Van de eenvoudige dingen die je op de zomerse zondag altijd in huis hoort te hebben is de sardine, is vooral de sardine, graag tot wederdienst bereid.
Steeds opnieuw een verrassing te zien hoe de vier bolle buikjes die daar in het donker, totdat opeens het sardienensleuteltje de deur opende, zo komisch de quadrille oefenden, er nu weer zo rustig bijliggen.
Opstaan en uitstappen gaat wat omzichtig. Er mogen zeker geen kleerscheuren of winkelhaken in de dunne jasjes komen. Vooral het blauwe ruggetje, waarover ook nog een ver schijnsel van veldspaat hangt, moet ontzien worden. Geen rottiger sardine dan een sardine met een gat erin.
Lopend Beaujolais-onderzoek vereist een bijdrage van de fles Fleury. Dat is nu eens echt een wijn die niet naar zijn naam smaakt. Eerder een vleugje spatbord, maar dat went snel want het gompele visje smaakt naar betere kettingkast. Opnieuw krijg ik behoorlijk last van waarom, maar zet door.
Zo heb ik ook mijn twijfels over de komende koude zomersoep. Ga maar na.
Honderd gram gedroogde abrikozen 24 uur in koud water leggen. Vijfhonderd gram meloen, zonder schil of pit, koken in het weekwater van de abrikozen. Af laten koelen en één eigeel, een klontje bruine Javaanse suiker, halve theelepel kaneel, wat zout en puntje van het kleinste mes cayennepeper erbij. Alles samen in de keukenmachine tot zalfachtige vloeistof malen en daarna heel koud laten worden. In het bord of in de kom, in beide gevallen op het oppervlak met een dun straaltje room een welsprekend ornament naar keuze aanbrengen.