Veiligheid de bvd op het spoor van de islam

Niets aan de hand, concludeerde een Rotterdams onderzoeksteam dat in opdracht van de BVD onderzocht in welke mate de islam de Nederlandse veiligheid bedreigt. Maar ligt de omgekeerde vraag niet eerder voor de hand? Opnieuw heeft het Landelijk Bureau Racismebestrijding de minister gevraagd eindelijk eens te onderzoeken welk verband er bestaat tussen de vele en rap in aantal toenemende aanslagen op allochtone doelwitten.

Kan de criminaliteit onder islamieten in Nederland uitgroeien tot een bedreiging van de staatsveiligheid? Het Rotterdams Instituut voor Sociologisch, Bestuurskundig en Milieukundig Onderzoek (Risbo) vindt van wel, getuige het rapport Integratie belemmerd? dat het instituut onlangs uitbracht.
Het rapport is de neerslag van een onderzoek dat het Risbo - onderdeel van de Erasmus Universiteit - in de tweede helft van 1993 verrichtte naar de integratie van islamieten in de Nederlandse samenleving. Een pikante bijkomstigheid is dat het onderzoek formeel is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en in werkelijkheid in opdracht van de BVD. De opdracht hangt samen met de nieuwe taakopvatting van de BVD na de val van het commmunisme en is - althans officieel - een reactie op de algemene verontrusting over de toenemende vreemdelingenhaat in Europa. Veel verder gaat de menslievendheid van de veiligheidsdienst echter niet. Welbeschouwd is de voorgeschiedenis van het onderzoek al even dubieus als de uitkomst. Het is allemaal het gevolg van de wanhopige zoektocht van Holland’s Finest naar nieuwe taken in het postmoderne spionnentijdperk.
Na ooit aarzelend te zijn begonnen als semi-legaal verlengstuk van de particuliere inlichtingendienst van de NV Philips had de BVD moeten uitgroeien tot de cerberus van de democratische rechtsorde. Al gauw ontpopte de dienst zich echter als het schoothondje van de centrum-rechtse partijen, dat linksdraaiende dominees de stuipen op het lijf joeg en hijgerig in Haagse prullenmanden wroette. Op expertise was de BVD nooit te betrappen. De Molukse gijzelingen in de jaren zeventig - door wetenschappers, sociaal werkers en politie al geruime tijd voorzien - kwamen voor de dienst als donderslagen bij heldere hemel. En terwijl de Haagse gleufhoeden zich eendrachtig bogen over de antecedenten van Groningse postbodes, was het in de vaderlandse reactorcentra een va et vient van atoomspionnen uit Pakistan en het Midden-Oosten.
Na het uiteenvallen van het Oostblok leek de BVD eindelijk in welverdiende ledigheid te zullen wegkwijnen, maar de Haagse spymasters waren niet voor een gat te vangen. Bij monde van minister Dales van Binnenlandse Zaken lieten zij in 1991 weten dat het gevaar niet langer alleen uit het Oosten kwam maar uit alle windrichtingen tegelijk: economische oorlogvoering en bedrijfsspionage, internationaal terrorisme, etnische conflicten, overheidscorruptie en georganiseerde misdaad heetten de gesels van de jaren negentig. Onverwijld werd de dienst gereorganiseerd met het oog op de nieuwe, uiteraard ten diepste ‘instabiele’ verhoudingen in de wereld.
Daarbij profiteerde de dienst van de Wet op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die nog net voor de val van de Muur door beide Kamers was geloodst. Door die wet beschikt de BVD nu over de ongekende luxe van een wettelijk verschoningsrecht (BVD'ers mogen zich voor de rechter beroepen op hun geheimhoudingsplicht) alsmede de onvoorwaardelijke medewerking van de Plaatselijke Inlichtingendiensten (PID’s) van de gemeentepolitie, die voorheen voor het verrichten van zulke hand- en spandiensten toestemming moesten krijgen van hun burgemeester. Aangezien de parlementaire controle op het doen en laten van de BVD even sporadisch en oppervlakkig bleef als voorheen, mocht BVD-directeur Docters van Leeuwen zich voortaan verheugen in de alleszins gerieflijke status van Gods eigen snuffelneus. Het enige wat nog ontbrak was werk aan de winkel.
Op 11 februari 1992 presenteerde minister Dales van Binnenlandse Zaken ten langen leste de beleidsnota Ontwikkelingen op het gebied van de binnenlandse veiligheid. In het hoofdstuk over de taakstelling van de BVD, dat het vage opschrift 'Taakvelden en Taken/Tendensen en Ontwikkelingen’ droeg, stond de volgende merkwaardige passage die direct leek te zijn overgeschreven uit de beruchte Luzern-rede van VVD-leider Bolkestein: 'Een mogelijk neveneffect van migratie uit Zuideuropese en Noordafrikaanse landen is de verdergaande radicalisering of fundamentalisering van moslimgemeenschappen in den vreemde, die zijn weerslag kan hebben op de verhoudingen tussen deze migrantengroepen in Nederland en hun houding ten opzichte van de Nederlandse samenleving. Tevens moet ermee rekening worden gehouden dat politieke, etnische of religieuze conflicten in het land van herkomst overslaan naar Nederland. Het kan hierbij leiden tot ernstige onderlinge rivaliteit waarbij bloedvergieten, belemmering van de vrijheid van meningsuiting of andere grondrechten, noch ernstige verstoringen van de openbare orde zijn uit te sluiten.’
Zeker, de islam is een godsdienst als alle andere. Het is geen geheim dat een deel van de Nederlandse moskeeen en islamitische scholen wordt geleid door halfgeletterde misantropen, die in obscurantisme niet onderdoen voor kardinaal Simonis of de mannenbroeders van de Staatkundig Gereformeerde Partij. Maar dat is niet minder dan hun goed democratisch recht. Van een kennelijke radicalisering van moslims in Nederland is nooit en te nimmer sprake geweest - eerder van het tegenovergestelde. Een bladzijde verder ondergroef de minister dan ook haar eigen stelling waar zij schreef over de dreiging van het overslaan van conflicten tijdens de Golfoorlog: 'Met de tijdige uitwijzing van Iraakse diplomaten en vooral ook dank zij wijs leiderschap van islamitische voorlieden in ons land, konden ongewenste ontwikkelingen worden voorkomen.’
De hele nota gaf blijk van een bedenkelijke blikvernauwing, die vroeg of laat wel moest leiden tot een ontsporing zoals het Risbo-onderzoek. Dat de 'Turken-rellen’ in Rotterdam (1971) en Schiedam (1976) ten departemente kennelijk al vergeten waren - hoewel het daarbij ging om door Nederlanders gepleegde verstoringen van de openbare orde, gericht tegen de aanwezigheid van buitenlanders - viel nog door de vingers te zien. Maar op zijn laatst sinds 1977, toen een Turkse inwoner van Amsterdam opzettelijk in de gracht werd geduwd en verdronk, vindt in ons land systematisch geweldpleging plaats tegen buitenlanders, niet door buitenlanders.
Waarschijnlijk onder invloed van de massale aanslagen op buitenlanders in Duitsland verslechterde deze situatie zienderogen in de eerste maanden van 1992: alleen al in Den Haag werden vier bomaanslagen, drie brandstichtingen, drie bommeldingen en vier vernielingen bij moskeeen gemeld. Minister Dales hield - voornamelijk op gezag van haar ambtenaren - vol dat er geen verband tussen deze gebeurtenissen bestond. Na de aanslag met maar liefst vijf molotov- cocktails op de Amersfoortse moskee viel het verband echter niet langer te ontkennen. Onder druk zag de minister zich gedwongen toe te stemmen in een nader onderzoek, uit te besteden door de BVD, waarin uitdrukkelijk de vraag aan de orde moest komen of de allochtonen soms een bedreiging voor de Nederlandse staatsveiligheid vormden. Het cynisme van deze vraagstelling, geheel in overeenstemming met de 'Taken en Taakvelden’ van de uit de nota van 1992, is onmiskenbaar. Het Risbo gaf dus alleen al door zijn aanvaarding van deze onderzoeksopdracht een beduimeld visitekaartje af.
De reeds genoemde conclusie van het onderzoek is niet de enige die vrijwel onmiddellijk door vakgenoten van de Rotterdamse onderzoekers op wetenschappelijke en ethische gronden is afgewezen. De methodiek van het onderzoek is om te beginnen twijfelachtig. De onderzoekers benaderden via islamitische organisaties 65 moslims en namen hun vervolgens een ongeveer twee uur durend 'ongestructureerd mondeling interview’ af. Afgezien van de representativiteit van het onderzoek (die nadert tot nul) was dus ook de anonimiteit van de deelnemers niet gegarandeerd. Aan de ondervraagden werden stellingen voorgelegd als: 'Ik houd me aan de regels van de islam’ en 'Als ik werkloos word, ga ik het criminele pad op’. Het ontbreken van controlevragen maakt de antwoorden vrijwel waardeloos.
Vergeleken bij de eerstgenoemde conclusie is het bijna een opluchting om te vernemen dat het Risbo in de schaduw van de moskee geen bedreiging van de Nederlandse veiligheid ontwaart. Van het streven naar een Nederlandse moslimstaat viel niets te bespeuren. Een aantal ondervraagden heeft blijkbaar wel aangekondigd 'het criminele pad’ op te gaan. In krom sociologenproza concludeert het rapport: 'Wat betreft de potentiele dreiging vanuit de religieuze disposities van de respondenten op de Nederlandse veiligheid, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat er van een dergelijke dreiging - gebaseerd op islamitische orientaties - geen sprake is. Wat betreft de relatief ongunstige sociaal-economische omstandigheden van allochtonen, kan op basis van de reacties van de respondenten, een dergelijke bedreiging van de Nederlandse veiligheid niet worden uitgesloten.’ En als toppunt van brutaliteit in het licht van de aanslagen die de aanleiding vormden voor hun onderzoek stellen de schrijvers: 'Ook wat betreft de bedreiging van veiligheid en/of grondrechten (van allochtonen) lijkt er sprake van een positief beeld.’
De preoccupatie van de BVD en de Rotterdamse onderzoekers met de gevaren van islamitische frontvorming en criminaliteit in ons land steekt schril af bij de recente, explosieve groei van het aantal racistische incidenten. De Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) maakte vorige week zijn jongste cijfers bekend, die een verdubbeling in een jaar tijd uitwijzen. Volgens de 'lijst van incidenten op rechts-extreem gebied en gewelddadigheden contra allochtonen’ die de CRI opstelde, vonden vorig jaar 612 van zulke incidenten plaats, tegen 337 in de voorafgaande zestien maanden. Opmerkelijk genoeg wil ook de CRI niet van een georganiseerd rechts-extremisme weten. De dienst spreekt liever van 'ongestructureerd rechts’ en wijt de 612 incidenten aan lokale opwellingen van vreemdelingenhaat. Navraag bij Justitie en Binnenlandse Zaken wijst echter uit dat er van een landelijke coordinatie op het gebied van registratie en onderzoek van deze incidenten geen sprake is. De ontkenning door BVD en CRI van enigerlei organisatie in extreem-rechtse kring in Nederland is niet meer dan een zwaktebod.
Intussen stijgt onder migranten de angst voor nieuwe aanslagen. In arren moede heeft het Landelijk Bureau Racismebestrijding (LBR) besloten om dan maar zelf op onderzoek uit te gaan. Het Utrechtse bureau, dat over een netwerk van 38 lokale meldpunten beschikt, signaleerde in de laatste maanden van 1993 een serie racistische aanslagen en bedreigingen in heel Nederland waarbij telkens de naam 'White Power’ opdook. Het LBR Bulletin van afgelopen vrijdag bevat een overzicht van deze incidenten, waarvan het zwaartepunt lag in oktober en november vorig jaar. Nadat in augustus de oorlogsbegraafplaats Jonkerbosch in Nijmegen was beklad met hakenkruizen en 'White Power’-kreten, was op 7 november een hindoestaanse winkel in de Rotterdamse wijk Hoogvliet aan de beurt. Na een poging tot brandstichting spoten de daders 'White Power’ op de winkelpui. In totaal vonden 28 van dergelijke acties plaats, varierend van brandstichting en andere geweldpleging tot beledigende stickeracties en schriftelijke bedreigingen.
Typerend is de aanhouding in november 1993 van zes minderjarige Zeeuwen, die zich 'Nazi Front Zeeland’ noemden en soms ook de leus 'White Power’ voerden. 'De arrestanten hadden zich schuldig gemaakt aan een reeks van racistische acties, waaronder de bekladding van een Joods-Portugese begraafplaats in Middelburg. De politie verklaarde tegenover de media dat het hier ging om kwajongenswerk’, aldus LBR Bulletin. Het blad constateert dat politie en justitie praktisch alle voorvallen bij voorbaat en zonder gegronde reden als kwajongenswerk afdeden: 'Opmerkelijk is ook dat niets blijkt van intensieve samenwerking tussen de diverse regionale politiekorpsen in Nederland. (…) Dat racistische acties niet gecoordineerd worden, lijkt door de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) haast tot uitgangspunt te zijn gebombardeerd.’
Het LBR neemt niet voetstoots aan dat de campagne landelijk georganiseerd was, maar de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van 'White Power’-leuzen wijst op zijn minst op een zekere samenhang. Die samenhang zou bijvoorbeeld kunnen worden verklaard uit de geleidelijke opkomst in ons land van een extreem-rechtse subcultuur zoals die de laatste jaren ook in Scandinavie en met name in Zweden is ontstaan. In de recent verschenen bundel Racist Violence in Europe, waaraan een keur van Europese wetenschappers heeft meegewerkt, beschrijft de Zweedse onderzoekster Helene Loow deze subcultuur als een beweging van 'racistische freelancers’, jongelui uit de skinhead-beweging en kringen van voetbalvandalen die losjes georganiseerd zijn rond een paar propagandakernen (doorgaans fascistische tijdschriften) en daarom nauwelijks onder een strafrechtelijke noemer te vangen zijn. De Zweedse politie is er echter wel in geslaagd om in deze subcultuur in te breken. In de periode 1985-87 werd een groot aantal betrokkenen voorgeleid en veroordeeld.
Niet bekend