Toneel

Veldslag van opportunisme

TONEEL De wilde eend (2)

In de decorinstructies voor zijn stuk De wilde eend probeert de Noorse schrijver Henrik Ibsen iets uit waar wij anno 2008 niet meer van opkijken, maar wat in 1884 het effect had van een orkaan: twee ruimtes binnen één toneelbeeld, waardoor de mogelijkheid ontstond twee handelingen nagenoeg tegelijkertijd te laten zien, dan wel snel achter elkaar te monteren.

De ene ruimte is het fotoatelier van Hjalmar Ekdal, klein en gezellig, de kamer voor de gewone gesprekken van alledag, die langzaam maar zeker oplopen tot conflicten van existentiële en levensbedreigende hoogten. De tweede ruimte is een zolderkamer, ‘met hoeken en nissen en een paar losstaande schoorsteenpijpen. Het maanlicht schijnt op sommige gedeelten van de zolder, terwijl de rest in de schaduw ligt. Er vliegen een paar duiven door de ruimte, terwijl andere op de balken zitten te koeren. Er kakelt af en toe een kip. Er huppelen wat konijnen rond.’

Er schijnt daar ook een wilde eend te wonen, vleugellam, door een hond gered uit de algendiepten van een rivier, nu op die zolder liefdevol verzorgd. Terwijl in het fotoatelier van Hjalmar Ekdal de levensleugens schil na schil worden afgepeld, wordt op die macabere zolder een reeks illusies in stand gehouden. Hedwig, het dochtertje van Hjalmar Ekdal – die niet de biologische vader blijkt te zijn – koestert de wilde eend als een symbool van hoop en troost, terwijl ze zelf niet weet waar ze op hoopt en waarom ze zou moeten worden getroost. Verder is de macabere zolder het domein van de oude Ekdal, voormalig boswachter in het noorden, waar hij beren schoot en een held was (prachtrol van good old John Leddy). Nu is de zolder zijn bos (met vervallen kerstbomen als flora). Hij schiet er geen beren meer maar zijn eigen konijnen, die hij zelf vilt. Het is van een treurigheid waar je eigenlijk niks van wilt weten.

In de regie van Maaike van Langen (Theatercompagnie), in het kaalgeslagen toneelbeeld van Andreas Freichels en het steriele licht van Mark Heinz, is die griezelzolder helemaal verdwenen. Hij is ergens achter, bereikbaar via kruip-door-sluip-door-gangen, voor ons onzichtbaar. De wilde eend duikt tegen het eind op via een speelgoedgrap, die ik niet verklap (hij is flauw, maar wel erg raak). Goeie regisseurs zijn toneelmakers die brutaal durven te kiezen en de consequenties van hun keuzes vervolgens onverschrokken tegemoet treden. Maaike van Langen is zo’n goeie regisseur. Door in de pathologische symboliek (excuus, Henrik Ibsen) stevig te snoeien, raakt ze in één beweging tevens het onverdraaglijk moralisme (sorry, Henrik Ibsen) kwijt en houdt ze over wat ze klaarblijkelijk in deze versie van De wilde eend graag wilde laten zien: de veldslag tussen uiteenlopende vormen van opportunisme.

De mooiste rol in dit pandemonium van lafhartigheden is voor Hjalmar Ekdal, hier gespeeld door Jasper Boeke, eindelijk weer eens terug in een fraaie, heldere, onthutsende rol. Het personage dat hij speelt is misschien wel het meest heldere voorbeeld van de winst die je haalt uit een gewaagde regiekeuze: Hjalmar Ekdal is hier geen slachtoffer meer, maar mededader, architect van het leugenpaleis waar hij zogenaamd gelukkig was. Eventjes wordt hij heel erg boos (want, oei, oei, oei, bedrogen door zijn vrouw, zijn kind niet echt zijn kind). Daarna keert hij terug in de gezelligheid en hij vreet iedere nieuwe vernedering alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Dat maakt deze versie van De wilde eend trouwens ook een gebeurtenis om erg om te lachen. Grimlachen, dat wel.

De Theatercompagnie, De wilde eend, tot 28 maart