Het Gergjev Festival in drie perspectieven

Veertig procent jong belegen

Afgelopen week werd het achtste Gergjev Festival van het Rotterdams Philharmonisch Orkest (RPhO) en zijn chef-dirigent Valeri Gergjev afgesloten met een gezamenlijk slotconcert door het RPhO en het orkest van Gergjevs Kirov Opera. Over jong publiek, de Complete Concertervaring en het festivalthema, de Russische componist Sergei Prokofjev. Eén terugblik, drie perspectieven.

PUBLIEK

Gelezen in een persbericht: het Rotterdam Philharmonic Gergjev Festival, dat afgelopen weekeinde in de Rotterdamse Doelen werd afgesloten, trekt vooral «veel jonge mensen». Wat zijn jonge mensen? De groepen tussen de 25 en 39, dertig procent van de kaartverkoop, en onder de 25, tien procent. Veertig procent jong volk, tot bijna veertig. Ik was dus jong publiek. Het had iets komisch, maar ik begreep het wel. De overheid is blij als jonge mensen naar concerten gaan. Daar speelt zo’n kunstclub sluw op in, wat iedereen zou doen die liever zondig overleeft dan zuiver sterft.

«Klassieke muziek is trendy en hip», schreef de festivalreclamemaker al. Eerst zien. We betreden als publiek De Doelen voor het recital van de pianist die samen met wat vakbroeders is uitgenodigd voor een hardhandige verkenning van Prokofjevs oeuvre voor piano. Zojuist een film gezien, ook over Prokofjev. Prokofjev is het thema van dit festival; de film één van de vele documents humains waarin de vraag wordt opgeworpen hoe het kwam dat deze componist in 1936 terugging naar de Sovjet-Unie, bijna twintig jaar na zijn vertrek uit het verscheurde Rusland van de revolutie. Niet voor niets noemt zich dit festival De Verloren Zoon.

De Verloren Zoon vertilde zich nogal aan de gevolgen van zijn terugkeer. Elf jaar na zijn repatriëring, in 1948, werd hij net als Sjostakovitsj in een cultuurmoord zonder weerga door de staat beticht van formalisme, waarmee bedoeld werd dat zijn kunst te moeilijk was voor gewone mensen. Sergei, vadertje, waarom die schoften tegemoet gelopen? Vaderlandsliefde? Een vlucht voor de verloren strijd tegen Strawinsky, die in het Westen zo furore maakte dat er voor een tweede Rus geen lol meer aan was? Was toch bij ons gebleven! Voor een bekwame smid is markt genoeg!

Het zijn overpeinzingen die harmoniëren met de sombere realiteit van de Jurriaansezaal. Geen rapper, skater of andere emancipatiebehoeftige ontspoorde te bekennen. Het is bijna vijf uur; een meerderheid van veertigplussers stroomt de zaal in. Na een kleine eeuwigheid van wachten duiken eindelijk de eerste twee jongeren op. Die zullen bij de uitgang straks wel een medaille van verdienste krijgen. Jong.

’s Avonds in de Grote Zaal hoor ik achter me twee andere jongeren muziek bespreken. Ze weten waar ze over praten. Vaklui. Vast van het conservatorium om de hoek. Verder weer veel middelbare stellen en de sfeer die we van vijftig jaar geleden zouden kennen als we toen hadden geleefd. Nieuw publiek? Wie zijn hier jong? Die paar muziekstudenten en muziekverslaafde intellectuelen, de young executives die met het blote oog niet van hun ouders zijn te onderscheiden. Samen vormen wij en zij de nieuwste generatie oud publiek.

Meer jongeren en allochtonen. Wat daar niet voor gevochten is door de beleidsmakers. Wat om dat vechten niet gelachen is door mensen die het beter wisten. Het streven naar publieksverbreding heeft niets uitgehaald.

De pianist van dienst heet Frederic Chiu. Chiu heeft een staart en een cv om u tegen te zeggen. 21 cd’s heeft hij al volgespeeld, en zo te horen komen er te zijner tijd nog minstens 21 bij, tot God zegt dat het mooi genoeg is. Chiu heeft er zin in op de onopvallende manier van mensen die gewoon maar doorgaan. Ze spelen niet heel mooi maar ook niet lelijk. Ze bestaan, dat is al mooi genoeg. Alleen, met Chiu maak je geen festival. Met Chiu vul je in Rotterdam het gat tussen de middagfilm en het buffet. Je zou de zaal uit vluchten als je je de overbodigheid bewust werd van wat toch blijk van groot talent is: zo virulent de Zevende sonate van Prokofjev kunnen spelen is maar weinigen gegeven. Maar je weet ook hoeveel het beter kan. Hoe goed moet je zijn? Zo goed als Prokofjev? Of beter?

Het zijn wel echte levensvragen; daar is zo’n festival dan toch maar goed voor.

Kijk naar het publiek tijdens de Zevende sonate. Het publiek heeft nergens last van. Het is gewend dat iemand eenzaam virtuoos een toetsenbord bespeelt, zoals het op kantoor gewend is dat er mensen aan computers zitten, werkend.

Wat denkt publiek?

FESTIVALS

Valeri Gergjev, net als vroeger Karajan kapelmeester van ongeveer de hele wereld, blijft uniek. Logisch dat dit festival, zijn geesteskind, zijn naam draagt. Die combinatie van muzikale genialiteit, ondernemingsdrift en communicatieve begaafdheid is sinds Bernstein nauwelijks meer vertoond.

Het Gergjev Festival is een zeer goed festival. De dirigent is de eerste onder de zijnen. Het programma is prachtig. Mooi thema, De Verloren Zoon. Een interessante componist wiens grote oeuvre in de schaduw staat van de paar meesterstukken die nog altijd de concertprogramma’s domineren, van Romeo en Julia via het meesterlijke Peter en de Wolf tot de Klassieke symfonie en de viool concerten. Die dus slecht gekend is en als geval van tussen wal en schip, ongrijpbaar kundig tussen ouderwets en modernistisch in, misschien wel slecht begrepen wordt, nog steeds. Hier kom je vooroordelen toetsen en verborgen schatten proeven. Hier krijg je alle zeven symfonieën, de Nederlandse première van de opera Semyon Kotko, onbekende spullen als Chant Symphonique, en de piano werken. Een kinderprogramma. Referaten en recitals.

Werkt de opzet? Af en toe. Soms werpen programmaonderdelen mooi licht op elkaar. Het heeft iets om een dirigent ’s avonds een stuk te horen dirigeren waar hij ’s middags in een film zo prachtig over heeft verteld. De muziek wordt er niet beter van. Wat het de kijker meegeeft is verdiepend inzicht dat als schijn van toegevoegde waarde ook de klinkende ervaring kleurt. Muziek is net als een tentoonstelling vandaag vooral «totaalervaring». In Rotterdam wordt gesproken van de «Complete Concertervaring».

Kan het Gergjev Festival in die zin model staan voor het concertbestel van de toekomst? In Rotterdam zijn ze al jaren zeer gebrand op wat in het jargon waarmee Den Haag wordt gepaaid breed «de voortrekkersrol» wordt genoemd. De net met veel herrie vertrokken Rob Overman, directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, filosofeerde graag hardop over het orkest van de 21ste eeuw, dat speels en avontuurlijk buiten platgetreden kaders trad van urenlang in het gelid met koffie in de pauze.

Dit festival is in die geest geconcipieerd. Wie wil, is de hele dag onder dak. Eerst een film, dan een recital, eten, een voordracht, een toneelstuk of een monoloog en dan het hoofdgerecht met Gergjev, waarna een feestje toe, Chez Sergei. Mooi. Aan de structuur van het concert als instituut verandert zo’n benadering helaas heel weinig. Dat is net als overal een straf corvee van zitten, pauze, zitten. Daarnaast is nog de vraag voor wie die geestverruimende maar tijdrovende experience-methode wel is weggelegd. Niet voor de jongeren. Maar voor de senioren, die er tijd en geld voor hebben.

Is dat dan een bezwaar? Niet in het minst. Wat hebben echte jongeren hier te zoeken? Een jongere hoort te zuipen en te feesten, tussen de examens door. Waarom? Om spijt te leren krijgen.

Hamvraag: wat is nu de muzikale clou van dit partijtje? Dat is Gergjev. Stond hier in Rotterdam niet hij, maar zo’n verwaande goedgekamde middenklasser uit de dirigentenkaartenbak een dag of tien dagen te zwaaien, dan was er niks meer aan. Er is maar één Gergjev Festival, er is maar één Gergjev. Op tv veegde hij twee weken terug de vloer aan met de nihilisten die maar blijven roepen dat het afgelopen is met de cultuur. Klassieke muziek, zegt hij, zal altijd blijven. Ja, dat kan hij vinden. Als Gergjev in China speelt, kijken er vierhonderd miljoen Chinese televisiekijkers mee. Omdat hij Gergjev is. Het probleem is dat er zo weinig Gergjevs zijn. Gergjev weg? Festival ook weg. En misschien Prokofjev ook weg. Dat is de tragiek van de Complete Concertervaring.

PROKOFJEV

Prokofjev is Prokofjev, een speler. Spelers vertrouw je niet. Ze hechten niet aan waarheid. Ze hechten aan behendigheid, trucage. Dat wreekt zich, ondanks een in dit geval uitzonderlijk talent, gedurig op de veerkracht van de muzikale metafysica. Een diepte zet bij de verloren zoon niet door, een piek in tempo, kleur of dynamiek lijkt vooral bedoeld voor het genoegen van de klim, niet voor het drama; zijn Tweede symfonie klinkt als het vechtstuk van een bokser die blijft stoten voor de kick van het geweld alleen. Prokofjev is voor Gergjev een lastige figuur om mee te laten stijgen naar de hoogste hoogten. Spelers zijn speels, maar te veranderlijk om in de greep te houden. Ook maestro’s van statuur lopen soms stuk op de limieten van verbeeldingskracht die als een prikkeldraad om al dat speelse liggen. Ik denk dat, als hij eerlijk is en nog eens tien van die Prokofjev-feesten heeft gedraaid van Londen tot Sint-Petersburg, ook Gergjev dat zou erkennen. Hij viel me tegen. Het is dat ook wanneer hij tegenvalt bij Gergjev het peil nog hoog genoeg is, anders had ik zorgen nu.

Wat zegt Gergjev over Prokofjev? Dat hij van hem houdt. Maar ook dat Prokofjev graag stoer deed; dat de grote componist een streber was. «Zijn motto was: ‹Hoe willen jullie dat ik schrijf, ik kan alles.› Misschien heb ik het mis, maar ik heb het gevoel dat dat het geval was bij Prokofjev.»

Gek genoeg is het juist dat wat de perceptie van de symfonieën verregaand bepaalt: het gevoel dat iemand je probeert knock-out te slaan met vondsten. Muziek als uitdrukking van kunnen. Op een dag heb je genoeg van al die bovenmeestersknapte.

De langzame delen van de Tweede, Derde en Vierde symfonie zijn verbluffend voor zolang ze duren. Ook in Rotterdam waren ze prachtig, maar hun golfbeweging heeft me niet bereikt. Van de Vierde symfonie zijn twee versies. De tweede, die we hoorden, klinkt als knip- en plakwerk, als een revisie die probeert te redden wat te redden valt. Ik kan dat stuk voorlopig niet meer horen.

Maar De Verloren Zoon heeft veel geleden. Onder Stalin. Net als Sjostakovitsj. Dat wisten in het Westen ook maar weinigen, tot Solomon Volkov, zijn eigen Eckermann, de memoires van de componist op schrift stelde in het roemruchte boek Getuigenis. Getuigenis heeft van een in het Westen eerst niet serieus genomen componist een martelaar gemaakt, bij wie we nu in elke noot de pijn menen te horen van een leven onder Stalin. Je vraagt je af of zoiets met Prokofjev kan.

Nee. De muziek is er niet naar. Zijn oeuvre is het werk van iemand die zijn eigen loopgraaf componeert, de aanval als verdediging: ik slim, ik snel, ik altijd kunnen werken. Hij klinkt niet zwak of ziek of tragisch — al was of werd hij dat wel degelijk, vooral na 1948. En Prokofjev-biograaf Harlow Robinson, een lieve saaie man, is niet de Volkov die van dit geval een martelaar kan maken. Harlow Robinson heeft voor het Gergjev Festival het hele prachtige programmaboek volgeschreven en houdt nu in de Jurriaansezaal een voordracht met een aandoenlijk boeket Prokofjev-wetenswaardigheden. Wisten we, geëerd publiek, dat de schijnbaar kille componist gelovig was? Met een nette giechel lacht hij voor hoe de verbazing over de onthulling hoort te klinken. En niemand die hem de gedeelde pret misgunt, dat zie je zo.