Hoofdcommentaar

Vegetarische boterhamworst

In 1973 speelde Charlton Heston een politie-inspecteur in de film Soylent Green, sciencefiction van het apocalyptische soort. Het is 2022. De bevolking van New York is gegroeid tot veertig miljoen, lucht en drinkwater zijn ernstig verontreinigd en door het broeikaseffect heerst er een permanente hittegolf. Echt voedsel (groente, fruit, vlees, brood) is uiterst schaars. De bevolking leeft op ‘high-energy vegetable concentrates’, gele en rode koeken, die door de mysterieuze Soylent Corporation worden geproduceerd. In de film introduceert het bedrijf een groene variant, die uit plankton zou zijn vervaardigd; dit Soylent Green is lekkerder en voedzamer dan Soylent Red en Yellow, maar ook schaarser, en dus ontstaan er rellen. Heston doet vervolgens de lugubere ontdekking dat de groene koeken niet uit plankton maar uit menselijke resten worden vervaardigd – zo nijpend is het voedseltekort.

Het is een tikje makkelijk om oude sciencefictionfilms met terugwerkende kracht voorspellende waarde toe te kennen, maar vooruit: die sombere visie van Soylent Green uit 1973 lijkt in 2008 zo raar nog niet. Soylent Red bestaat inmiddels: Albert Heijns vegetarische boterhamworst, verrijkt met visolie. Het broeikaseffect doet zich voor. Klimaatverandering is publieke zorg nummer 1. De bevolking van de steden groeit explosief. Het landbouwareaal slinkt. Voedsel wordt schaars en duur. In Haïti, Egypte, Indonesië, de Filippijnen en Ivoorkust breken voedselrellen uit.

De leiders van de planeet zien de bui van de voedselcrisis inmiddels hangen. Dominique Strauss-Kahn (IMF) en Robert Zoellick (Wereldbank) waarschuwden de wereld voor een menselijke tragedie en een geopolitieke crisis van ongekend formaat. Jacques Diouf (FAO) voorziet een ‘onvoorspelbare catastrofe’.

De kortetermijnremedie is geld – een half miljard dollar aan subsidie – en de kortetermijnschuldige is ook snel gevonden: biobrandstof. De onrust begon daarmee, vorig jaar in Mexico, waar de prijs voor maïsmeel (hoofdbestanddeel van de tortilla) sterk steeg. Mexico is daarvoor afhankelijk van import uit de Verenigde Staten; door de hoge olieprijs is de productie van biobrandstof meer dan rendabel geworden, en dus leveren de Amerikaanse maïsboeren hun product liever aan de energie-industrie. Dat gebeurt onder het vaandel van verbetering van het milieu, maar de bijzondere VN-rapporteur inzake het recht op voedsel, Jean Ziegler, noemde de productie van biobrandstoffen niets minder dan ‘een misdaad tegen de mensheid.’

Als remedie tegen de prijsstijging verhoogde de Mexicaanse president de subsidie op maïsmeel. Dat kan Mexico zich nog enigszins veroorloven, en ook landen als India, Egypte en Algerije kunnen met steunmaatregelen (Algerije verhoogde de ambtenarensalarissen) de nood wat verlichten, maar Haïti, Bolivia, Bangladesh of Jemen heeft die mogelijkheid niet. De inflatie treft daar de armsten, en treft ze hard. In de laatste drie jaar zijn de prijzen van rijst, maïs en meel met 181 procent gestegen. Wie op een dollar per dag leeft, heeft daartegen geen verweer.

Strauss-Kahn zei zaterdag dat de ervaring leert ‘dat dit soort problemen doorgaans uitdraait op oorlog’. In eerste instantie valt daarbij te denken aan interne instabiliteit – Zoellick wees 33 potentiële probleemgevallen aan, waaronder strategisch belangrijke staten als Egypte en Pakistan – maar ook aan conflicten tussen exporterende en importerende landen. De regering van India, bijvoorbeeld, heeft een volledige stop op de uitvoer van rijst afgekondigd om de prijsstijging en de inflatie te beteugelen. De regering zegt wel dat India zijn exportverplichtingen jegens buurland Bangladesh zal nakomen. Bangladesh is in ernstige problemen. De rijstprijs is er in één jaar met honderd procent gestegen; duizenden Bengalen leven op één maaltijd per dag en besteden inmiddels tot tachtig procent van hun inkomen aan voedsel. De import uit India is in de laatste zes maanden verdubbeld.

Als de voedselsituatie in India verslechtert, dan zal Bangladesh daar het eerste slachtoffer van zijn. Grote landen als Nigeria, Indonesië en de Filippijnen, toch al kampend met serieuze interne problemen, lopen hetzelfde risico, en dat geldt ook voor Noord-Korea, dat in hoge mate afhankelijk is van rijstimport uit China. De Chinezen zeggen, net als India, dat ze voldoende in voorraad hebben en dat er nog niets aan de hand is. Nog niet.

Het is duidelijk dat subsidies, hoe ruim ook, alleen directe onrust kunnen wegnemen. De voedselcrisis is niet een tijdelijke impasse, het is een fundamenteel probleem. De vooruitgang die de laatste veertig jaar in de bestrijding van honger en armoede is geboekt, kan er volledig door worden tenietgedaan. Een stijging van de landbouwopbrengst, bijvoorbeeld door genetische manipulatie, zal alleen op langere termijn verbetering kunnen brengen, en dan zijn we er nog lang niet.

Het deprimerende is dat het hier niet gaat om een tekort maar om een verdelingsprobleem, en dus om de manier waarop de wereldeconomie inzake voedsel is ingericht. Internationale organisaties als het imf stimuleren de ontwikkelingslanden bijvoorbeeld hun voedselproductie minder divers te maken en te richten op de export. Daarmee maken zij zich los van de directe lokale behoefte en worden ze gevoeliger voor internationale tendensen, waar zij bovendien maar heel weinig invloed op kunnen uitoefenen. Tegelijkertijd overspoelen de rijkere landen de lokale markten in de Derde Wereld met gesubsidieerde landbouwproducten, waardoor de lokale productie wordt weggeconcurreerd en de brodeloze boeren naar de stad trekken.

Dat klinkt als oud nieuws en dat is het ook. In 1973 kon Charlton Heston al bedenken waar het allemaal toe zou kunnen leiden. Dat was toen nog sciencefiction. Dat is het nu niet meer.