Veilig ver weg

Peter Delpeut, Cinéma Perdu. De eerste dertig jaar van de film. Bas Lubberhuizen, 104 blz., met video, 332,50.
In de nasleep van het eeuwfeest van de cinema maakte Peter Delpeut een jaar geleden een veertigtal fragmenten uit de vroegste filmgeschiedenis gereed voor televisie. Wekelijks vertoonde de VPRO een kort filmpje en Delpeut publiceerde daarbij een aanmoediging in de VPRO-Gids. Die wervende teksten zijn nu in een boekje verschenen, samen met een selectie uit de filmpjes op video. Het uitbrengen van een boekje over film in combinatie met een video met die films is zo logisch dat je je afvraagt waarom dat niet eerder gedaan is. Het lijkt nu zelfs bijna te laat; een tussenstap naar het uitgeven van filmessays op multimedia dragers als cd-rom.

Ik beperk me hier bewust even tot het boekje. Over de films heeft Delpeut zelf genoeg te vertellen. Het lijkt een bundeltje gelegenheidsstukjes. Het blijkt bij nadere lezing een condensering van thema’s, ideeën en opvattingen te zijn die Delpeut over een reeks van jaren als conservator en programmeur van het Filmmuseum heeft ontwikkeld. Het boekje is mooi, polemisch en didactisch geschreven. Didactisch in de beste betekenis van het woord. Delpeut heeft heldere formuleringen gevonden om zijn kennis van de vroege cinema met zijn lezers te delen.
Delpeut laat zich in het boekje kennen als een gevoelige romanticus en evenals dat didactische moet dat in gunstige zin worden opgevat. Als hij over de vroege in Nederland gedraaide Pathé-film De molens die juichen en weenen schrijft dat het ‘een van de mooiste filmtitels (is) die ik ken’, dan bevat die opmerking geen spoor van ironie. Keer op keer laat hij blijken zich betrokken te voelen bij de via de oude films gedocumenteerde mensen. Mensen die na het vertrek van de filmploegen vaak een ongewisse toekomst tegemoet gingen. De door de projectie tot leven gewekte mensen hebben uiteindelijk meer zijn sympathie dan het medium. Soms hoort hij liever het persoonlijke verhaal dan het bewijsbare documentaire beeld te zien: 'Soms zijn duizend woorden nu eenmaal mooier dan film.’ En hij gaat nog een stap verder als hij het filmmedium in voorzichtige bewoordingen verwenst. De herhaalbaarheid van het medium verhindert een oprechte betrokkenheid bij de vastgelegde mensen: 'Op film lijkt alles zo veilig ver weg. Dat is een van de weinig besproken nadelen van het medium.’
Je zou het boekje ook anders kunnen lezen. Over een decennium of zo zal het zeker zijn dienst bewijzen om het eigen filmoeuvre van Delpeut - en het lijdt geen twijfel dat deze erudietste onder de Nederlandse cineasten een oeuvre aan het opbouwen is - te analyseren. Zo schrijft hij over zijn geliefde De molens die juichen en weenen dat het hem verbaast dat de Franse produktiemaatschappij deze gekunstelde film in Nederland op locatie heeft opgenomen en niet in een studio in Parijs. Voor de verbeelding van geen enkel land hoeft men dus Parijs te verlaten. Dan vervolgt hij: 'Ook in de Parijse studio’s had men Japan als land van geisha’s en samoerai kunnen portretteren.’ En eigenlijk lijkt hij te bedoelen dat ze dat in een Parijse studio béter hadden kunnen doen, omdat in het echte Japan de realiteit het imaginaire Japan alleen maar in de weg zou zitten. Wie straks de vraag stelt waarom Delpeut zijn japonaiserie Felice… Felice… (een film waaraan hij nu de laatste hand legt) niet in Japan heeft gedraaid in plaats van in een Nederlandse studio, vindt hier het antwoord. Ook Delpeuts genese als found-footage-filmer laat zich in het boekje teruglezen. 'Al die flarden film (de losse fragmenten die hij als conservator van het Filmmuseum in het archief vindt - gz) lijken uitgevonden om ermee te spelen, ze door elkaar te husselen en om te zetten in nieuwe filmervaringen.’ Husselen? Nieuwe ervaringen? Hier is niet de filmhistoricus, maar de filmer aan het woord. Delpeut zal die scheiding overigens niet erkennen. Dat is ook het charmante van dit boekje.