak haalt ze een paar metalen voetklemmen tevoorschijn, die ze ooit kocht op een veiling. ‘Met dit soort ijzers werden mijn voorvaderen hier aan land gebracht’, zegt ze.

Ik vraag Gail Woods of ze vindt dat de bewoners van Africatown geld uit Washington moeten krijgen. ‘Ik denk hier al jaren over na’, zegt ze. ‘Het zou zeker mooi zijn. Veertig are en een ezel, maar ik heb nog niemand gezien die iets gekregen heeft. Maar hoeveel jaren gaat het duren voordat ze iedereen met voorouders die op de schepen zaten gevonden hebben?’

Waar Gail Woods hoe dan ook op hoopt is geld om de restanten van de Clotilda te bergen en tentoon te stellen. ‘Dan kan iedereen komen zien wat hier in Africatown, Alabama, USA, heeft plaatsgevonden.’ Mochten de budgetten ruim genoeg blijken, dan weet ze nog een andere bestemming waar geld naartoe kan: vitrines voor haar museum, zodat ieder museumstuk daar veilig kan worden achtergelaten.