‘Ik heb niemand gedood’

Veiligheid in Uruzgan

De Nederlandse Isaf-militairen in Uruzgan zijn voor de veiligheid in het gebied afhankelijk van een lokale krijgsheer, Matiullah Khan. Zijn reputatie is even geducht als besmet.

TARIN KOWT – Matiullah Khan wil eigenlijk niet praten. Hij hangt met zijn lange lijf in een van de luie stoelen bekleed met lichtbruin bloemetjesvelours in zijn ontvangstkamer en speelt met zijn mobiele telefoon. Klepje open, klepje dicht. We bevinden ons in zijn hoofdkwartier aan de rand van Tarin Kowt, het stoffige, zeventienduizend zielen tellende hoofdstadje van de Afghaanse provincie Uruzgan. Op nog geen tien minuten rijden, op een vlakte net buiten de stad, ligt Kamp Holland, waar de hoofdmacht van het Nederlandse contingent is gelegerd. Vijf minuten van Matiullahs basis, aan het andere uiteinde van de enige asfaltweg die Tarin Kowt rijk is, ligt de gouverneurscompound. De Navo-macht Isaf en de gouverneur zijn de officiële machthebbers in het gebied, maar zij kunnen niet om Matiullah Khan heen, met zijn militie van minstens zestienhonderd strijders. In Uruzgan zijn zo’n dertienhonderd Nederlanders gelegerd en zevenhonderd Australiërs, maar slechts zo’n achthonderd van hen zijn gevechtseenheden. ‘Ga naar de bazaar, vraag aan de mensen wie hier de baas is’, zegt Matiullah verveeld.
En inderdaad, of het nu uit angst is of toch ook een beetje uit bewondering, op het noemen van Matiullahs naam volgen doorgaans goedkeurende knikjes en opgestoken duimen. Zo ook van twee scholieren. ‘Hij is goed voor zijn mannen’, zegt Ahmadshah. ‘Zonder Matiullah kan de gouverneur niets doen.’ Zijn vriend Audrat, die erop staat ‘hadji’ genoemd te worden, hoewel het onwaarschijnlijk is dat hij met zijn negentien jaren de tocht naar Mekka al gemaakt heeft, zweert zelfs bij Matiullah. ‘Hij is degene die het hier rustig houdt. Niemand anders kan dat.’ Toen Australische Isaf-militairen kort na elkaar enkele onschuldige burgers doodden, omdat zij zich bedreigd voelden, was het Matiullah Khan die voorkwam dat de vlam in de pan sloeg. Hij sprak de mensen toe en beloofde hoogst persoonlijk te voorkomen dat de buitenlanders zoiets nog eens zouden doen. ‘En daarna was het over’, zegt Audrat.
Matiullah zegt dat hij 35 is. Lezen en schrijven kan hij niet. Belangrijke documenten laat hij voorlezen. Zijn huid ziet gelig. Boze tongen beweren dat hij een opiumgebruiker is. Zijn ogen zijn half geloken en als hij verkiest te antwoorden, doet hij dat met een cynisch lachje. Khan is niet zijn familienaam, het is een titel die zijn invloed aangeeft. Wie ‘khan’ is, wordt door de gemeenschap beschouwd als een machtig man. Vroeger was de titel erfelijk en gedistingeerd, maar in het oorlogsgeweld dat Afghanistan sinds drie decennia teistert, eigenden krijgsheren zich de titel nogal eens toe. Tegenwoordig kan een khan een ongeletterde boer zijn, als hij maar beschikt over voldoende vuurmonden.
Het kostte veel moeite om Matiullah te spreken te krijgen. Het zou zeker niet gelukt zijn als we ons in het gevolg van Nederlandse militairen hadden bevonden. We verblijven echter buiten de controle van Isaf, op de compound van gouverneur Assadullah Hamdam, die ons onthaalt op een staaltje malmesta, de beroemde gastvrijheid van de Pathanen. Malmesta is in de Pasjtoenwali, de eeuwenoude Pathaanse erecode, een van de belangrijkste waarden. Zelfs een gezworen vijand kan er aanspraak op maken en geniet dan onschendbaarheid. We hebben het onderhoud met de commandant indirect te danken aan de malmesta van de gouverneur. Matiullah is nieuwsgierig en wil wel eens weten wie die westerlingen zijn die zo gek zijn zich buiten de bescherming van Isaf te begeven.

Matiullah is een krijgsheer pur sang. Zijn opkomst ging samen met wapengekletter. Hamid Karzai, die het uiteindelijk tot president schopte, begon in de herfst van 2001 zijn gewapende opstand tegen de Taliban vanuit de bergen ten noorden van Tarin Kowt. Hij werd gesteund door zeven commandanten. Matiullah, net als Karzai een telg van de Popolzai-stam, was een van hen. Hij onderscheidde zich als jonge commandant en bouwde zijn militie na de verdrijving van de Taliban gestaag uit. Toen in 2003 de nieuwe Taliban-opstand losbarstte, kreeg zijn militie het opnieuw druk.
Matiullah is een neefje van Jan Mohammed Khan, de gouverneur die het veld moest ruimen toen de Nederlanders in de zomer van 2006 de provincie introkken. Diens wrede reputatie, de tegenstand die hij bij vele stammen opriep en de aanhoudende berichten over zijn betrokkenheid bij opiumhandel maakten hem voor Nederland onaanvaardbaar op Uruzgans hoogste post. Jarenlang was Matiullah een zetbaas van JMK, zoals de oud-gouverneur door vriend en vijand wordt genoemd. Matiullah was diens belangrijkste commandant in de strijd tegen de Taliban en de daarmee onontwarbaar verweven onderdrukking van stammen die de Popolzai ongunstig gezind waren. Maar nu steekt Matiullah zijn oude meester naar de kroon. Hij organiseert sjoera’s, vergaderingen waarin de belangrijkste leden van een gemeenschap hun problemen naar voren brengen. Matiullah Khan, de rechtvaardige krijgsheer, lost problemen op en biedt de bevolking veiligheid waar Isaf en de gouverneur tekortschieten.
Aan de muur in de ontvangstkamer hangen foto’s van Matiullah met Amerikaanse special forces. ‘Ik vecht tegen de Taliban, zij zijn onze enige vijand’, zegt Matiullah sloom. ‘Als ik er niet was, zouden de Taliban elke nacht binnendringen en hier de bazaar onveilig maken.’
Het is inderdaad rustig in Tarin Kowt. Inwoners zeggen dat de situatie hen doet denken aan de tijd dat de Amerikanen hier nog de scepter zwaaiden, voordat de Nederlanders kwamen, in de zomer van 2006. De Amerikanen traden zo hard op tegen de Taliban en iedereen die ervan verdacht werd hen te steunen, dat zij het wel uit hun hoofd lieten om het stadje onveilig te maken. Naar de reden van de huidige rust is het gissen. Vorig jaar namen rond deze tijd de gevechten juist toe. De opium was geoogst en afgevoerd, dus was er weer tijd en gelegenheid om de oorlog voort te zetten. Maar de Nederlanders vochten terug en doodden vele mid level commanders, zoals dat heet in militair jargon. Waarschijnlijk likken de Taliban nu hun wonden en richten ze zich op het bewerken van de bevolking met hun propaganda.
De rust biedt gelegenheid om opbouwprojecten uit te voeren. De Duitse ontwikkelingsorganisatie GTZ (Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit) heeft inmiddels een pand in het stadje betrokken. GTZ is ingehuurd door het Nederlandse ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking en werkt met Nederlands belastinggeld. Gert Both is tijdelijk teamleider en ontvangt ons in het ommuurde complex waar GTZ kantoor houdt. De muren van de qala zijn fris gestuukt en voorzien van glimmende rollen consertina, prikkeldraad met gemene uitsteeksels. Zijn verblijf is niet zonder risico. Als de Taliban willen, nemen ze hem en zijn Afghaanse medewerkers te grazen. Hij werkt nauw samen met de Nederlanders op Kamp Holland, maar maakt geen gebruik van militaire bescherming. ‘Dat is veiliger’, zegt hij. ‘Als je reist met militairen, ben je een doelwit.’ Both kiest ervoor om zich in lokale kledij en onopvallende wagens door de regio te bewegen.
Het kantoor is spaarzaam ingericht. Tot zover gaat het goed met de besteding van Nederlands belastinggeld. Het grootste en meest tastbare project waarmee GTZ zich bezighoudt, is de aanleg van een verharde weg van Tarin Kowt naar Chora, dwars door de Baloechi-vallei. Tot november vorig jaar waren de vallei en het Dehrafshan-gebied ten zuiden daarvan Taliban-territorium. Een groots opgezette operatie van Nederlandse troepen en de beruchte Brits-Nepalese ghurka’s maakte daaraan een eind. Maar de bevolking in het gebied is Isaf en de regering allerminst goed gezind, en er zijn nog steeds groepen Taliban actief. ‘We kunnen pas aan het werk als de veiligheid voor de lokale arbeiders goed geregeld is’, zegt Gert Both. ‘Ik overleg met de dorpsbewoners om tot een oplossing te komen.’
Eigenlijk kent hij de oplossing al, en die oplossing heet Matiullah Khan. ‘De mensen in de dorpen langs het traject hebben geen vertrouwen in de gewone politie. Die is corrupt. Van Kabul willen ze niets weten, dus ook het Afghaanse leger is een slechte optie. En Isaf heeft niet genoeg capaciteit. Het liefst laten ze de veiligheid verzorgen door hun eigen dorpsmilities. Maar als ik om de twee kilometer te maken heb met een andere commandant, gaat het mis’, zegt hij. ‘Ik heb Matiullah nu een paar keer gesproken en hij is bereid de zorg voor de veiligheid van de weg op zich te nemen. Ik probeer hem in contact te brengen met de dorpsoudsten en de stamleiders in het gebied. Het is niet de bedoeling dat hij zijn militie inzet. Ik ben al blij als hij een coördinerende rol speelt.’
Daar hangt een prijskaartje aan, beseft Both. ‘Voor tweehonderdduizend dollar per maand doet hij het. Van dat geld betaalt hij ook de commandanten uit het gebied.’ Aan dergelijke bedragen ontkom je niet, zegt Both. ‘Met wie je ook werkt. Voor het bieden van bescherming laat iedereen zich hier betalen.’ Voordat duidelijk werd hoe heikel de veiligheidssituatie rond de weg was, werden de kosten beraamd op twee- tot driehonderdduizend dollar per kilometer over een traject van dertig kilometer. ‘Maak daar maar zes- tot zevenhonderdduizend dollar per kilometer van, zegt hij. Dat is een stuk realistischer.’
Het is ondenkbaar dat Nederland belastinggeld gaat uitgeven aan een schimmige krijgsheer, beseft Both. ‘Ik kan niets beslissen zonder instemming van de Nederlandse ambassade in Kabul’, zegt hij. ‘En voor het uitgeven van tweehonderdduizend dollar per maand moet ik wél een bonnetje overleggen.’ In principe kan dat geregeld worden, want Matiullah is niet alleen militieleider, hij is ook politiecommandant. ‘Bij ons thuis wordt de politie soms ook betaald voor speciale diensten. Het beveiligen van risicovolle voetbalwedstrijden, bijvoorbeeld.’

Matiullah is net een ijsberg. Het grote illegale deel van zijn activiteiten bevindt zich onder water. Daarbovenuit steekt een topje dat het daglicht kan verdragen. Een klein deel van zijn militie, om precies te zijn 272 man, wordt betaald door het ministerie van Binnenlandse Zaken in Kabul en staat officieel te boek als politieagent. Tot maart van dit jaar was Matiullah Khan commandant van de Afghan Highway Police (AHP) met de rang van kolonel. Daarna werd de AHP opgeheven en ging zij over in een nieuwe organisatie, de Kandak Amniante Urzgan (KAU). De KAU is officieel geen politie, maar een beveiligingseenheid die zorg draagt voor de veiligheid op de gevaarlijke route van Tarin Kowt naar Kandahar.
Op zijn hoofdkwartier lopen Matiullahs mannen rond in groengrijze politie-uniformen. Zelf draagt hij een shalwar kameez met een versierd bidmutsje, de dagelijkse burgerdracht in Uruzgan. Op het terrein van de basis staat een grote roodwitte zendmast. Blijkbaar beschikken Matiullahs mannen over een eigen communicatiesysteem. Zijn strijdmacht lijkt in weinig meer op een illegale militie, eerder op een klein leger. ‘Hun bewapening is vrij goed’, vertelt een Nederlandse marechaussee die de stand van zaken op politioneel gebied in kaart probeert te brengen. Hij zegt dat Matiullah zijn mannen tussen de 150 en 200 dollar per maand betaalt, terwijl een gewone agent in dienst van de overheid zo’n 70 dollar krijgt. ‘Die jongens vechten dus graag voor hem.’
Matiullah heeft zich onmisbaar gemaakt voor de Nederlanders met zijn controle over de belangrijkste wegen in Uruzgan. Langs de weg van Kandahar naar Tarin Kowt en op de route van Tarin Kowt naar Deh Rawod liggen tientallen posten van Matiullahs mannen. Zij zorgen ervoor dat de bevoorradingskonvooien vanuit Kandahar ongeschonden Kamp Holland kunnen bereiken. Toen vorig jaar september de Taliban in de aanval gingen rond de Nederlandse basis Camp Hadrian in Deh Rawod, bleek hoe belangrijk Matiullahs militie is. Het gebied was nagenoeg omsingeld door de Taliban. Er was nog één weg naar Tarin Kowt open, en dat was de route die wordt beveiligd door Matiullahs mannen. Langs die weg, door de Murkhay-pas, konden de Nederlanders op een kritiek moment twee pelotons infanterie ter versterking aanvoeren.

Maar zo onmisbaar als Matiullah inmiddels is voor de strijd tegen de Taliban, zo bezoedeld is ook zijn blazoen. Zoals het een krijgsheer betaamt, wendt Matiullah zijn macht aan voor eigen gewin. Zijn mannen heffen tol op de wegen die zij controleren. Ook voor het vervoer van Isaf-containers langs zijn controleposten zou een flinke prijs worden betaald. Bovendien gaan er geruchten dat hij net als zijn oom JMK betrokken is bij opiumhandel. Zijn controle van de wegen in Uruzgan zou hem daartoe een uitstekende positie verschaffen. Daarvan wordt onder meer gewag gemaakt in een vertrouwelijk rapport over de situatie in Uruzgan uit juli 2006 van de Tribal Liaison Organisation, waarover De Groene Amsterdammer beschikt. Ook op Kamp Holland kent men de geruchten. ‘Maar hij is nooit betrapt’, zegt een Nederlander aldaar. In hetzelfde rapport wordt ervoor gewaarschuwd dat Matiullah en JMK verdeeldheid zaaien onder de stammen in de provincie. Door de vijanden van de Popolzai hard te onderdrukken, hebben zij een voedingsbodem gecreëerd voor de Taliban-opstand.
Misschien wel de belangrijkste reden om terughoudend te zijn met elke vorm van samenwerking is gelegen op het gebied van de mensenrechten. De Afghaanse regering en Isaf claimen dat de Taliban die schenden. Maar ook hun bondgenoot Matiullah laat zich wat dat betreft niet onbetuigd. ‘Hij zou eruit gegooid moeten worden door Isaf. Hij maakt de kloof tussen de Navo en de bevolking alleen maar groter’, zegt Qais Bowari, plaatsvervangend directeur van de AIHRC in Kandahar. De AIHRC-onderzoekers hebben mensenrechtenschendingen door Matiullahs mannen in het Dehrafshan-gebied en Mirabad opgetekend. Matiullah zou ook persoonlijk betrokken zijn geweest bij ernstige misdaden. In het Shahwali Kot-district van de provincie Kandahar werd een militielid van Matiullah tijdens een Taliban-aanval gedood. ‘Matiullah zelf ging een dorp in en doodde drie boeren die op hun land aan het werk waren. Hij beschuldigde hen van Taliban-sympathieën. De dorpelingen hebben bij ons een klacht ingediend.’
Gert Both van ontwikkelingsorganisatie GTZ kent de zwarte zijde van Matiullah. ‘Maar mensen kunnen een ontwikkeling doormaken. Vergelijk het met Jasser Arafat. Eerst was hij een terrorist, later kreeg hij de Nobelprijs voor de vrede. Bovendien is het de analyse van het provinciaal reconstructieteam dat Matiullah zich langzaam aan in de goede richting ontwikkelt.’
Matiullah Khan is niet onder de indruk van de beschuldigingen. ‘Ik heb niemand gedood. Vraag het aan iedereen. Ja, we doden Taliban, er wordt gevochten, het is oorlog. Maar zij zijn het die onschuldigen doden, niet wij.’ Ook van tolheffing zegt hij niets te weten. ‘Het provinciaal reconstructieteam van de Nederlanders doet niets voor mij. We krijgen geen enkele steun. Ik bekostig alles zelf.’ Maar hij ontkent niet dat hij zich laat betalen voor het vervoer van voorraden naar de Nederlandse bases. ‘We krijgen niet direct betaald door Isaf. Het gaat via reisbureaus. Die maken weer hun afspraken met Isaf voor de kosten van het vervoer.’ En wat krijgt hij voor het beveiligen van de weg naar Chora? Tweehonderdduizend dollar? ‘Dat bedrag klopt. Het is een heel moeilijk gebied, dus we hebben veel kosten. En Kabul betaalt maar voor 272 man.’
Tijdens ons gesprek wordt hij gebeld. Er wordt gevochten op de weg naar Kandahar. Een van zijn mannen is gewond geraakt. Hij hangt op en kijkt zijn secretaris, die evenmin een uniform draagt, veelbetekenend aan. ‘Zo gaat dat dus’, zegt hij dan. ‘Ik begrijp niet goed waarom u mij deze vragen stelt. Isaf is een gast van de Afghanen, dus ook van mij. Daarom help ik. Ik zorg ervoor dat er veiligheid is op de wegen en offer mijn mannen op om het werk te doen dat de gewone politie zou moeten uitvoeren. En wat krijg ik daarvoor terug? Ik krijg slechts overheidsgeld voor twee, drie controleposten. Ik heb er bijna zeventig. Dat betaal ik allemaal zelf. De ANP (de reguliere politie – jb) stelt hier niets voor. In het dorp Chanaka, maar een halve kilometer hiervandaan, zitten de Taliban. Isaf had er een checkpoint, maar wilde zich terugtrekken. Ze vroegen mijn hulp. Ik zou de post vasthouden totdat de politie die zou overnemen. Maar toen ik mijn mannen terughaalde, kwam er geen politie. Nu is de post vernietigd door de Taliban en hebben ze het dorp in handen.’
Na ons gesprek stelt Matiullah zijn terreinwagen ter beschikking om ons terug te brengen naar de gouverneurs-compound. De wagen is flink gepantserd en lijkt op die van de gouverneur. Die moet het echter zonder bepantsering stellen. Tussen ons in staat een glimmende kalasjnikov. Het wapen is spiksplinternieuw en lijkt in niets op de aftandse Indische kalasjnikovs waarmee de ANP is uitgerust. In de achterbak liggen top of the bill scherfwerende vesten en nog meer blinkende kalasjnikovs. Er ligt ook een holster met daarin een Glock-9mm. Dat type pistool, in gebruik bij de Nederlandse krijgsmacht, is een statussymbool in Afghanistan. Het is zeer gewild, maar nauwelijks verkrijgbaar.
‘Als de Nederlanders hiermee akkoord gaan, betekent dat dat de internationale gemeenschap de krijgsheren steunt’, zegt gouverneur Assadullah Hamdam. ‘Dit project is belangrijk voor Uruzgan, maar hoe kan ik erachter staan als de bescherming niet door mijn politie wordt geregeld, maar door een krijgsheer?’
Op Kamp Holland ziet men het dilemma. De Nederlanders spreken regelmatig met Matiullah in een regulier veiligheidsoverleg, want hij krijgt nog steeds overheidsgeld voor zijn 272 man. Dat geld blijkt overigens niet uit Kabul te komen, maar van Juma Gul, de politiecommandant van Uruzgan. ‘Een kwestie van loyaliteit’, meldt een bron.
‘Op dit moment vormt Matiullah de KAU en is hij dus een van de veiligheidsinstituties van de provinciale regering’, zegt kolonel Richard van Harskamp, commandant van Taskforce Uruzgan. ‘Daarom is hij een gesprekspartner. Maar dat betekent nog niet dat we met zijn militie in zee gaan.’
Luitenant-kolonel Michel Hubregtse, commandant van het Nederlandse provinciaal reconstructieteam (PRT), onderdeel van Taskforce Uruzgan, zegt weinig invloed te hebben op het al dan niet inhuren van Matiullah. ‘Als persoon heb ik daar mijn vraagtekens bij, en als commandant van het PRT ga ik daar niet over. Op de ambassade wordt besloten over de invulling van de projecten.’ Een analyse over Matiullahs verbeterde levenswandel kent hij niet. Wel was hem het bedrag van tweehonderdduizend dollar per maand voor het beveiligen van de aanleg van de weg naar Chora ter ore gekomen. ‘Dat zou ik maar eens aan Den Haag melden’, had hij tegen de vertegenwoordigers van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking in zijn PRT gezegd.
Diplomatieke kringen op de basis melden dat men op de hoogte is van het belaste verleden van Matiullah. Dat kan een reden zijn om niet met iemand te werken, heet het. ‘En in dit geval is dat zo.’ Dus: exit Matiullah?
Gert Both heeft dat nog niet officieel te horen gekregen. Maar hij ziet de bui al hangen. De weg naar Chora is het meest prestigieuze project dat de Nederlanders willen afronden, voordat de missie er in 2010 op zit. Zonder Matiullah ziet Both die weg er niet komen. ‘Ik hoop dat de ambassade me gaat vertellen hoe het dan wél moet. Zonder veiligheid kunnen wij niets in Uruzgan.’