Velociraptors in de P.C. Hooft

Laatst wees iemand me erop dat ons denken zo beperkt is. Dat we altijd van onszelf uitgaan. Ik had ook weleens visioenen van driehoeken en kubussen als ik dacht aan de hemel, aan de sterren, aan wat er eventueel nog meer is dan wij. Verder kwam ik niet; het is best moeilijk je iets voor te stellen wat onvoorstelbaar is. Nu zagen we op de tv iets, bij een of ander praatprogramma hoorden we weer eens iemand die daar verstand van heeft vertellen over Mars en hoe belangrijk het is om te ontdekken dat er ooit water op Mars was, want dat zou dan betekenen dat elders leven mogelijk is. Hetzelfde gebeurt geloof ik ook wel als iemand die daar verstand van heeft vertelt over DNA; dat wanneer dat volledig ontrafeld wordt, we ook inzicht zouden kunnen krijgen in ‘het leven’, en dan niet alleen ons eigen leven maar eventueel ‘leven’ in het algemeen, eventueel zelfs leven elders in het heelal. De iemand uit mijn eerste zin zei: ‘Wat is dat toch voor een onzin?! Waarom bedenkt niemand eens dat andere levensvormen helemaal geen water of zuurstof of vuur of bomen of aarde of wolken nodig hebben?’

Ja! dacht ik. Godsamme, wat heeft hij gelijk. Ruimtewezens in science-fictionfilms zijn meestal ook mensgelijkend, al leek die vieze troep uit de Alien-films meer op, op – ja, op wat eigenlijk? Nou ja – vieze, gemene, bloeddorstige troep. De makers van die films probeerden zich in elk geval nog iets onvoorstelbaars voor te stellen. Zelfs E.T. leek op een mensje, met voetjes en armpjes en een kop. Verder is het – in mijn beleving – toch vooral een denken vanuit de mens. Zoals wij ons diep vanbinnen niet voor willen of kunnen stellen dat we ooit dood zullen gaan, is het ons voorstellen van iets waarmee wij zelf absoluut niets mee van doen hebben vrijwel onmogelijk. Maar: ervan uitgaan dat andere levensvormen helemaal geen water nodig hebben om te leven is ergens helemaal niet zo moeilijk. Ik kan het me in elk geval best voorstellen. Een kachel voor warmte? Lachwekkend, vanuit de onmetelijke ruimte bekeken. Een huis om je te beschermen tegen het weer? Hahaha, wij weten niet eens wat dat woord betekent. Wij hebben helemaal geen weer! Wij hebben ook geen taal, wij doen dat anders. Nog sterker: wij kunnen dit helemaal niet lezen, want wij hebben geen internet!

Alien, 1979

Even los van de vraag of de huidige klimaatverandering – áls het al een klimaatverandering is, een vraag die waarschijnlijk pas over honderden jaren beantwoord kan worden en dan is iedereen die dit leest allang weg – wordt veroorzaakt door ons of dat het een natuurlijk verschijnsel is, gaan wij in de bestrijding ervan volledig uit van onszelf. Wij. De mens. Wij hebben het gedaan, dus wij gaan dit oplossen. Of zelfs: als het een natuurlijk verschijnsel is waar wij verder niets aan kunnen veranderen, gaan we er óók iets aan doen. Want zo kan dit niet. Terwijl het zo natuurlijk best kan. Waarom niet? De aarde – deze planeet die onafhankelijk van ons en ons handelen door de ruimte tolt – blijft wel. Wij blijven niet. En daar zit het probleem. ‘Ja, maar we moeten het doen voor onze kinderen!’ Is dat zo? Waarom? ‘Het zal onze tijd wel duren, maar we moeten denken aan de toekomst.’ Toekomst? Wat is dat? Dat is, vanaf het moment dat je doodgaat, niets. ‘Ja, maar die kinderen en de kinderen van de kinderen!’ Je kunt je kinderen vertellen dat het niet handig is dat ze kinderen maken – of hoogstens één – omdat de aarde zo langzamerhand onleefbaar aan het worden is. Langzamerhand steeds minder kinderen zodat er zo weinig mogelijk mensen over zijn als wij ten onder gaan. ‘Ja, maar, we moeten onze soort veiligstellen!’ Waarom in godsnaam? Wat gebeurt, gebeurt. Iemand die over tien jaar geboren wordt, zal wellicht geen grutto meer kennen. Is dat erg? Welnee, ik ken geen dodo en mijn leven is daar geen spatje minder om.

Weg met die Zwarte Pieten! Datzelfde kind dat over tien jaar geboren wordt, zal geen Zwarte Piet kennen. Is dat erg? Nee, hoor. Het is alleen erg voor ouders die de mond vol hebben van tradities en ‘het is een kinderfeest!’ De ouders vinden het erg, het kan een ongeboren kind niks schelen, die doet straks vrolijk mee met paarse Pieten en weet niet beter. Of, nou ja, het kán beter weten als het verhalen leest of hoort over hoe het ooit was. Net zoals ik mooie boeken kan lezen over de dodo. De ouders hebben doodsangst, willen dat alles blijft zoals het is, want zolang alles blijft zoals het is, ga je niet dood. Dat is onvoorstelbaar. Net zo onvoorstelbaar als buitenaards leven dat op geen enkele manier lijkt op onze manier van leven. Wie is er rouwig om dat er in de P.C. Hoofstraat geen Velociraptors rondrennen? Ik zou me rot lachen als iedereen die niet wil dat er ooit iets verandert tijdens het kopen van een Gucci-tas wordt opgevreten door een Tyranosaurus Rex die zich in het magazijn heeft verschanst.