Leerlingen van de Taman Siswa-school bij het bureau van een leerkracht, Indonesië, 1947; © Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum / ANP

Nyoman Sidemen (1937), een gepensioneerde historicus en docent aan de Universitas Udayana in Denpasar, deed jaren geleden een bijzondere vondst, zo vertelde hij in een kantoorruimte van de universiteit. Hij vond het dagboek van zijn vader, Ida Wayan Sidemen (1906-1946), een nationalistische leraar. Sidemen jr. las het boekwerk van kaft tot kaft, gebruikte het voor een biografie, maar constateerde jaren later tot zijn teleurstelling dat het in de la waarin hij het had gestopt was opgegeten door de insecten. Ik bezocht hem samen met Ni Made Frischa Aswarini in Denpasar om over de rol van zijn vader te praten als leraar op koloniaal Bali, en over diens dood tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd als gevolg van mishandeling door het Nederlandse leger. ‘Ik heb mijn vader ontzettend gemist.’

Totdat hij de biografie las en met zijn vaders oude collega’s sprak wist Sidemen jr. weinig van vaders verleden als verzetsman. Hij ontdekte bijvoorbeeld dat Ida Wayan Sidemen in zijn dagboek schreef over zijn betrokkenheid bij de vooroorlogse nationalistische organisatie Gedong Susila. Deze organisatie probeerde de gewone Balinees te emanciperen. Bali ging in de jaren dertig gebukt onder een torenhoge belastingdruk en de mensen waren straatarm. De Balinezen leefden in de veronderstelling dat de vorst van Klungkung, het regentschap waar de familie Sidemen vandaan kwam, hun de zware belastingen oplegde. Maar in werkelijkheid was dat controleur Nuhaan, een getrouwde ambtenaar die er volgens Sidemen jr. een affaire op nahield met zijn tante, een beeldschone Balinese. De Gedong Susila vertelde de mensen dat de Nederlandse controleurs, de Tuan Kontlir, zoals Nuhaan, op Bali de scepter zwaaiden en dat zij de vorsten controleerden.

Sidemen sr. gaf in de koloniale tijd ook les aan de Balinese Prayoda-militairen, een door het Nederlandse gezag opgericht Balinees hulpcorps, en hij leerde hun over de Merah Putih, de vlag van Indonesië. Tijdens de Japanse bezetting liet Sidemen de kinderen op school een Nederlandse vlag, een witte vlag met een rode stip erin en een rood-witte vlag zien. ‘Hij wilde hen laten begrijpen wat kolonialisme, fascisme en nationalisme betekenden’, aldus zijn zoon.

Sidemen kwam uit Klungkung, in het oosten van het eiland, maar de betrokkenheid van leraren bij de nationalistische boodschap kwam vooral vanuit het noorden van Bali, het regentschap Buleleng met de hoofdstad Singaraja. Dat gebied werd al in de jaren twintig en dertig een vruchtbare bodem voor de oprukkende nationalistische beweging die van Java naar het eiland oversloeg. In 1928 paste de nationalistisch geïnspireerde organisatie Budi Oetomo haar statuten aan met het streven om te komen tot de harmonische ontwikkeling van ‘land en volk van Java, Madoera, Bali en Lombok’.

De Balinese nationalisten zochten op hun beurt samenwerking met de overkoepelende beweging in de archipel. Veel intellectuelen kregen onderwijs op Java en raakten bevlogen door nationalistische ideeën. Ze deden mee aan debatten over nationale onafhankelijkheid en werden geïnspireerd door nationalisten als de Minangkabauer Mohammad Hatta, die in Leiden had gestudeerd en later de eerste vice-president van de Republiek Indonesië zou worden.

Verzet op Bali

Nadat Soekarno en Mohammad Hatta op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië hadden uitgeroepen, werd die door Nederland niet erkend. Nederland richtte zich, om tegenwicht te bieden aan de Republiek, toen al snel op Oost-Indonesië. Tweeduizend Nederlandse militairen van het KNIL herbezetten Bali op 2 maart 1946. Dat waren vooral ex-krijgsgevangenen die tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië als dwangarbeiders aan de Birma-spoorweg hadden gewerkt. Deze koloniale bezetting liep al snel uit op een bloedige guerrillastrijd onder leiding van de Balinese verzetsleider I Gusti Ngurah Rai. Uit de Nederlandse archieven, en ook op Bali zelf, blijkt dat de strijd om onafhankelijkheid op het eiland al ver voor 1945 was ingezet, en dat Balinese leraren daarin een belangrijke rol speelden.

Dit was ook de tijd dat het Maleis opkwam als de lingua franca van de archipel, de taal van het nieuws, de handel en de voertaal van de nationalistische beweging. Tegelijkertijd kwamen vanuit Java de nationalistisch geïnspireerde onderwijsbeweging Taman Siswa en de politieke partij Partai Indonesia Raya (Parindra). Beide werden al snel populair op Bali. De Taman Siswa-scholen behoorden tot de belangrijkste centra voor het nationaal bewustzijn. Ze vormden de mentale, filosofische en fysieke structuur voor nationalisme en antikoloniale weerstand. Dat was op Java ook zo, waar bijvoorbeeld de schrijfster Soewarsih Djojopoespito als vrouw in het nationalistische onderwijs werkte.

De leraren op Bali verklaarden de Indonesische strijd vanuit de komst van de Portugezen naar de archipel begin zestiende eeuw, en daaropvolgend de Nederlanders, beide indringers die de oorspronkelijke bewoners uitbuitten. De nadruk binnen de nationale beweging lag op een gedeeld gevoel van broederschap, een bereidheid om te lijden voor het bereiken van een doel. De Balinese nationalist Nyoman Pegeg was een van de oprichters van de scholen op Bali en onderhield contacten met de groep rond de Indonesische nationalist Sutan Sjahrir op Java. Sjahrir zou later de eerste premier van het vrije Indonesië worden. Er werden daarnaast nog meer soortgelijke scholen opgericht die door de koloniale overheid als ‘wild’ werden aangemerkt.

De vrijheidsboodschap verspreidde zich op Bali via de scholen, aldus veteraan Nyoman Sardya Udaya, die destijds les kreeg op een van de scholen. ‘De lessen waren niet anti-Nederlands, maar de leraren hamerden wel op vrijheid’, zei hij achteraf. Naast het lesgeven manifesteerden de leraren zich ook in het geheim, zo blijkt uit een interview met de zoon van de nationalistische leraar Sidemen. De lerarenorganisatieGedong Susila waarbij Sidemen was aangesloten was geïnspireerd op de Taman Siswa. De leraren gingen de dorpen in om de principes van de Taman Siswa uit te leggen.

Leraren vormden een belangrijke motor voor verandering. Tijdens de jaarlijkse viering van Koninginnedag weigerden de leerlingen van een Taman Siswa-school onder leiding van het Javaanse schoolhoofd om de uitgedeelde Nederlandse vlaggen aan te nemen, wat als een teken van gezagsondermijning werd gezien. In Singaraja werd een Chinese leraar gearresteerd die de jeugd ‘extremistisch’ zou beïnvloeden. Leraren waren ook elders in de archipel voorlopers in de nationalistische beweging. In Boven-Digoel, het interneringskamp voor politieke tegenstanders in Nieuw-Guinea, zaten volgens historicus Rudolf Mrázek bovengemiddeld veel leraren vast.

geheel rechts: oudere leerlingen van de Taman Siswa-school, Indonesië, 1947 © Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum / ANP

Ook de oprichting in 1925 van de intellectuele dissidentengroep Surya-Kanta, ‘Mooie Zon’, in Buleleng kwam tot stand onder leiding van een onderwijzer. I Nengah Metra was een belangrijke intellectueel, een kritische, antikoloniale geest met politieke ambities. Om die reden stond hij op het vizier van de pid, de vooroorlogse Politieke Inlichtingen Dienst. Hij was van eenvoudige komaf, leidde in 1930 de nationalistische Parindra-partij in Singaraja en was ook kandidaat geweest voor de Volksraad, een Indonesisch adviesorgaan. Maar hij zou het vanwege zijn kritische houding nooit tot lid van die raad schoppen. Het Nederlandse gezag zag dat niet zitten en verbande hem zelfs naar Lombok, waar hij opnieuw organisaties oprichtte ten behoeve van het welzijn en de educatie van arme mensen.

Zijn verbanning zal er ook mee te maken hebben gehad dat de Surya-Kanta een vereniging was die zich uitsprak voor erkenning van de kennis van de sudra, de lagere kaste. De publicatie van het maandblad Surya Kanta - en ook een tijdschrift als Bali Ardhana - bood de lagere kasten de mogelijkheid om hun mening uit te drukken en in discussie te gaan met intellectuelen uit hogere klassen. Woorden als ‘progressie’ en ‘kennis’ stonden daarbij centraal.

‘Zo’n ondervraging is vreselijk, vreselijk, en als het meer dan één keer gebeurt, ben je gestigmatiseerd voor het leven’

In het eerste nummer van het tijdschrift verscheen een in het Maleis geschreven gedicht dat de nieuwe tijden aankondigde en laat zien hoe Balinezen daar zelf richting en betekenis aan gaven.

O! Tijd
We zeggen goedemorgen
Tegen lezers, mannen en vrouwen
We roepen de hele dag uit
Steun S.K. (Surya Kanta) de zelfredder
Verlicht de geest, zichzelf sturend
Het schijnt op heel Bali en Lombok
Het probeert het lot van de jaba (de gewone man) te verbeteren
Het kwam op in de stad Singaraja
Zijn nut voor ons is groot
Het zal een instrument zijn om de ogen te openen
Om te schijnen op een wereld die vele kasten heeft
Hallo mijn volk, intellectuelen
Onze religie moet onderwezen
Wat goed is moet worden nagestreefd
We kunnen gelijk zijn aan andere naties
Om dit doel te bereiken
Moeten we één worden
Kracht verkrijgen zodat we zeker zijn
Het doel een voor een uitleggen
Vele hindernissen zullen er zeker zijn
Ze versterken het doel van de Surya-Kanta
Insya’allah zullen onze doelen worden bereikt
Ontwikkel de geest, breng het niveau van de kaste omhoog
Hier stopt de schrijver
Vreemde zinnen, vergeeft u alstublieft
Dank u zeggen we
Lang leve S.K. roepen we uit

Het koloniale bestuur ging eerst op zoek naar kleine foutjes die I Nengah Metra had gemaakt, aldus een Balinese getuige achteraf. ‘De Nederlanders zijn daar goed in.’ Daarna werd hij beschuldigd van fouten en voortdurend bespioneerd door de politie, wat hem mentaal opbrak. Hij moest constant over zijn schouder kijken.

De controle op scholen en op leraren, zoals op Metra, werd uitgevoerd door de in 1916 opgerichte pid. De werkzaamheden van de pid op Bali zijn maar weinig onderzocht. De organisatie maakte gebruik van lokale informanten. De belangrijkste taak was het observeren van radicale politieke organisaties. Historica Marieke Bloembergen, die rapportages inzag van civiele bestuurders op Java, maakte inzichtelijk dat de pid zich daar schuldig maakte aan de mishandeling van verdachten.

Ook onderwijzers lijken aan ondervraging te zijn onderworpen, zoals de Balinese nationalistische onderwijzeres Ibu Gedong Oka. Ze werd ervan verdacht het V-teken te hebben gemaakt. ‘Zo’n ondervraging is vreselijk, vreselijk, en als het meer dan één keer gebeurt, ben je gestigmatiseerd voor het leven’, zei ze er achteraf over tegen historica Tessel Pollmann. Ze werd ondervraagd over het niet meezingen van het Wilhelmus. Ze zei dat ze het eerste couplet niet wilde zingen, ‘Wilhelmus van Nassouwe ben ick, van Duitschen bloet’. Maar het zesde couplet met ‘“Op u zo wil ick bouwen”, ja, dat vond ik mooi. Dat wilde ik wel zingen.’

Hoewel er angst voor repressie heerste, zijn er opvallend genoeg in de politiek-politionele overzichten van historicus Harry Poeze in die tijd toch ten minste zo’n twintig organisaties te onderscheiden, waaronder vele van nationalistische of politieke aard, of specifiek gericht tegen het hindoeïstische kastenstelsel, dat onder invloed van de Nederlanders rigide was ingericht. En dan waren er nog organisaties waarvan niet kon worden vastgesteld wat ze precies beoogden. Op 3 februari 1928 had de politie een Javaan opgepakt die de organisaties Soerapati (vrij vertaald ‘Dapper sterven’) en Sama Barata (vrij vertaald ‘Eendracht maakt macht’) had opgericht. Het aantal volgelingen werd door sommigen op zevenhonderd geschat, door anderen vele malen hoger.

De vele organisaties droegen vooral ideeën uit over een betere samenleving. Deels waren die aan de oppervlakte zichtbaar, maar veel vaker werden ze aan de waarneming onttrokken. Zo organiseerde leraar I Wayan Likes geheime vergaderingen onder het mom van dansvoorstellingen. Een groep Balinezen kwam tijdens de voorstellingen samen om hun onvrede te bespreken over de grote macht die de vorsten hadden en het gebrek aan onderwijs voor gewone mensen. De Balinees Rai Susandi was pas zeven jaar toen hij deelnam aan een van de vergaderingen, die soms wel tot in de ochtenduren duurden, zo vertelde hij tijdens een bezoek aan zijn huis in Denpasar. Ze aten noedels voor de vergadering en zaten in kleermakerszit. Hij herinnerde zich dat de aanwezigen over antikoloniale strategieën spraken en dat er een anti-Nederlands sentiment heerste.

Hoe omvangrijk de vooroorlogse nationalistische beweging op Bali was, of het nationalistische netwerk dat ontstond, is moeilijk vast te stellen, ook omdat het in het geheim plaatsvond. Maar de belangrijke rol van leraren die jongeren inspireerden, zoals de Taman Siswa, is opvallend.

De Nederlandse gemeenschap op Bali had aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog ondertussen maar weinig vertrouwen of interesse in de verzelfstandiging van Indonesiërs. Handelsagent Bram Schotel, die op Bali verbleef, zei achteraf dat dat doel voor hem destijds ver in de toekomst lag. ‘Misschien zo tegen het eind van deze eeuw. Iets wat ikzelf niet meer zou meemaken.’ Ook Huib van Mook, de in 1894 in Semarang geboren indoloog en een voor die tijd progressieve politicus, hield vast aan een diep geïnternaliseerde paternalistische overtuiging. Hij was als opkomend staatsman een bevlogen voorvechter van verzelfstandiging en bezigde al vroeg het woord ‘Indonesiër’. Toch vond ook hij dat Indonesiërs nog niet rijp waren om zelfstandig te zijn. Dat zou gedurende de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd ook pijnlijk duidelijk gaan worden.

Veel leraren namen na de Japanse capitulatie deel aan de verzetsbeweging, nadat de Nederlanders in 1946 terugkeerden op het eiland. Zij namen het voortouw als het ging over maatschappelijke verandering. Hun rol lijkt enigszins op die van de predikanten die de massa’s aanvuurden tijdens de zestiende-eeuwse Opstand van de Republiek tegen de overheersing door Spanje. Het waren toen godsdienstige intellectuelen die de vrijheid predikten. De leraren stonden, net als Erasmus dat in de Lage Landen had gedaan, het zelfstandig nadenken voor. Onder de Japanners hadden ze meer vrijheid gekregen om het met hun leerlingen over onafhankelijkheid te hebben.

Een veteraan uit Ubud leerde op de middelbare school van zijn leraren Engels, maar ook hoe je wapens gebruikt. ‘Leraren waren als vrijheidsstrijders.’ Een veteraan uit Buleleng leerde op school over de betekenis van vrijheid. De plichten die de Japanners hun oplegden – naar school met een kaalgeschoren hoofd, dwangarbeid – betekenden onvrijheid. Vrijheid kon alleen worden gerealiseerd vanuit het ideaal van een Indonesische natie. ‘De lessen over kolonialisme gingen over het kwaad van zowel de Japanners, als ook van de Hollanders.’

‘Mijn vader heeft gezegd: we vechten voor mensenrechten, tegen een land dat de betekenis daarvan niet kent’

De activiteit van de leraren viel ook de Nederlandse rapporteurs op. ‘Het is een opmerkelijk feit, dat zich onder de verzetsleiders en propagandisten in de verschillende desa’s verschillende perbekels (dorpshoofden – alh) en goeroe’s (leraren – alh) bevinden’, zo schreef een inlichtingenofficier met enige verbazing. ‘Men kan wel zeggen, dat dit de meest fanatieke zijn.’ De bekende verzetsleiders Widja Kusuma, Wayan Likes, Dewa Made Kaler en Nourai waren allen onderwijzers van de Taman Siswa geweest. I Gusti Putu Merta, in december 1946 de oprichter van de politieke partij Parrindo, was leraar en ook Made Mendra, het latere parlementslid van de deelstaat Oost-Indonesië, was een onderwijsambtenaar uit Buleleng.

Het was opnieuw vooral Buleleng op Noord-Bali, de vooroorlogse smeltkroes van culturen en intellectuele ideeën, dat als broedplaats fungeerde voor revolutionaire onderwijzers. Dat had waarschijnlijk ook te maken met de vorst van dat landschap, de Pandji Tisna, die in de jaren dertig romans had geschreven over verandering. Een daar gestationeerde luitenant noemde Singaraja tijdens een politieonderzoek ‘een van de meest actieve verzetshaarden’. Een andere luitenant vertelde tijdens hetzelfde onderzoek dat Buleleng ‘het meest moeilijke gebied is van heel Bali’. Er bevonden zich namelijk de meeste ‘half-intellectuelen’, en ‘een zeer uitgebreide schare van onderwijzers’, veel leerling-onderwijzers en twee mulo-scholen, aldus de luitenant. De Nederlandse troepencommandant noemde de houding van de leraren in Buleleng ‘bepaald vijandig’. Het ‘rood/wit gedoe’ was zelfs zichtbaar tijdens een wandeling van scholieren toen een leerling in ‘een knalrood shirt en helderwitte broek’ rondliep.

Een scholier van de Taman Siswa-school met een blinde kaart van het Indonesische grondgebied, Indonesië, 1947 © Cas Oorthuys / Nederlands Fotomuseum / ANP

De houding van de leraren leidde opnieuw tot harde repressie. Zo schreef de republikeinse krant The Voice of Free Indonesia dat de Nederlanders op Bali jonge mensen, journalisten, de republikeinse gouverneur en ook leraren hadden gearresteerd. ‘De Nederlanders bespioneerden de leraren’, vertelde de bejaarde Putu Sulatera (1936) uit de plaats Seririt daarover. Ze werden verdacht van revolutionair gedachtegoed en daarom durfden ze geen les meer te geven op school. Onder de gevangenen in een kampement in Singaraja, verdacht van verzet tegen het Nederlandse gezag, zaten dan ook vele onderwijzers. Een Nederlandse zendingspredikant uit Singaraja bezocht een leraar in een gevangenkamp die naar eigen zeggen niets had misdaan, ook geen wapens droeg, maar wel vastzat en was geslagen door de militaire inlichtingendienst, de mid.

Ook de vader van Sidemen jr. kwam al snel in het vizier van de inlichtingendiensten. Vader had na de Japanse capitulatie voor de ogen van zijn leerlingen de Japanse vlag naar beneden gehaald, en hees toen een zelfgemaakte Merah-Putih-vlag, vervaardigd uit een vlieger. Een collega stond ernaast en zong een lied, aldus zijn zoon die erbij was. ‘Ik wist al dat dat het Indonesia Raya moest zijn, want hij zong merdeka, merdeka, tanahku negeriku yang kucinta’, ‘onafhankelijk en vrij, ons geliefde land’.

De centrale inlichtingendienst nefis kwam na de Nederlandse landing al snel met een truck met vier Japanners erin om zijn vader te arresteren, aldus Sidemen jr., die zich de gebeurtenis nog levendig herinnert. Hij denkt dat het te maken had met de rood-witte vlag die zijn vader kort daarvoor had gehesen. Hij had geen geweld gepleegd, bezat geen wapens, hij was een civiele verzetsman. ‘Mijn vader had een zwarte peci op toen hij werd gearresteerd.’ Ook droeg hij een nette broek en had hij een rood-witte badge in zijn zak zitten, aldus zijn zoon. Zijn moeder was erg overstuur en moest nachtenlang huilen na de arrestatie.

De arrestatie zal er ook mee te maken hebben gehad dat een controleur niet lang ervoor in een verslag klaagde dat het onderwijs tot voor kort geheel ‘op Japanse leest’ was geschoeid, bevorderd door de vroegere schoolopziener Sukrata, die hij ‘een bekend collaborateur en Europeanen-hater’ noemde en ‘een republikeinse voorman’. Sukrata was net als Sidemen lid van de nationalistische lerarenorganisatie Gedong Susila en werd op 28 maart in Singaraja gearresteerd. Rond diezelfde tijd werd ook Sidemen opgepakt en vastgezet in Singaraja.

Ook het dorpshoofd werd opgepakt, de verzetsman Made Orta. Na de oorlog vertelde Orta aan Sidemen jr. over de behandeling van zijn vader in een van de gevangenkampen in Singaraja. ‘De soldaten sloegen hem met rubberen sticks.’ ’s Nachts vertelde Sidemen tegen zijn medegevangenen dat ze geen wraak moesten koesteren tegen de Nederlanders. ‘Mijn vader heeft gezegd: we vechten voor mensenrechten, tegen een land dat de betekenis daarvan niet kent.’ Het was een van de kerntaken van de Gedong Susila, zo vertelde Orta, om de Nederlanders ervan bewust te maken dat ze vrienden van elkaar waren en geen vijanden.

Een jaar later werd Sidemen sr. teruggebracht naar zijn familie in Klungkung. Hij was bont en blauw geslagen en hij spuugde bloed. ‘Zijn lichaam was vernietigd’, aldus zijn zoon. Sidemens moeder was inmiddels hoogzwanger. Sidemen bracht zijn vader elke dag met een dokar, een kleine wagen, naar een Japans ziekenhuis. ‘Het was heel erg triest.’ Na drie maanden bezweek zijn vader aan zijn inwendige verwondingen, een zwaar verlies dat de familie in armoede stortte. Moeilijke jaren braken aan, waarbij hij als elfjarige voor en na school bloemen en hout moest verzamelen om te verkopen. ‘Het dorp was onderling solidair, de meeste mensen verkeerden in slechte economische omstandigheden.’

In de Nederlandse archieven is de dood van Sidemen niet terug te vinden. Voor Sidemen jr. bleef zijn vader een held, al heeft hij nooit een officiële status of erkenning gekregen als veteraan. Helden sterven op Bali op het strijdtoneel, zei Sidemen jr. daar achteraf over. ‘Hij was geen militair, maar een gewone burger.’ Zijn vader bezweek aan de martelingen waaraan hij was onderworpen vanwege zijn politieke stellingname. Een strategie die niet alleen onmenselijk was, maar ook helemaal niets uithaalde. Enige tijd voor zijn overlijden had zijn vader tegen zijn zoon gezegd: ‘Ik ben als een Balinees geboren, ik zal als een Indonesiër sterven.’

Ook een andere bekende vooroorlogse leraar van de Hollandse Inlandse School uit Singaraja, I Nengah Metra, de oprichter van het eerdergenoemde vooroorlogse nationalistische blad Surya Kanta, ‘Mooie Zon’, moest in 1946 onderduiken voor de Nederlandse militairen. Veteraan I Gusti Ngurah Pindha omschreef Metra in zijn memoires als bijzonder integer en humaan, een groot redenaar, die zijn laatste bezit nog aan anderen zou geven. ‘Zijn expertise op politiek vlak was op dat moment in Bali ongeëvenaard’, aldus Pindha. ‘Als hij sprak of een redevoering hield, klonk zijn stem geagiteerd en hij betoverde de mensen om hem heen.’

In 1945 koos Metra voor de Republiek Indonesië en mobiliseerde de jeugd op Bali. Hij zat ondergedoken in de plaats Kedis in Buleleng, en de bedoeling was dat hij politiek adviseur van de grote Balinese verzetsleider I Gusti Ngurah Rai zou worden. Maar het liep anders. Op 5 mei 1946 – op zijn 44ste verjaardag – verliet Metra zijn schuilplaats en liep naar het nabijgelegen Selat, waar de strijders hun basiskamp hadden opgeslagen. Volgens het Balinese verhaal gaf hij daar twee karabijnen af die bedoeld waren voor zijn bescherming. Hij spoorde de jongeren aan door te blijven vechten, maar zei dat hij er zelf niet lang meer zou zijn. ‘Geef je ziel voor de onafhankelijkheid’ en ‘vecht op basis van eerlijkheid!’ riep hij uit. Een Nederlandse eenheid omsingelde de groep nog geen twee uur later en schoot hem samen met drie andere strijders dood. Hij had kunnen ontsnappen, schreef Pindha, maar hij liep naar een plek waar de vijand hem kon raken, alsof hij zijn eigen dood had uitgekozen.

In het wekelijkse inlichtingenrapport van de nefis staat te lezen dat een compagnie op 4 mei bij Selat acht ‘terroristen’ had gedood. In een ander verslag wordt gesproken van een ‘zuivering’ van het gebied ten zuiden van Selat op 5 mei, waar een hoofdkwartier was ontdekt. Metra kreeg een herdenkingsmonument op de plek waar hij werd gedood, waarop vijf namen staan geschreven, en er is een straat naar hem vernoemd. Een zoon van een andere verzetsstrijder die tegelijk met Metra werd gedood vertelt bij navraag in Selat dat ook zijn vader leraar was. Hij had van zijn grootouders vernomen dat Nederlandse militairen zijn vader hadden meegenomen en hadden doodgeschoten.

Ibu Metra, de vrouw van Metra, zette na zijn dood de strijd van haar man onverminderd voort. Ze fungeerde als koerier voor het verzet en haalde geld op voor medicijnen. Ze werd naar eigen zeggen gevangengenomen en gemarteld in een gevangenkamp, en kon anderhalf jaar niet voor haar zeven jonge kinderen zorgen. Na haar vrijlating was het eerste wat ze deed een ngaben, een Balinese crematieceremonie, houden voor haar gedode man.

Een van de kinderen van de slachtoffers die tegelijkertijd met I Nengah Metra waren gedood klopte bij de Nederlandse staat aan voor compensatie voor kinderen van door het Nederlandse leger geëxecuteerde Indonesiërs. Inmiddels hebben negentien kinderen van Balinese slachtoffers zich hiervoor aangemeld, en dat aantal zal vermoedelijk verder gaan oplopen. Het is voor het eerst dat Balinese gedupeerden zich in Nederland melden met betrekking tot deze geschiedenis.

Nyoman Sidemen, de zoon van de nationalistische leraar uit Klungkung, vertelt me dat hij geen excuses of compensatie van de Nederlandse regering hoeft. Zijn vader heeft niet gestreden voor Nederlandse erkenning, maar voor een vrij land, voor sociale gerechtigheid, zo vindt hij. Wel heeft het hem lang gekost om de Nederlanders te kunnen vergeven. ‘Ik hield ontzettend veel van mijn vader.’ Voor Sidemen is het vooral belangrijk dat het verhaal van zijn vader onderdeel wordt van de geschiedenis, ook in Nederland. Zijn verhaal, en dat van vele anderen, moet worden verteld. De langdurige strijd van de Balinese leraren voor verandering laat vooral zien hoe wijd geschakeerd het Indonesische verzet, en ook hoe eenzijdig het Nederlandse beeld daarvan is geweest.


Dit is een bewerkte voorpublicatie uit het boek De strijd om Bali: Imperialisme, verzet en onafhankelijkheid 1846-1950 van Anne-Lot Hoek dat deze week verschijnt bij De Bezige Bij