Sport

Veld

Het is natuurlijk flauwekul dat wielrennen geen intellectueel hoogstaande sport is, en dat wielrenners niet heel slim zijn. Per slot van rekening reed in de jaren tachtig in het peloton Peter Winnen rond, die wel eens een boek van Tolstoj had gelezen. En Laurent Fignon, Tour-winnaar in 1983 en 1984, had een bril. Dus.

‘Zelfs de dieren van het veld roepen om u, nu elke waterstroom is opgedroogd en al het groen door vuur is verteerd’, staat in de bijbel. En God stort zijn woede wel eens over de gewassen van het veld uit. Met een veld kun je nog veel meer doen dan er alleen dingen op laten groeien en grazen. Je kunt erop rijden, bijvoorbeeld, hardrijden op de fiets. Veldrijden, heet het dan.

Zeg veldrijden en je hoort het zuigende geluid van dunne fietsbanden die zich een weg proberen te ploegen door dikke modder. Je hoort het hobbelende gebonk van zware benen door het zand. Het drassige krassen van een onderuit geschoven renner, die languit en plat in de drek belandt. Je hoort het pruttelende geblubber van coureurs die met verbeten koppen jagen op de leider in de koers.

Kromgetrokken voorwielen schuren tegen elkaar, verwrongen sturen raken in de knoop. Horten en stoten. Schobberdebonken.

Zondag werd de Superprestige-wedstrijd in Sint-Michielsgestel gewonnen door Sven (‘Very’) Nys. Hij was ongenaakbaar, zoals hij al tijden ongenaakbaar is. Beste Nederlander was Richard Groenendaal, derde. Maar zijn tijd komt nog.

Richard Groenendaal houdt van een ‘zwaar parcours’, zegt hij altijd. Dat ligt hem beter dan zo’n makkelijk licht parcours. November is zijn maand: dan wordt het koud en klierig weer, en is er meer modder dan anders. Dan bloeit Richard op.

’s Nachts droomt hij van een soppende zondagmiddag ergens in druilerig Brabant, in de miezerregen, in van dat middaglicht dat ook avondlicht zou kunnen zijn, zo’n dag waarop het nooit echt licht wordt – en dan laat Richard zien wie hij werkelijk is, en wat hij werkelijk kan.

Stampend en stoempend, glijdend en glibberend.

Je ruikt het bijna als je het ziet: een nauwelijks te onderscheiden paadje door het bos, tussen weilanden, dat het parcours is voor de veldrijders, of cyclecrossers. Je ruikt de koeienstront die in de wei van de boer verderop ligt te dampen. De natte schors van de bomen waar rood-witte plastic linten omheen zijn gebonden om een handvol treurige toeschouwers te bedwingen. De modder, de zieke aarde, het water in plassen op de grond, het water in stromen uit de hemel.

En daar tussendoor rijden ze, de mannen. Sven Nys voorop, want die rijdt altijd voorop, omdat hij nu eenmaal ongenaakbaar is, de beste en de snelste. Nys is een Belg, en wordt kampioen van de wereld.

Eigenlijk moet je niet eens onderscheid maken tussen Belgen en Nederlanders. Ze komen allemaal uit hetzelfde land, een Brabant-achtig land dat zowel in België als in Nederland ligt. Noord- of Zuid-Brabant. Brabants Limburg, of Limburgs Brabant. Belgisch Brabant of Belgisch Limburg. Of de Peel.

Langs de kant staan de treurige, doorweekte toeschouwers, vader en zoontje onder een te kleine paraplu, te genieten van de wedstrijd, want het is zondagmiddag en ze zijn samen op stap, zonder mama, hè jongen, en kijk, daar komt Sven (‘Very’) Nys voorbij, wat is-ie weer ongenaakbaar hè? En daar, die rare Vervecken, zie hem stoempen.

Pure poëzie is het, zo’n zondagmiddag.

Gerben de Knegt krijgt een lekke band en gooit zijn fiets boos weg maar springt al weer op een andere fiets, glijdt uit, staat op, gooit de fiets over zijn schouder en gaat lopend verder. Dat hoort erbij, dat lopen, dat doen ze expres: op het parcours zijn hindernissen aangebracht die de renner nopen zijn fiets op te pakken en te voet verder te gaan.

Sommige veldwielrenners zijn daar heel goed in, in rennen op de voeten. Andere zijn weer beter in andere dingen. Maar allemaal houden ze van modder.

Mannen die echt van modder houden, die zich erin wentelen, erin duiken en vallen en springen, erin spelen, als kleine jongetjes die zich van hun moeder eigenlijk niet vies mogen maken maar dat toch doen. Misschien is die veldrijders-drekliefde een vorm van regressie naar die tijd, de tijd dat er in de modder gespeeld werd en dat dat lekker was en leuk en spannend.

De poëzie van de viezigheid, de vlekken, de bulten en de schrammen. De bebloede koppen, de ogen op oneindig, de gezichten vol vegen. In het Brabantse land. Het is alsof G.A. de Génestet speciaal hiervoor dichtte: ‘O land van mest en mist, van vuilen, kouden regen,/ Doorsijperd stukske grond, vol killen dauw en damp,/ Vol vuns, onpeilbaar slijk en ondoorwaadbre wegen,/ Vol jicht en parapluies, vol kiespijn en vol kramp!//
(…)
Uw kliemerig klimaat maakt mij het bloed in de aderen/
Tot modder; ’k heb geen lied, geen honger, vreugd noch vreê./ Trek overschoenen aan, gewijde grond der Vaderen,/ Gij – niet op mijn verzoek – ontwoekerd aan de zee.’